Maand: maart 2018

Zoals Connie Palmen zo fijntjes zei: pas wanneer wij ons schamen is er iets dat telt


Omdat maandagochtenden zo saai zijn

Mijn vrouw vroeg na het eten
wie vind je beter
Schnittke of Ustvolskaya ?
We dronken koffie
en aten appelcake
Ik brak in tranen uit ik ga
Voor Utsvolkaya, zei ik door mijn tranen heen

Maar dat had ik nooit mogen zeggen
Omdat ik Schnittke liefheb
Mijn vrouw vroeg, wie vind je beter:
Nono of Berio?
Ik brak nog meer in tranen uit
Greep naar mijn zakdoek

We dronken koffie en aten appelcake
Toen kwam ze met Ligeti, mijn held!
Ik huilde en huilde en huilde
Onmogelijk kiezen tussen zoveel schoonheid en waarheid
JA NEE JA!
Ze zijn allemaal Master beter dan Bach

Ligeti is the best, de aller allergrootste
Maar niet zo groot als Berio of Utsvolskaya
Die zijn nog Groter en nog Beter!
JA NEE JA!
Vanmorgen werd in de klassieke facebookgroep
‘Omdat maandagochtenden zo saai zijn’
De vierde van Gorecki te kakken gezet, met poep besmeurd
En de componist als eendagsvlieg weggezet
Ai, Ai, Ai zei ik alsmaar
Ai, Ai, Ai, Ai vertelde ik mijn vrouw
Kleines Requiem für eine Polka
Dat ik geen noten lees maar ze allemaal goed hoor
Dat ze minnetjes deden over de vierde van Gorecki

Ik huilde de hele dag door
Het was niet eens maandag maar dinsdag, Tansman

Warner’s thuiskomst

 

Warner’s thuiskomst

 

 

Aan het einde van de straat stond, boven de huizenrij, de hemel te blozen alsof hij zich schaamde over het vroege uur waarop hij in dit seizoen begon te verkleuren. Vlak boven de gevels zag Warner in enkele seconden het helle blauw in zachtgroen veranderen. Daarboven ontstond langzaam maar zeker een hele waaier van tinten, oranje, violet tot diep purper – hij kon zijn ogen bijna niet geloven. Hij vertraagde zijn pas, om er zo lang mogelijk van te kunnen genieten.
            Het lukte: de straat strekte zich eindeloos uit in het groeiende donker, en in dit tempo zou het pas werkelijk donker zijn tegen de tijd dat hij zijn huisdeur bereikt had. Zo kon hij met volle teugen genieten van de genadeloze schemer, die vandaag besloten had zijn totale scala aan mogelijkheden in kleur om te zetten. Warner snoof diep de herfstlucht op, want ook van de geur koesterde hij grote verwachtingen. Dat laatste viel echter wat tegen. Hij vulde zijn longen met de penetrante lucht van de conservenfabriek, die zich vermengde met de uitlaatgassen van een ronkende autobus, die stationair draaiend op haar passagiers stond te wachten, ietwat scheef en half op de stoep geparkeerd.
            De verwachte geur, die van rottend loof en ijverige paddestoelen, waardoor hij elk jaar weer verrast werd, liet zich hier niet proeven. Dus stopte hij zijn verlangen daarnaar ergens diep weg, in de buurt van zijn nogal hopeloze verwachting op een dag vrijelijk de daarop gelijkende geur van het hem toegewijde meisje op te snuiven. Daar had hij een plek voor, even onvindbaar als gekoesterd. Maar vanavond waren het zijn ogen die hij de kost gaf. Ruiken kon altijd nog. En, wanneer hij zo goed mogelijk hetgeen er hier te ruiken viel wist te verdringen, zou de betoverende hemel hem alsnog de bedoelde geur in herinnering brengen.
            Ook daarin slaagde hij redelijk. Nog even, en de huizen smolten als was voor zijn fantasie, en liep hij recht het zich tot aan de einders uitstrekkende heidelandschap in dat hij zich droomde. Daar zou hij de vrouw tegenkomen die daar thuishoorde, haar geur en gedaante in overeenstemming met de schemerlucht die deze fantasie opriep. Hij zou op haar toelopen en zonder een woord te zeggen, haar omhelzen, hetgeen zij begrijpend en evenzeer verlangend zou beantwoorden in de langgerekte kus die hij tot in zijn stuitje voelde…
            Hoe lang was het nog naar zijn huis? Hoe vaak hij de afstand al had afgelegd, hij had de indruk dat de tijd die hij erover deed van het centrum naar zijn voordeur van keer tot keer aanzienlijk verschilde, een verschil dat vooral bepaald werd door de tijd die hij nodig had de ellenlange straat waar hij woonde uit te lopen tot aan zijn voordeur. Die bevond zich bijna aan het einde, voorbij de garage van de gebroeders De Vries. De een na laatste deur was van hem. Daarachter woonde hij, zo bleek telkens weer, wanneer hij in zichzelf goedkeurend mompelend de voorwerpen meende te herkennen die hij her en der in de ruimte geplaatst had, ieder voorwerp keurig voorzien van een met de hand geschreven labeltje.
            De kleurenwaaier was nu zo goed als verdwenen en had langzaam maar zeker plaatsgemaakt voor het diepe ondoorgrondelijke blauw dat vanuit het oosten de hemel veroverde, tegen de tijd dat hij de garage naderde. De straat was uitgestorven en op dit moment waren het alleen nog de afgemeten klanken van zijn voetstap die tot zijn oren doordrongen.

Op de stoep voor zijn deur zat iets, een meisje. Ze sloeg haar blonde krullen met één hand voor haar ogen weg en zei  ‘O, pardon,’ terwijl ze iets opzij schoof om hem de gelegenheid te geven zijn voordeur te openen. Hij wist niets beters dan een dof en veel te zacht  ‘Hallo’ en stak de ouderwets grote sleutel in het slot. Op het moment dat hij de deur opende om naar binnen te stappen, stond het jonge ding ineens overeind en was hem voor. Voordat hij er erg in had, was ze de gang binnengelopen, had twee blikjes bier uit de koelkast gehaald en zich op het ding met het label ‘Zitbank. Leer. 1989.’ genesteld, haar schoenen uitgeschopt en haar bekouste voeten over de leuning geworpen. Haar spijkerbroek knelde kennelijk een beetje, want ze liet het glimmende knoopje openspringen en schoof haar rits omlaag. Een keurig wit slipje, wist hij.
            Verbaasd nam hij tegenover haar plaats op een van de andere dingen en opende de twee blikjes, die met een plofje wat van hun inhoud over het ding dat de ‘Salontafel. Staal en glas. 1988.’ moest zijn verspilden. Hij stond weer op, want hij moest iets doen. Maar wat? Zijn ogen vragend op haar fijnbesneden gezichtje rustend, stond hij van het ene been op het andere te wippen. Ineens kreeg hij een ingeving en liep naar het bruine ding dat daar altijd weer hing en opende een van de rammelende, eh, hij opende het geval. Allerlei glimmende, doorzichtige voorwerpen grijnsden hem aan. Hij pakte er een en liep terug naar waar hij vandaan kwam. Onderweg bedacht hij zich, liep weer terug, en nam er nog een. Met de twee dingen in zijn hand wandelde hij naar het meisje dat hem lief bezorgd aankeek, knielde naast haar neer en zette de twee dingen op de ‘Salontafel. Staal en glas. 1988.
            Nu voelde hij twee armen die om heen geslagen werden, en er kriebelde iets in zijn nek. Dat moesten die blonde krullen van haar zijn, dacht hij, in een poging de glimmende dingen met het schuim uit de blikjes te vullen. Hij voelde hoe ze hem ergens vanachter kuste, en hoorde haar iets fluisteren. Maar dat verstond hij niet, want hij kon haar niet zien. Hij draaide zijn hoofd een kwartslag en ontmoette haar prachtige ogen, nu van heel dichtbij. De sierlijk lange wimpers, als een lange rij omhooggebogen vraagtekens, bewogen soms even heel snel op en neer. Hij merkte hoe ze hem kuste. Een verrukkelijk stevige en vochtige druk tegen zijn lippen. Maar hij raakte onderweg een beetje in de war, omdat hij iets op zijn hoofd voelde. Ze liet haar handen door zijn haar gaan. Ze kusten opnieuw, en nu voelde hij haar kleine, stevige tong langs zijn tanden gaan, zijn verhemelte zoeken. Hij sloot zijn ogen en zag weer de kleuren in de lucht boven de straat. Er klopte iets niet aan de volgorde, maar wat precies, dat wist hij niet.
            Opeens voelde hij iets in zijn hand, kleine krulhaartjes en iets vreselijk zachts, een beetje vochtig. Waar was hij? Wie was dit meisje?
            Van het ene moment op het andere zat hij met de glimmende dingen in zijn hand, waarin een gele, bruisende vloeistof heen en weer klotste. Hij gaf haar er een, nam daarna zelf een heerlijk lange slok uit de andere. Het was al bijna op.
            Toen hij opkeek, stond ze naast hem en liet haar broek van haar benen glijden, tegelijk met het witte onderbroekje. Ze had prachtige, niet al te slanke benen die, bovenaan, in het midden, elkaar weigerden te ontmoeten, omdat zich daar een klein, donkerblond bosje bevond, met een minuscuul klein donker riviertje. Het waren eigenlijk twee precies gelijke omgekeerde heuveltjes, zoals hij ze kende van de heide waar hij vaak urenlange wandelingen maakte onder de wolkeloze hemel. Hij keek vol bewondering naar dit vreemde meisje – hij wist niet eens hoe ze heette – dat licht wiegend nu ook haar losjes gebreide schapenwollen trui over haar hoofd begon te werken. Zo stond ze voor hem, naakt op haar zwarte behaatje na, en zei ‘Kóm’ met een vragend toontje. Snel nam hij de laatste slok van het gele spul, stond overeind en streek haar door haar haren. Zijn vingers daalden voordat hij het wist langs haar rug omlaag en frunnikten aan de sluiting van het ding. Halverwege tussen hun lichamen, hij geheel gekleed, zijn grote schipperstrui kriebelend tegen haar naakte borsten, zij spiernaakt, met lieve, vochtige ogen, kleine opspringende tepeltjes, van hetzelfde spul gemaakt als haar zich van elkaar losmakende lippen, waarachter weer het prachtige kleine tongetje verscheen, even de bovenlip likte en plotseling naar voren schoot, daar halverwege, ingeklemd tussen de tegen elkaar aangedrukte buiken, bleef het kledingstuk hangen, en viel pas op de grond toen hij haar optilde en weer op het ding legde. Ditmaal nam hij niet de moeite het labeltje te lezen. Dat kon ook niet, want zij sjorde aan zijn broekriem, probeerde zijn gulp te openen, en trok hem naar zich toe, omlaag.

Hij lag met zijn hoofd tegen haar borsten, of eigenlijk, in het zachte dal ertussen, en naar welke kant hij zich wendde, keek hij op naar de ontroerende glooiingen, elk bekroond met zo’n prachtig rood monumentje waarvan hij een rare smaak in zijn mond kreeg. Het vreemde meisje had hem helemaal uitgekleed en hij voelde hoe haar handen hem daar ergens onderaan in zijn vlees knepen, dat klopte en bonsde, een heerlijk trots gevoel: zij wilde hem, zij maakte dat hij zich sterk voelde, dat het speeksel zich in zijn mond verzamelde, dat zijn bloed op een rare manier door zijn aderen stroomde, alsof het de weg kwijt was, alsof de lange rechte straat plotseling veranderd was in een licht buigende laan waarachter het heidelandschap zich voor altijd uitstrekte…
            Het duizelde hem, en hij kon niet ophouden haar te zoenen en te likken. Hij wist het zeker nu, ze was voor hem, ze was voor hem gekomen. Haar beeltenis werd eindeloos weerspiegeld in het stille landschap in zijn hoofd.
            Zijn tong vloog langs haar hals naar haar oren, en trok een spoor omlaag naar haar stevige borsten waar hij kringetjes rond haar tepels tekende en even zachtjes beet in de weerbarstig overeind staande torentjes. Het vlees was daar zo anders – een plotselinge onderbreking van de het skelet omspannende huid, die overal mooi rond en strak over haar lijf gedrapeerd was. Hier heerste ineens de vreemde veerkracht die hem ontroerde tot diep in zijn buik. Maar hij trok verder met zijn tong, tastte haar ribben af, wandelde door het dal tussen haar borsten naar haar sleutelbeenderen, die hij kuste en waarin hij ook weer kleine beetjes gaf.
            Hij voelde haar adem sneller gaan, hoorde hoe ze kleine kreetjes uitstootte, en voelde opnieuw hoe ze in hem kneep, zijn trots deed oplaaien. Hij was alweer onderweg naar haar navel, en wist hoe voorzichtig hij daar moest zijn, zachtjes de vreemde, bittere smaak van die rare plek midden op haar buik oplikken, voordat hij zich nog dieper zakken liet. Haar handen waren weg, maar nu bevonden ze zich op zijn hoofd, dat al likkend afdaalde naar het bosje waarvan de geur hem tegemoetkwam, de geur waarvan hij zeker was, de geur die hij verwacht had in de lucht, die hem vertrouwd was, meer dan al de dingen die hem om een of andere reden omgaven. Hij verdween erin, liet zijn tong proevend door de gekke haartjes gaan, terwijl een doordringende, bittere smaak hem bedwelmde. Ergens ver weg, boven of achter hem, hoorde hij haar zuchten, woordjes fluisteren, terwijl haar handen onophoudelijk door zijn haren graaiden, zijn hoofd nog dieper duwden.
            Al kussend en likkend opende hij het riviertje, dat eerder een pasgeboren moerasje was, zo’n ven met grote, stilstaande libellen erboven zwevend, en kleine rode insecten die daar allerlei onbegrijpelijke dingen aan het uitspoken waren, waarvan je nooit wist wat ze van plan waren, een plotseling breuk in het door de zon drooggetrilde landschap waar de planeet heel plaatselijk een paar doorgaans goed verborgen geheimen van onder haar oppervlakte aan het daglicht prijsgaf.
            Maar voor Warner was er geen geheim. Hij kende de geur, de smaak van de zich openkrullende sleuf. Wat hij proefde was hem zo vertrouwd, en ook al kende hij de naam niet, kende hij de naam niet van het meisje, begreep hij niet wat ze hier deed – hij begreep wat ze hier zocht, en de smaak van het moerasje kende hij zijn leven lang.

Eerst liet hij zijn tong, daarna de vingers van zijn linkerhand, zo diep mogelijk in haar verdwijnen, en kuste de trillende kleine strandbal daar achtergelaten door een horde spelende kinderen, tot zij, steeds heviger bewegend, boven, onder, achter hem met lange halen schreeuwde, haar hoofd naar achteren wierp, haar borsten van links naar rechts schuddend, hem naar boven trok, totdat hij boven haar lag, over haar trillende lichaam uitgestrekt, oog in oog met haar huilende gezicht, kleine tranen in haar ooghoeken, dingen tegen hem zeggend die hij niet verstond of niet begreep.
            Ineens ontsnapte hem een heftige kreet. Plotseling werd zijn trots omgeven door de stevige, veerkrachtige greep van haar lichaam. Ze slokte hem naar binnen met het strakke spel van haar gespierde lippen, en hij kon niet anders dan bewegen, zijn bloedende, blozende trots diep in haar weggestoken, dan weer terugkeren, niet kunnen ontsnappen, opnieuw tegen de wanden van haar binnenste stotend – een vreemde, houterige dans die hij voor zover hij zich herinnerde altijd al gekend had, die hem lief was als de heide, als de kleuren van de lucht, als de geur van zweet en geil die zijn neusvleugels deed openvliegen, hem deed ademen alsof hij uren gezwommen had tegen de dwingende golfslag van de branding in de nacht.
            Hij was veranderd in een rare machine, een wezen van spieren en levensgrote raderen, zijn ogen in verrukking over haar hijgende, geopende mond, haar zich tegen hem op torenende borsten, de lieve, smalle schouders, de eindeloze golven krullend haar. Hij was een pomp, een boortoren, een stilstaande, helblauwe libel boven het moeras, en de samentrekkende bewegingen van haar voor hem niets verborgen houdende geheim overrompelden hem, deden zijn dans stollen in een onherhaalbaar verblindend moment, dat eeuwen duurde, waarin hij merkte hoe hij zich vol trots leegstortte, diep in haar, dat hem verdoofde, zijn bewustzijn zachtjes weglegde in een kast zonder labels, waar hij door alles en iedereen voorgoed vergeten werd en insliep in het langgerekte ogenblik waarin hij al zijn dromen leegspoot op het zand.

*

De heide strekte zich aan alle kanten rond hem uit. In een regelmatig ritme bewoog de aarde onder hem op en neer, kleine wolkjes stoom afblazend uit de poriën die zich overal tussen de struiken verborgen hielden. Bijen vlogen af en aan. Hij zat aan zijn ‘Bureau. Eiken. (Hout.) 1987.’ en beschreef een klein, okerkleurig stukje karton. Hij liep door de straat, die tot aan het eind met sneeuw bedekt was. Het geluid van de tram, die een eindje verder zich door de kou heen worstelde met van condens druipende ramen, klonk raar dof, gedempt, alsof hij door een kartonnen decor reed, vol kartonnen mensen op weg naar werk dat slechts bestond in het hoofd van de kartonnen regisseur. Hij schuifelde door het vreemde witte spul waar hij zo van hield, dat hem troostte in de kou. Opnieuw dwarrelden de droge vlokken uit het niets over het witte wegdek.
            Hoe lang hij hier al liep, wist hij niet; de straat was langer dan ooit. Net op het moment dat hij begon te twijfelen, zich begon af te vragen waar hij was en waar hij woonde – zou hij zich vergist hebben in de richting? dat was hem al eens overkomen, wist hij, al wist hij niet meer wanneer precies… – doemde het bord waarop de gebroeders De Vries hun vakmanschap aanprezen op uit het niets, nog maar nauwelijks leesbaar door de aanslag van ijzel en sneeuw. Voor zijn deur zat een meisje dat hij vaag ergens van kende te verkleumen in de kou, zeker verdwaald.
            Ineens was het aardedonker, maar om onbegrijpelijke redenen ontzettend warm. Het moest middernacht zijn, er was niemand op straat, en hier en daar knipperde een halfgare straatlantaarn. Met zijn jas over zijn schouders was hij, hartje zomer, naar huis teruggekeerd, had nog even wat gedronken in de stad, was aan de praat geraakt met iemand, hij wist het niet meer precies, een man eerst – of was het een vrouw? – nog wat gedronken, maar ten slotte was hij zeker weggegaan, want nu was hij ineens hier, hij was moe.
            Op de stoep voor zijn deur zat iets, een meisje.

            …


‘Warner? Warner…’ Hij sloeg zijn ogen op en keek in de mooiste ogen die hij kende. Nooit meer wilde hij iets anders, nooit meer dromen.
            Hij wist dat ze gelijk had, dat hij zo heette. Had hij geslapen, gedroomd? Verbaasd keek hij in het lieve gezicht. De tranen sprongen hem in de ogen. Wie was zij? Hij werd zich haar naakte lichaam gewaar, tegen hem aangedrukt, en onwillekeurig gingen zijn ogen omlaag naar haar borsten. Om beter te kunnen zien, moest hij zich oprichten. Het was het meisje van de heide. Hoe kwam zij hier? Hoe wist zij hoe hij heette?
            Ze trok zijn gezicht naar zich toe en kuste hem, eerst kort, eventjes, daarna nog eens, lang en diep, haar tong verdwijnend in zijn mond. Het was alles zo bekend…
           ‘Warner, ben je d’r nog?’ Het suizelde hem. Hij was verdwaald, lag hier spiernaakt met het mooiste meisje op zo’n ding… Hij begreep er niets van.

Ze wriemelde zich onder hem vandaan, legde hem op zijn zij, maakte het hem gemakkelijk, en verdween de kamer uit. Met een steek wist hij dat hij gedroomd moest hebben, dat hij alleen was in dit huis, vol met onbegrijpelijke dingen. Een rare, vertrouwde angst welde in hem op. Zijn hand daalde af naar zijn kruis. Het was klein en kleverig. Een paar prachtige borsten bungelden voor zijn ogen. Hij huiverde. Precies op hetzelfde moment hoorde hij hoe zij zuchtte. ‘Liefste, ga je mee?’ klonk het.
            Hij trok het meisje naar zich toe, snoof haar geur op, kuste haar de ogen. Het was geen droom. Bijna had hij haar gevraagd wie ze was en hoe het kon dat ze zijn naam kende, maar hij bedacht zich, zweeg, kuste haar opnieuw.
            Ze was, nog altijd naakt, naast hem op de vloer geknield. Hij pakte het ding dat ze hem aanreikte. En weer dronk hij van de tintelende vloeistof. Door het raam zag hij de zich wentelende sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen. Hij liet zijn hand langs haar lichaam glijden, wilde haar aanraken tussen haar benen, maar zijn hand stuitte op een klein stukje karton. ‘Zitbank. Leer. 1989.’ stond er in een warrig handschrift op neergepend. Dit is een zitbank; ik heb haar in 1989 gekocht. Nu lig ik erop, languit, naakt. Ik ruik naar mijn dromen.   

‘Welke dag is het?’ hoorde hij zichzelf vragen. Eigenlijk had hij haar willen vragen hoe ze heette, wie ze was, waarom ze zo leek op het meisje van de heide. Maar hij schaamde zich een beetje, omdat hij zo naar zweet rook, zo kleverig was.
            Ze legde haar hand op zijn kruis.
            Buiten scheen de zon, het was een hete zomermiddag, de kamer stond vol licht dat de dingen in zijn kamer een vreemde glans gaf. Kleuren dansten voor zijn ogen. Hij zakte weg in een droom vol heerlijk geurend vlees. Haar hoofd lag tegen zijn borst, en hij voelde haar tranen, een voor een, over zijn borstkas rollen.
            Hij wilde dat ze nooit meer wegging.

 

 

Amsterdam, 30 oktober 1993

 

 

 

AvR4

Astrid van Rijn – potloodtekening #4 van 8 op prentbriefkaarten, gevonden in mijn brievenbus

 

 

de iris in het zwarte sop
wil van geen wijken weten
o god wat maakt zijn licht lawaai

de tijd is klaar voor meer jolijt

ik weef voor hem mijn nachttapijt
rol binnen maar en maak kabaal baäl
maak de ruimte vol met ledigheid

 

 

After the Fall

If all goes well, a second sky will be born from the sea, the moment after you touch it.

When you will no longer be able to fly, you’ll have to hide in remnants of waves. You’ll find a passage in the ruin of your own reflection over the ocean.

My emaciated albatross of memories.

Facing wind that you have abdicated, you’ll find in the gate of foam, three havens of sea.

movement
expanse
depth

In clarity extensively brewed by waters, you will count off hours. All the oscillations that separate you from immobility and memory of the first shore.

You will wait longing for a time before the fall. Lulled by the sound of wavelets on your skin. Bringing fictitious light of flight to your dormant arms.

 

infinity of starry nights
we learned to close our eyes
eyelids like butterflies
we closed them and images came
days came
and again
we extended our wings over dry rocks
where uncountable years ago
we uttered our last cries
before sliding in a tangle of high transparency
surrounded by silence
losing sense of gravity and verticality
we were drifting
moving our wings and our adventures
no trace to immortalize our tearing
in this moment
in ocean
we flew over beds of shadows drawn by tides
we were looking for a figure
each other
someone to recognize
to offer a smile
and again eyes closed
coming images
days
and a fierce beam diffused across the landscape
through a slit on the liquid surface
our flight over fatalism caressed its gloom
and we slowed down our wings in an attempt to reach stillness
closed our eyes blind
never to see anything again
no longer to remember

 

Even if I am doomed to silence for the next 847 years, you will rear up out of the pool and I will try to imagine what was going on before this.

I will try to imagine how.
I once had a personal relationship to the world.

You’ll emerge long after dawn. I will be tired, miserable and funnily oblique with my crushed wings.

For you, on this morning, I will lit up the sky with stones.
For you, I will clear all gravel pits of their darkness, so that I get at least the visible imprint of your escape. Memory will become a secret of feathers. Nothing to testify elsewhere and otherwise of our life. No voice to comment our amnesia.
Our loneliness.
Our eternity.
Our love and our silence.

For you, I will unfold in a drizzle of light, as if to emphasize futility of either presence or absence. Fall inspired by the night of disappearance. Secrets that govern the kiss of sky and sea.
 
But I cannot tell you about them, you will have to wait for 847 dusty years.

Later, a grandiose bruised fire will stand reflecting the persistence of elsewhere and otherwise. And I will bend over dawns, mornings, middays, and afternoons. In twilights, we will mull an answer together.

When I will lie down on the last appropriate place, adorned with algae and pecked by birds, it will happen again, once or twice a day, that I will have the illusion of consciousness.

And I will open my eyes in surprise.

A flutter of birds will disband, afraid by this unexpected movement. They will try to fly in my deafening silence. Wings and feathers will stir the idea of sound.

Whenever I will open my eyes, multitudes will burst to the surface without penetrating my memory. It will be stopped as a cinematic still.
Forever on my retinas.

And I shall set rules of a sad game of idleness and melancholy.

A losing bet between myself and chance.

To win, I will have to capture in a single snap 554 seagulls exactly: no more, no less.

(It is a number I always loved for its musicality)

Nonetheless, it bore me no luck.

I will mutilate my gaze to make a grid with 554 facets, to assess my glance and the outcome of the game. But each time as I will open my eyes, the total number of birds will approach an ideal and harmonious value, and I will lose.

Whether during a sleepless night or after a dark limbed day, the original question will arise, and before long you will remain dazed by its alternative: “do we fly or fall?”

You will not cease singing thousands charms of your shining wings.
Your monologues will call for many heavenly creatures, as you will continue rotating and turning in an approaching crescendo.

Hoping that someone will suggest a method to continue spinning without first having to die drowning.

You will sing clear skies, and then create clouds out of your own breath.

You will smile knowingly as nothing ever prevents poetry, even when it encompasses loss of hope.

And it will push you to declare that the sky is beautiful regardless of its place in the landscape, and of your rushing out of the painting.

You’ll show all your beauty in the mire of a sub-dream.

against shores where equinox is a dying
sea we will place our anticipation for union of blues
we will strengthen secrets
appeared in nonchalance of dreams
we will imagine men and women
living on non-submerged lands

in a trembling voice
we will wish to invite them to witness
the moment of the kiss of sky and sea
but we will bite our lips instead
our mind becoming too confused to speak in words
it will deviate spiraling above the waters
hiding access to great depths
and then
our dead wings will return to the endless sky

 

I will open my eyes after the fall
or is it you
and we will see birds flickering in surprise

 

 

Marie Veronika Zorn

Tuesday, 9 August 2016

https://www.facebook.com/dreamorous.encore

 

ill. Luke Elwes, Floating World, 2011

 

 

 

 

HAIKU & TYPEWRITERS–

HAIKU & TYPEWRITERS–
one of amazing things about moving is how many long forgotten things one finds–(so far i have found five hundred US $–mostly inside books–knew i had squirrled away some–but this much?–)–found this–made when living at the REd Cross Homeless place, on top floor of building few years later condemned by city for all the foul events happened there–even when i wqs there–just after i left, murder of another David, gentle old schizophrenic dark skinned gentleman, who walked the streets carrying either Bible of Koran depending on which came to hand that day–he was killed by ten kids armed with large staves and baseball bats–died in the hosptial–his head beaten in–year or so later–a man died in there–while the people working the floor kept telling his family over phone–oh he is fine–sleeping or busy you know can’t come to the phone–so family finally got fed up–went to see him–and he was lying on bed starting to rot–did make some good friends there, a few who i still see to this day-especially a lot when he is in this area—my poet friend Kirk–still homeless–when good weather comes–hope he is back at Brady Street where he hangs out with some Arab friends who also love poetry–(integral part of culture of Muslim cultures, Arabic peoples, peoples of North Africa–etc.–world over–outside the usa)–one day–ran into him looking prophetic in large beard, broad shoulders, big coat very dramtic looking–( he transformed himself into a Jim Morrison look and sound alike to play him in a theatre piece one summer–)—-reading long “country western poem” he writes on paper i give him along with pens, pencils as he is always losing them–also inside books he finds thrown out–any blank bit , scrap of paper–will do–lot of time i end up doing lot of my writing, rubBEings, same way–so we work together in the streets–my favorite thing he boomed out one day–POETRY IS REALITY”–man was it cold in winter at that red cross place-tHE WINDOWS JUST HANGING OUT, NO STORM WINDOWS–SNOW SEEPing, sweeping in–behind our building, kitty corner on one side of a half hidden parking lot–was a crack dearler–also named David!!–all hours of the night all kinds of weather–he crack heads outside calling in mournful voicess DAVID!! DAVID!! DAVID!!–i would be dreaming and in the dream wondering why someone kept calling my name???–) woke up and discovered all over again no matter how many times always a rude surprise–sure enough–the calling of my name was real!!)— i was the only one there not afraid of mice–so i was the official mice killer (used to have to kill them at horse farm i worked at as they scare the heck out of horses confined in their stalls–)–floods of memories are flowing out of finding this one ancient page–miracle it has survived all these years! but then–so have i–

BADORATIE #2

      badoratie #2 - dv

Kopieer onderstaande link om het MP3 bestand te downloaden:
https://www.platformplee.nl/wp-content/uploads/2018/03/badoratie2-DR0000_0043.mp3

 

“Over de grondslagen van de Gignomenologie, de noodzaak van de deontologie, de deontologie als geradicaliseerde deconstructie, het auteursrecht als schrijfrecht en de auteursplicht als tautologische deontologie en als troostplicht, de Vrije Lyriek als woordverbrijzeling, de Gignografie als beloftevolle praktijk en het Axioma van de Uitweg”

dv@CGU 24-03-2018 @16:03 GMT+1

BADORATIE #2 is een net-performance door Kathedraalauteur dv vanuit het Centrum van het Gekende Universum. Foto van Irem Kaneli.

R.I.P. Frank Vangrinsven

Bij ontstentenis aan redactie is het mijn droeve taak u te melden  kunstschilder en auteur Frank Vangrinsven afgelopen dinsdag is overleden. Frank was ook  auteur op dit podium.
Frank werd eind februari getroffen door een hartfalen, was sindsdien in een coma beland en is dan op 20/03/2018 van ons heengegaan.

Ik houd een levende herinnering aan een gedreven en uiterst getalenteerde, creatieve mens met een diep aanvoelen en een grote betrokkenheid.
Mijn medeleven gaat uit naar zijn nabestaanden.

De uitvaart vindt plaats in intieme kring.

 

AvR3

Astrid van Rijn – potloodtekening #3 van 8 op prentbriefkaarten, gevonden in mijn brievenbus

 

 

 

…de dagen dat ik…
…de wegen daar…
…dat in het vage duidelijk
en ik…

…hoe vaak doorstreept ik niet
en dat…

…de wegen waarlangs ik
en hoe je o en dat een schaduw
toch zo wonderbaarlijk…

(zo is het vage veeg ik weg
de weg die strepen maakt
en zie ik door de droom

de dagen)

AvR2

Astrid van Rijn – potloodtekening #2 van 8 op prentbriefkaarten, gevonden in mijn glunderbrievenbus

 

ach, het deinen van pompoen
naar wat daaruit verdween is
gezien de slapte van de kring
herinnering een weg zo weg

van mij:  ik pomp daar echt
geen zoen of poen meer in.

Weg

Weg

 

 

Je hebt nergens om gevraagd. Je bent.
Voldoen aan ouderlijke eisen. Een vuil
gericht. Je was bestemd, voor welke bent?
Je was een slecht geslaagd gedicht.

Je maakte los, schilderde in zwart
vragen die gemeengoed waren, werden,
in almaar zachter wordend schreeuwen
in de nacht. Woorden waar van bloed.

Je zag de bomen huiveren, de populier
uit rijen weggerukt. Je kende
de omhelzing van het eenlingdier.

Niets was, niet was wat er wende.
Je hart was bij het hart van dichtvertier.
De eenzame, dood, het ongekende.

Je bent, je was. Hebt nergens om gevraagd.

 

 

 

 

 

 

 

AvR 1

 

 

Astrid van Rijn – potloodtekening #1 van 8 op prentbriefkaarten, gevonden in mijn glunderbrievenbus

 

heeft.

de weg
er rond
strikt wat er was
te zien tot wat er is
terstond.

wrijf
wrijf grijs en grijp.

de blik zweeft
maar ik

ik teken ik.

 

 

 

 

Incidenten zijn van alle tijden

Wij zijn ook maar vrijwilligers

en horen soms verhalen

dat iets maar net is goed gegaan

we kunnen ook niet overal zijn

 

de orde aan de waterkant

moet ook gehandhaafd worden

soms zitten ze er het hele weekend

in een tent

 

als je op hun borst klopt

klinkt het hol

je kan maar beter

op het ergste voorbereid zijn

 

tegen de tijd dat de politie er is

ben je al doodgebloed

Eindspel

Doden, gestorvenen
blijven altijd
nog een tijdje
leven.
Niet weg te denken
aanwezigheid.
De warmte van hun adem
hun stem hun bloed
blijft nog maanden
aan ons kleven
jaren zelfs.
Je voelt, je ruikt
hun denkbare aanwezigheid.
Ze besluipen je
met hun oogopslag
hun stemgeluid
hun huid.
Dom vergeten fruit.

Je blijft jezelf bedriegen
tegen weten in het lot beliegen.
Geen mens kan vliegen
zo monter kan alleen een vogel dat.
Ons rest slechts gras
zoden of een mat.
Schaakmat, en het speelveld
wordt niet omgedraaid.

I.M. Frank Starik

vloeken om je ogen droog te houden 
waarheen, vriend, waarheen zo snel?
jij ook, de lethe in, opgelost, daarheen?
moest dat nou, moest dat zo snel?

vloeken stopt wellicht ons dom geween
haalt de dood, de dood je echt zo snel?
vloeken om ons even in te houden
vriend, waarheen, waarheen, zo snel?

vliegen is een dier’bre kunst
slechts weinigen zomaar gegeven
maar je moet er wel voor leven

jij wist, het is een gouden gunst
sterven is een zoete kunst
maar je moet er wel voor leven

 

Het totaal van het individueel beeld

We snappen het ook niet

maar het werkt gewoon zo

hij telt zwarte auto’s ter afleiding

kweekt hybride aardappels als hobby

 

ik heb ettelijke miljoenen dieren gevaccineerd

zei de niet-praktiserende dierenarts

op de feestelijke bijeenkomst

en sloot een aanvullende verzekering

voor een pony op latere leeftijd af

 

zijn secretaresse is geslagen met tijdschriften

ze spreekt onvoorstelbaar veel verpleegkundigen

en al die vrouwen worden gek van het papier

ze willen niet leren

ze willen wel werken

belgen

het regent stenen uit de hemel

fijne kiezel eerst maar knikkers al
en marmer dan, bij brokken

de donkerte verstevigt, niets
geeft nog een krimp. het licht
verheft zich hooguit een vinger dik

nog boven de bevlekte schermen
en draait dan terug tot git
in de hatelijke blik
van de berichten.

ik wil van liefde zingen
maar moet die lust bedwingen:
het is vrijdagavond en ik zit gans alleen

tussen 11,5 miljoen nijdige
belgen.

 

 

stad aan zee

voor a.s.

ik bouw  stad
jij schept zee
stad stort in
zee loopt leeg

jij bouwt zee
ik schep stad
stad loopt leeg
zee verdampt

ik bouw stad
ik bouw zee
scheppen gaat vanzelf

jij schept zee
jij schept stad
bouwen gaat vanzelf

 

 

 

dv 2018 – “voorstel voor een deontologicistisch prognosisconcept op basis van geheel rationele probabiliteit”

De juiste tijd om te schilderen

Tijd om te schilderen

Het schilderen van de tijd vergt enige nauwgezette voorbereidingen

Waaronder het bepalen van de ideale samenstelling van die ingredienten die het resultaat gunstig beinvloeden

Bijgevoegde afbeelding is een ijkinstrument dat juist daarvoor ontworpen is

Geen weer geen wind – Quel temps quel vent

Nu blijkt dat wij bleek

wegtrekken aan de kim

stopt allicht het zoeken.

 

Hoe jullie netjes iedereen optrommelen,

wat later ieder op zijn plek

te kakken zetten, de kaken op scherp

en jullie niets daarvan oprommelen.

 

Voor de drommel!

Kom maar hier

met dat bier

van de hommel!

 

Uit onze ooghoek zien we nog net

de mastpop hangen aan de masttop.

Eindelijk ligt alles klaar nu,

voor de hand, steek hem uit

geef vuur aan de brand.

 

À présent il s’est avéré comment, pâles,

nous disparaisons à l’horizon,

peut-être la recherche s’arrêtera-t-elle.

 

Comme vous avez si bien mobilisé

tout le monde, pour mettre chacun

à sa place, à chier,

la crampe aux fesses,

sans que vous les nettoyiez.

 

Au diable !

Par ici,

cette bière

au bourdon !

 

Du coin de l’oeil nous observons tout juste

la poupée de mât pendue à son sommet.

Enfin tout devient clair, allant de soi,

prêt à prêter la main

pour y mettre le feu.

U bent erbij

 

uitspansel

 

hier is ’t
een uitgezochte
plek om te verdrinken
in al het eeuwige en brede

proef het geweld van de ruimte
tedere tiran met een navel als noodverband
het groots laaghangend zwart gat
voorzien van pluimage en gifdamp

u kunt er naar believen smoren
in de armen van opgeslorpt water
stemloos en smetteloos als de stront van uw lief
in de vetgemeste rivier uw ondenkbaar vertier
galm en geil de geheven vinger van de uit de rijen geplukte populier

het stinkt er naar pluimen en torens eenzaam gevorkte vlaggen
wijl de bodem onder u wordt weggeslagen
door per abuis geplaatste buizen
van poldermuziek zoekend naar poep

misschien bent ook u brandbaar
wie zal het zeggen fossiel bent u alvast
grijp maar de scheuren in uw brandkast
en zing naar believen van dampen veelkleurig
van het onversaagde dove gloren

boer bent u of boomgroep maar averechts
uw lokroep een uiterst kapotte tv en nee
vergeet niet uit te checken als u uitstapt
want het land is de grap met de vunzige baard
die u vanaf nu overal nastaart

 

 

 

foto: Wilhelminapolder, Michael Beutler, Polderpeil

 

 

 

grot van het lot

 

de grot van het lot
is ook het cachot
van Wasni Zalni en Kanni

de 3 snollen van het lot
ze wachten er samen
op Nooitni  aka
de Schone van Li

maar ja
die komt maar nie
dus Wasni Zalni en Kanni

de 3 snollen van het lot
zitten heel erg pissed
met hun scharen te spelen

en met hun garenbollen

 

 

 

 

A Poet’s Devotion

 

the ultimate origins of the root word *men* – I do not feel
that there is conflict between the concepts of “moon”,
“measurement” and “memory”, “mind” and I believe that
we are not dealing with three separate roots but with one
that has a number of shades of interrelated meanings
which further extend into regions of “future memory”,
“prophecy” and the concept of “fate”

a single root-sound can be the focal point in a constellation
of analogous symbols and abstractions

many philologists have noted the connection between
the words for “moon” and “measurement” in different
languages and even with the concept of time itself

the association of mind with memory is also intriguing
as in the ancient Greek word for “truth” – alethia
(literally a = not + lethe = forgetting) – simply stated it is
ultimately a synonym for Mnemosyne = “memory”, “remembrance”

***

I also believe that poets should devote more to exploring
the roots of the words they use to take full advantage
of their inherent “DNA” and their subliminal associations

that can help determine precisely the right word when
a number of options are open

not every reader will be able to consciously tap into the
ancestral echoes, but those who do will be grateful for
the effort that has been taken to ensure a continuity of
meaningful imagery and for the nourishment provided
by an experience of an archetype

thank you, Ιωνας Θεόδωρος

 

https://www.facebook.com/ionas.theodoros

 

 

ill. top: Minoan Geranos (“Crane Dance”), pottery fragment discovered in the ruins of Argos
ill. bottom: Laussel, Oldest Calendar, sand stone carving

 

 

 

 

Berglied

 

Berglied

 

Mijn flinterdunne flanken zijn van ons. Onze voeten
staan alom, dag en nacht huilen we. We ruisen zuiver
ruisen zilver en zoet ons huilen. Dat is het sijpelen dat je daar hoort.

Wie omkomen komen in ons om. Welgemanierd staan wij om hen heen
in goedgekapte struiken en bossen. De brandgangen leiden daarvan af of zwijgen ons
open. Ze zwijgen in elk individueel geval.
Het gonst er naar behoren. Wie in ons omkomen komen onfeilbaar om.

Vraag het de luchten, het vee. Waar wij ruisen, sijpelen, zuchten, rinkelen zij. Mijn
flinterdunne flanken zijn van ons. De brandgangen leiden daarvan af. Vraag het de
wachters, de zee.
Onze voeten staan alom. Onze voeten zijn schreefletters. Ze zingen zacht. Doen er hun
zwijgen toe.

Ook het onpeilbare, het rotsvaste is van ons. Uit beweging geboren verstarren we.
IJskoud. We staan, liggen, zitten de tijd uit. Overhuiven u, overleven ruwweg.
Er zijn er, zeker, die in ons omkomen, maar ook zijn we dansvloer, stijgbeugel, wordt
er afgeleefd en gebeden.
Wat klingelt is toegevoegd. Vee, gelovigen, dat soort dingen. Wij sijpelen.

 

 

 

 

 

ill. Balthus, La montagne, 1935/1937

 

 

 

The most beautiful gesture in the world

 

The most beautiful gesture in the world

 

death leers at you and apes
with harp and flesh-wound
the pink twilight of your eye

beaming your worldly smile
with your eternal sloppy joe
under which your terrific breasts
the left one pretty
heavier

than the other

death on the look-out in every smelling thicket
harpy wings snare the mermaid
bearing your fish love

jeans stripped off hastily come
i am your nymphomane diverted my
functionalist sheath

ever so proud of your death in me

sure lust for the lasso
the noose on my nut
the gob and the froth

fall for foul fuckers but you
your lovely eyes take me
please
ere i perish
and grief

ah my love sweet love never
left from my song
this be the day

death lurks but lingers
snaps out
at our amiss

 

 

 

 

 

stale

 

“like embers, I lie among the dead”

“like embers, I lie among the dead,
among their stale staves, their bodies borne below –
their maunder, when their rest and dawn have fled,
their blows reign down within the embers’ glow”

http://www.alansondheim.org/stale.png
http://www.alansondheim.org/stale.mp4

bellow, gullets half filled with stale waters, bones, flesh
gnawed from phenomenologies. I’m undergoing defuge, that sense
of information not present (was present) but stale – as in as
well (was present) enervation; body = language – hir stale
usual thing – Fetor, fetid:

a hand become stale (staleness itself is of interest for a few
hours). the stale day unfurls its maroon hours against me, all
my writing’s fucking stale, stale of train or mind, idle, cycle
and rail and scattered. that it is blocked, the road at night as
for wires, air, fibers, all transmitting into scattered showers.

& covered a stale odor permeating lava, air, skin, and sky as
if an avatar disappearing, an apparatus, whose body is a noun –

– and hir stale usual thing – bellowed, gullets half filled
with water, bone, gnawed flesh, and this is language:

fetid, spread, emitted, spewed, targetless and broiling like
phenomenology’s defuge – information absent (was present) – as
in the body inconceivably wiped clean and e-faced – my spam body
– my spammed body – hir usual thing – i’m used up, disappeared –
the day unfurls – stale as can be – i’m left for death – i’m
trampled – pornographic jennifer – pornographic alan – air and
sky and skin – always that skin – that stale fetid smell – lava
– stale language – hurry first motion stream – notions –
gone riding your back once again, that odor, defuge, my face in
it – yours – my face yours – you say

“this image is the same image is the stale image the first image
of death is no image is the stale image the last image of death
is the stale image is the first image”

you get the idea – you say

“incessant”

Neo-Kathedraals schrijfplezier: ‘tijd’

pour Henri Michaux, le grand maître de mes pauvres arts en met dank aan m.g. voor haar rake suggestie

ik wreek ik raak ik werk ik rek
ik week ik kwak ik keer ik wek
ik krijt ik koor ik rok ik rul en ril
en nog krijg ik de tijd niet stil

ik beer ik boor ik baar ik bek
ik krab ik roep ik pik ik pek
ik prak ik preek ik bok ik bil
en nog krijg ik de tijd niet stil

ik vreet ik wrijf ik wraak ik wrok
ik rijf ik troef ik roof ik fok
ik kus ik kerf want als ik sterf
krijg ik de tijd  wel dood en stil

 

Maak uw eigen ‘tijd’

Vindt ge de tekst wel oké maar staan sommige dingen u niet aan? Geen probleem, hier vindt ge alles wat ge nodig hebt om uw eigen ‘tijd’ te maken.
Echt moeilijk is het nietè, dat ziet ge direct: ‘t is gewoon 3 regels met ewa werkwoorden en dan  ‘en nog krijg ik de tijd niet stil’ erachter aan. Meer stelt het niet voor.

Nu, de versie hierboven hanteert een heel strikte formule waarbij de gekozen werkwoorden ook nog ‘s dezelfde klanken moeten hebben, maar als ge pas begint met Neo-Kathedraals Schrijven kiest ge misschien beter voor deze ‘vrijere’ versie. ‘t Is tenslotte uwen tijd die ge d’r in  stopt è.

benodigdheden voor 1 strofe tijd

  • 8 ww-lang: werkwoorden die in de 1ste persoon bestaan uit 1 lettergreep met lange klinker bv. ‘eten’ : ik eet
  • 3 ww-kort: werkwoorden die in de 1ste persoon bestaan uit 1 lettergreep met korte klinker bv. ‘kunnen’ : ik kan
    • twee daarvan rijmen best op elkaar  zoals in het voorbeeld ‘rekken’ met ‘wekken’
  • 1 werkwoord dat in de 1ste persoon bestaat uit 1 lettergreep en dat rijmt met ‘stil’: bv. gillen, rillen, willen, schillen,  tillen …

En dan is’t maar invullen è:

ik + ww-lang +ik + ww-lang + ik + ww-lang + ik + ww-kort
ik + ww-lang +ik + ww-lang + ik + ww-lang + ik + ww-kort
ik + ww-lang +ik + ww-lang + ik + ww-kort + en + ww-kort
en nog krijg ik de tijd niet stil

als ge dat niet zo dadelijk vindt, zoveel werkwoorden, pakt ge d’r een woordenboek bij è, de ‘professionelen’  die doen dat ook heel den tijd (google woordenboeken’ en/of ‘rijmwoordenboek’)

Allez, veel plezier met uw nieuw ‘tijdverdrijf’!

(plak jouw resultaten hieronder als ‘reactie’ dat is plezant voor de andere mensen, dan hebben die ineens meer voorbeelden!)

 

Je maintiendrai

Je reviendrai ici, bientôt, un jour

ou autre, demain par exemple est un autre jour.

 

Op een of andere dag kom ik hier

terug, morgen bijvoorbeeld is een andere dag

 

En attendant, deux tableaux de Matisse.

Voor ik zover ben, nog deze twee doeken van Matisse.

 

My darling,

I ought to begin by begging your pardon, perhaps,
for the extraordinary letter I wrote you last night. While
I was writing it your letter was lying in front of me and
my eyes were fixed, as they are even now, on a certain word
of it. There is something obscene and lecherous in the very look
of the letters. The sound of it too is like the act itself, brief,
brutal, irresistible and devilish.
Darling, do not be offended at what I wrote. You thank me
for the beautiful name I gave you. Yes, dear, it is a nice name
‘My beautiful wild flower of the hedges! My dark-blue,
rain-drenched flower!’. You see I am a little of the poet still.
I am giving you a lovely book for a present too: and it is
a poet’s present for the woman he loves. But, side by side
and inside this spiritual love I have for you there is also
a wild beast-like craving for every inch of your body, for
every secret and shameful part of it, for every odour and act
of it. My love for you allows me to pray to the spirit of eternal
beauty and tenderness mirrored in your eyes or to fling you
down under me on that soft belly of yours and fuck you up
behind, like a hog riding a sow, glorying in the open shame
of your upturned dress and white girlish drawers and in
the confusion of your flushed cheeks and tangled hair. It
allows me to burst into tears of pity and love at some slight
word, to tremble with love for you at the sounding of some
chord or cadence of music or to lie heads and tails with you
feeling your fingers fondling and tickling my ballocks or
stuck up in me behind and your hot lips sucking off my cock
while my head is wedged in between your fat thighs, my hands
clutching the round cushions of your bum and my tongue
licking ravenously up your rank red cunt. I have taught you
almost to swoon at the hearing of my voice singing or murmuring
to your soul the passion and sorrow and mystery of life and
at the same time have taught you to make filthy signs to me
with your lips and tongue, to provoke me by obscene touches
and noises, and even to do in my presence the most shameful
and filthy act of the body. You remember the day you pulled
up your clothes and let me lie under you looking up at you
as you did it? Then you were ashamed even to meet my eyes.
You are mine, darling, mine! I love you. All I have written above
is only a moment or two of brutal madness. The last drop
of seed has hardly been squirted up your cunt before it is over
and my true love for you, the love of my verses, the love of
my eyes for your strange luring eyes, comes blowing over my soul
like a wind of spices. My prick is still hot and stiff and quivering
from the last brutal drive it has given you when a faint hymn
is heard rising in tender pitiful worship of you from the dim cloisters
of my heart.
Nora, my faithful darling, my sweet-eyed blackguard schoolgirl,
be my whore, my mistress, as much as you like (my little frigging
mistress! my little fucking whore!) you are always my beautiful
wild flower of the hedges, my dark-blue rain-drenched flower.

JIM

 

 

James Joyce, letter to Nora Barnacle, 2 December 1909

 

 

 

mAtrix [metafysika uitgelegd aan onze goden]

 

“mAtrix” uit metafysika uitgelegd aan onze goden. werk in wording. het werk bestaat uit 2 delen van elk 2 afdelingen, elke afdeling bevat 6 teksten. “mAtrix” is de oogspil… dat de twee delen scheidt…

[opmerking: deze post is veranderd, het weerspiegelt de laatste schets; 14 maart 2018]

[wederom een update: 17 mei 2018]

* voor jij *

*  voor jij  *

 

En de bladeren van de dageraad en de stille vogels van de morgen vallen niet ’s nachts maar het sneeuwt in de verte dat het jouw naam is onmiskenbaar dwalend in de zwarte paleizen van de gedachte een plaats zoekend voor haar voet

als ik omkijk als ik schrik

Omdat ze de kruiken van huid zo merkbaar zacht breken als steden ineenstorten voor onze ogen uiteindelijk de moede val alles wat blijft van niets dat blijft en gemeen lachen vanuit onvermoede kieren en spleten honend en verlaten als ze je handen voor je ogen binden waarbij de adelaren van
de aarde en moederkoeien van de zon zich een heenkomen zoeken onder je beenderen als iedereen knielt omdat alleen jij dat zou moeten en hierom dat je het nooit deed als ze als— we geven het op
en slaan ijzers over de uren om het wachten draaglijk te maken—

En in een stille binnenplaats fluistert men tegen de ijsbloemen dat het winter wordt waar zijn de meeldraden is het hart gebleven huil je waarom o kon ik dat aanraken in je wat ik ken in je ogen geschreven door de nijvere scribenten van je dromen nachtgedachten kon ik het aanspreken of slechts zien en niet de bloemen van je verlangen schrikachtig achter gordijnen wegkruipen o kan ik kon ik dat aanraken lied waar pijn en vrede als schaduwen de wegen gaan die alleen het hart kent alleen

 

als door webbige draden en gangen

 

Het is genoeg misschien genoegt het het te willen misschien is het genoegt de O G E N B L I K

 

 

 

ill. Kees van Dongen

 

De grenzen van mijn taal zijn niet de grenzen van mijn liefde

Woordverliefd versluip ik mij

in jouw smiezen,

je wordt een glimlach die ritselt in het riet

een zieneres die mijn wereld weerbarst

verwarrend mij huidt en hardt tot ik stilschrijvend

zwijk in de vorigheid voor de orde

van de dingen achter de macht

voornaam mijn woord, mijn woord smoor ik,

en water mijn groothoofse vloot onwagelijk achter de plaats

mijn eeuwige loodse, die ik liefheb als het gezonkene