Author: Adriaan Krabbendam

Adriaan Krabbendam (Tunis, 1955) is antiquary, profound sleeper, doctor of the unknown, coachman of relations between the chtonic and the restricted human role in disasters, beachcomber laureate, firm simpleton, now and at the hour of our death, factotum of cities and landscapes, world without end

Schuilplaats

 

Compleet verzorgde doodsvacantie

Collectief bewust maakt moe

Behalve bij jou

Bij jou kan ik schuilen

 

 

HET IS ZO IETS ALS

aan de rivier staan

EN WETEN:

BUITEN  de rivier  IS NIETS

DAT ALS  de rivier  BESTAAT

 

 

 

 

 

ill. Hercules Segers (ca.1589–ca.1638), River Valley with a Waterfall

 

 

Bel Argent

 

Je zou kunnen zeggen dat ik met mijn gedachten elders was toen ik mijn haar een blauwspoeling gaf, en twee glazen rode wijn droegen niet echt bij aan mijn concentratie.
            Laat me het uitleggen.
            Ten eerste moet je dit over mij weten: ik heb maar één spiegel in huis, die bovendien vies is. Ik ben een nauwgezet schoonmaker, op het neurotische af, zou je zeggen – de wasbak is onberispelijk wit, de bronzen kranen fonkelen – maar ik denk er maar zelden aan de spiegel schoon te wrijven. Ik geloof niet dat we Freud erbij hoeven halen of een van zijn vele volgelingen om te snappen dat hier sprake is van een probleem.
            Ik begon dit verhaal met een slecht verlicht spiegelbeeld. Een van de twee peertjes in de badkamer heeft het begeven. Ik ben halverwege het avondritueel van het tandenpoetsen, tegenover voornoemde spiegel, als een aureool rond mijn hoofd mijn aandacht vangt. Terwijl tandenborstel in rechterhand nog op en neer beweegt, van links naar rechts, grijpt linkerhand naar leesbril die op de kleine tafel naast het toilet ligt. Eenmaal boven op mijn geprononceerde neus helpt hij me registreren dat ik heilige noch heilig ben maar meer een soort koningin-moeder – nou ja, een gelijkenis van de koningin-moeder uitgewreven met de bordenwisser van een schoolmeisje. Niks aureool, die blauwe anomalie is mijn vochtige haar. Een kleurstofveldslag woedt op mijn hoofd, een wijvenstrijd van vloekende partijen.
            Ik raak een nog natte lok aan om de bestendigheid van de blauwspoeling te testen, met als gevolg dat ik er een kleverige vlek tandpasta op achterlaat. Je kunt met goed fatsoen aannemen dat multitasking niet mijn sterkste kant is.
            Ik buig me over de badkuip, pak de tube Bel Argent die ik gisteren kocht. Ik lees de kleine lettertjes, ook met leesbril moet ik mijn ogen tot spleetjes knijpen. Ja, ik gebruikte tien maal de voorgeschreven hoeveelheid bij het wassen van mijn haar. Ik hou van flink wat schuim. Gebruiksaanwijzingen lezen behoort al evenmin tot mijn sterke kanten.
            Grappig. Mijn badkamertegels zijn rechthoekig met overlappende lichtblauwe tulpen, bijna dezelfde tint als mijn nieuwe haarkleur. Godzijdank is het niet hetzelfde blauw als dat van de Israelische vlag. Kun je je voorstellen? Over een ruzie tussen vloekende partijen gesproken.

 

 

Met blijdschap


Met blijdschap

 

Het is kwart over negen. Vrienden en bekenden verzamelen zich in het benauwde ontvangsthalletje. De familie is er al. Breed lachend overhandigt de ceremoniemeester ons het gastenboek. Over twintig minuten is het zover, beloofde ons de uitnodiging. Op de kop af.
        Buiten verzamelt zich de stoet. Voorop de trotse moeder, stralend. Dan volgen de naaste verwanten, enkele omstreden ooms en tantes, en ten slotte zijn vrienden en collega’s. Zijn vader wordt pas over vier jaar verwacht. ‘Volgt u ons naar het vers gedolven graf,’ bekt ons de gladde ondernemer toe. Daar wordt hij voor betaald. Maar we volgen hem, en stoten elkaar grinnikend aan.
        Rond het graf geschaard raakt iedereen in de ban van het grote ogenblik. Het is de eer aan de al wat jongere broers de spade te hanteren. Met het zweet op hun voorhoofd en onder gejuich beginnen zij te graven. Wanneer ze op iets hards stuiten, zijn we niet meer te houden. De kist! Daar komt ie!
         Maar wacht, moeder heeft een gedicht geschreven. Met verstikte stem leest ze het ons voor. We lachen beleefd om de erin verwerkte toespelingen. Na de laatste woorden klinkt applaus. De uitbundigheid wint het ruimschoots van de gêne.
         Eindelijk is het dan zover. De kist wordt naar boven getakeld en op kundige wijze opengebroken. René wrijft zich de ogen uit en klautert uit zijn ongemakkelijk verblijf. Het glas wordt geheven. Speech!

 

Met blijdschap geven wij kennis van de opgraving van René,

op de leeftijd van bijna 69 jaar.

Zijn gezondheid laat voorlopig nog te wensen over.

 

De verdrevenen

 

Over al degenen die niet ontkwamen kunnen we kort zijn. Iedereen vluchtte de bergen in. De meesten bleven steken in de bossen, struikelden, braken hun benen, vielen van de steile rotswanden, bleven verschrikt liggen in de beekbeddingen of halverwege de beboste helling, wachtend op de dood. Anderen werden verscheurd door roofzuchtige bosdieren, dodelijk gebeten door slangen, ziek gestoken door de miljarden muskieten. Degenen die erin slaagden de berghelling te nemen na eindeloze, afmattende inspanning, kwamen na twee of drie dagen om van honger en moedeloosheid, alle gevoel voor richting en eigenwaarde verloren, te meer omdat ze hun onderweg bezweken kinderen hadden moeten achterlaten.
     Aan het einde van de volgende dag besloot het leger de berghellingen in brand te zetten, en vóór de zon onderging was de beboste helling één grote fakkel droog en vuurgretig hout, waaruit de laatste kreten van achtergebleven vrouwen, mannen en kinderen opklonken in het veelstemmig koor van de in doodsnood verkerende dieren.
     Het leger achtte de actie geslaagd. Niemand was ontkomen, het dorp was gestraft voor haar verraad. Over hen kunnen en moeten we kort zijn. Over hen kan dit verhaal niet gaan.
     Maar de enkeling die wel ontkwam en de vlucht de bergen in overleefde, alle gevaren van het woud en het klimaat trotserend, die na maanden of jaren zwerven bij ons terugkeerde, hij zal ons stof tot schrijven geven, over hem kunnen onze verhalen en liederen van nu af gaan. Zijn hond herkent hem wel.

 

 

Giorgio de Chirico, Melancholie van een mooie dag, 1913

 

 

 

Guillaume de Machaut – Virelai

Virelai


W
anneer de goden met mij zijn

en ik opnieuw haar ogen zie, haar mond
voel ik geen ellende meer, geen pijn
leef ik verwilderd in het rond

Haar schoonheid en haar liefdesvlam,
dat breekbaar breken van haar lippen
breekt bij me binnen, zet me in brand:
Zo loop ik vast op duizend klippen

Wanneer zij dan haar armen spreidt,
mijn hartstocht temt in lief erbarmen,
ben ik geheel haar toegewijd,
weet niets dan mij aan haar verwarmen

God! het is goed, zonder respijt, verwijt,
dat ik haar liefheb, mij gaan laat in haar armen

***

Quant je sui mis au retour
De veoir ma dame,
Il n’est peinne ne dolour
Que j’aie, par m’ame.

Sa biauté, sa grant douçour
D’amoureuse flame,
Par souvenir, nuit et jour
M’esprent et enflame.

Et quant sa haute valour
Mon fin cuer entame,
Servir la vueil sans folour
Penser ne diffame.

Diex! c’est drois que je l’aim, sans blame,
De loial amour.

 

Guillaume de Machaut (1300-1377)

 

Ach maria

 

‘n uh monkey never had uh guilty masturbation
Captain Beefheart, Lick My Decals Off, Baby 1970


Ik ben geronseld en geranseld leerde steevast kou en haat
Moederloos en zonder vader louter lauwe leugenpraat
En ja ik had de liefste lief tot op de ergste daad
Leefde in riolen liet de smerigste baard staan in de schaduw van het spraakgebrek
Hades was mijn blinde tuin mijn hek kraters stropten mijn das
Al wat lelijk was bracht mij in de sas ik kwam nooit meer thuis
Schaamteloos ontliep ik de beulen van gezond verstand
Ik zocht de warmte van het land en brandde me aan het strontbrevet
Al zag ik soms een gat in de hand van wie doet me wat
Slurpte olie uit de goot in paradisum met elke geit en engelin
Zong van hier tot vuurland schrapend de keel der slapelozen
Met een zotskap van zuiver mensenhuid en ik zweeg

En als ik later groot ben schrijf ik mijn hoogsteigen biografie
Ik vind dan brieven die niet deugen en spijker ze
Tegen heug en meug aan de poort van hoe het hoort
En ja ook ik heb ooit in god geloofd, wee mij, zoek mij op
Verbrand en stel teleur en sleur mij voor de beul
Ik dweil uw laatste adem met plezier van uw beboterde bril
En beroep mij op zwijgplicht en jankrecht metoedeloe

Ach maria was je nog maar hier om mijn schone aars te likken
Och dwaallicht waar is de stille stad gebleven om mijn glimlach in te lijsten
Van het zwijgen in duizendvoudig woorden om zachtjes mee te moorden
In de loepzuivere plens waarheid van de zo bezongen hel

 

 

Viva Retorica

 

 

Viva Retorica

 

this is a wondrous poem fine
with no content nor heavy line

just therefore it should get an award
oh the soundtrack is so fucking smart

so present-day yet elevated
all about life and death lucidly stated

straight from the country and just so true
telling of love and the utterly wicked and woo

and in between the lines all dressed up in white
the bridesmaids the pagemen who in rhyme delight

look how in person with scorchéd breast
trips over her own rhetorical anapaest

for a final embarrassing stride
the devious devious bride

 

Winter, en het licht is promiscue

 

Winter, en het licht is promiscue
de lange armen van de aarde
ontvangen stil het residu
van sneeuw en kinderhagel
veel te traag voor een revue
voor een schedel die zich schaamt
volstaat een hoed of paraplu
neerslag en de wereld is te warm

Winter, en het plaveisel glimt
en lacht ons glansrijk uit
geen buitje dat het van ons wint
geen stug bevroren ruit
       elk dreinend, spelend kind
       is stiekem bruid en buit

 

 

Mijn jas is niet van zilverlicht

 

mijn jas is niet van zilverlicht
al het serene, sonore beneemt het zicht
je moet wel gek zijn om je te dompelen
onder in de zon, en te verschrompelen
ten overstaan van algehele uitverkoop
al loopt het volk als vee te hoop

voor de val vrijmoedig van ikarus
omwille van een veel te vuriger kus
dan van de maan, schattige schroothoop
in ommegang tweedehands vuurdoop
van goud zij ruimhartig zilver maakt
en al mijn omstrengeling lichtjes staakt

te kniezen kiezen is er niet
brand of kilte je verschiet
en het verzilverde krediet
verwarmt je hart – graniet

          dwaal of blijf alleen verdriet
          zingt het ware liefdeslied

 

 

 

I.M. Menno Wigman

 

In Conclusion

 

I know the melancholy of copy centres,
of hollow men with yellowed papers,
bespectacled mothers with new addresses,

the smell of letters, of old bank statements,
of income tax returns and tenancy agreements,
demeaning ink that says that we exist.

And I have seen new suburbs, fresh and dead,
where people do their best to seem like people,
the street a fair impression of a street.

Who are they copying? Who am I?
A father, mother, world, some DNA,
you stand there with that shining name of yours,

your head crammed full of cribbed and clever hopes
of peace, promotion, kids and piles of cash.
And I’m a dog that’s kennelled in its cantos

and howls for something new, something to say.
Light. Heaven. Love and death. Decay.
I know the melancholy of copy centres.


Menno Wigman, 1966–2018
translated by David Colmer

photo © ANP

For Max Beckmann

 

Let’s bleed in yellow and in red
take this couch for a gentle bed
and dream of songs and sounds
whispering in your eye, that counts

For all the blood that’s been shed
over all this shivering shy sonnet
touching new and ancient wounds
and woes, that stick to all that blooms

Like sweeter singing nouns
that have been fostered, fed
on your own account, and found

Loosening your cruel corselet
and precious peering rounds
praying like an anitique amulet.

 

Max Beckmann, Frau mit Mandoline in Gelb und Rot, 1950

Fabulous frowning sky

This fabulous frowning sky
peeling down her gown of milk
weeps with us for what’s forlorn

and still is visible for the ancient eye
flushed and swimming down upstream
against all odds in darker hues of blue

what the fickle fate is this swarm to us
a poem, a letter of love, a home?
all we do is sing and shedding soul

kneelin’ alone beside the fire
smell your armpits as reliable
as the swallowing hedgehog 

in the shrubs declaring the dark
as snug and better hug
than all our favourite fuck

 

 

 

 

image: Weeping Willow by Guido Utermark

Inverted crib whip

So she was another man and killed himself
loved to be a maggot stuffed with lies
of her better half his own spectre of starvation

I’ld love to be in the country
so I could for the city yearn

Slithering through sewers from drain to cesspool
she conducted all his gaping gaps to twat & slut
left her other third in the results of a smelly education

Oh to be where the city runs
shiny goblets of rustic gnomes

 

 

 

 

 

The Grammar of The Future

If density shows eyesight mirroring spongy bodies hiding in soul without no verb
one should wonder where the fingers around the vocals should leave or sieve herb

or disappear

Signing tiny whines of automatic soft design we are the melting machine gathering
in word what breath would hiss hush should bacteria tree fish tell from smothering

the varied beginning

Now no snow is hiding all burns in swim skin high towards the flame world without
end stumbling to the final whimper of an unannounced touch of brim skin and shout

 

 

 

Engelenburcht

 

leesvoer


ben een worm ik schuifel

op slaapgrage voeten
door de kluisters van je kasteel

hebt me spraakloos toegelaten
de lakens toegedaan
over mijn gefronst skelet

 

je bent de dronken engel
m’n hang naar honger heb je
weggemoffeld in alinea’s

ik ben voldoende omgelopen
lees de handdoek bij het open raam
en repeteer je naam

 

— — —

 

there’s no comfort elsewhere

 

certain words creating melodies creating harmony

 

a lot of undefinable river weed (what’s that?)

 

2,5 million clouds passing by with no car no noise

 

4 million poems concerning real meaningful content in musically wrapped metaphors with no emphasis and a lot of scattered Sap Ph O

 

dentists pronouncing terrible future happenings

 

lists in alphabetical order of books one should read before death strikes the hour

 

goddess-like ladies gossiping in line and comparing volumes and inner space

 

question marks where it should be full stops or exclamation marks or sheer exclamation

 

unreliable fishes

 

the bubbling of birth

 

poetry nothing but poetry

 

non-existing colors exterminated but saved nonetheless

 

itch in my eyes concerning nobody in particular

 

hatred of any ideology

 

at swim-two-birds

 

crime as creamy as crimson

 

every army is deemed to fail

 

there’s only this and here and now

 

space is the female body

 

striking encounters of the third kind

 

useless lists

 

sudden stone buddha’s among the weeds

 

studio clouds overhead and underneath, all on canvas or up there

 

hangmen in the dark

 

all shades of green and green like green from green as green as green can be

 

green

 

image by Max Ernst, La femme 100 têtes

 

some chickens survived, but not for long

 

watching without thinking

 

thinking without watching

 

several species of man-made creatures

 

the way the moon reappears suddenly in due time as she used to do

 

all the tired horses

 

seven dead cars and not even oldtimers

 

she came in through the bathroom window

 

examining windfall and haze

 

you try the rope and it holds

 

drink your yoghurt and stay firm

 

religion is the way of escaping reality and denying bodily facts

 

ignore this

 

level with the one you’re with

 

it’s certainly a nice running machine

 

can i have your picture naked?

 

some edifices don’t work properly, never will

 

i’m a monk and stay that way

 

nevertheless the stars, the countless stars

 

my kitchen is famous

 

if you tell me a lie, tell me a black lie, don’t tell me a white lie

 

do you like this garden?

 

stealth is a certain curtain

 

i don’t recognize this schoolyard anymore

 

and the wind cries mary

 

 

Aldus uw struikelende bruid

 

 

snorkel dichters
vent uw katjes uit
show uw kroost
en vier uw fruit

haat uw haat
en schiet uw kluit
wees te laat
wanneer de buit

van vrienden wordt verkocht
waar de noodklok luidt
eet men varens
drinkt beschuit

kucht u nog wat na
geen nood het kost geen duit
voor wie liever grienen blijft
is er immer nog wat fruit

Some notes about fertility and beginnings from swerve of shore to bend of bay as reported by Π knock i eau amongst others present:

 

1

pt th gd wtht vwls
th gd wtht n sh
t strtch tslf pn

pt th gd wth n bwls
th gd wtht n cntnt
n gts t rl pn

pt th gd wtht vwls
pt ths wh cvr p th sh
thr dpndnc klld

wtht th bndnt sh

 


2

t strtd wth th fml
t ndd wth th mpty skn
crs cnsstng f n mr thn
th htd fr lttr wrd

th pthtc gd stmblng
jst clth n clthng
wtht n flsh
t mbrc wmn

t strtd wth th
t ndd wth th dng snk
hssng wth htrd
fr thy tk hs skn

th spchlss gd s mmblng
thrgh hs slnt mgphn
hs lst hs wn nd nl lv
t th wrrrs f ht

wtht th bndnt sh

  

 

Een postolympische dip

 

Luide knal geregistreerd
een postolympische dip

 

wintervlindervrouwtjes kunnen niet vliegen
maar misschien ben ik ook wel raar hoor
geen idee
een schol is een kookplaat immers
een mislukt pretpark

verbitterd zijn ze
ze hebben geen vleugels
de man in de blauwe badjas
en fluffy huissokken
een roze veulen
de papierversnipperaar
werd haar beste vriend

de bidsprinkhaankreeft
beschikt over superzicht en
een gemene linkse
soms raakt een mannetje
tijdens de paring
zo opgetogen dat
hij even opvliegt
in de halflege Grote Zaal

het cynisme van de kersverse echtgenoot
met rauwe woorden
november is hun toptijd

 

 

de zaal van baards! – het sprakeloze in taal en typografie bij de hoorns gevat

(achter iedere god
een ithyfallisch vers staat)

visioenen van de absolute kut, solide
maar droog.

jouw stokslagen mijn duizend engelen, waarmee ik de
werelden bevecht

(meer list dan twijg in beth, dat bod, onverplaatsbaar.

 

Brandend en dreunend vernietigt sadà\exposadà de taal, in zwart en rood op wit, door erin af te dalen
Een tot mislukken gedoemd project glorieert in het snijvlak van wat de taal scheidt van het sprakeloze,
het bedrukte wit,

een prachtig procedé waarin de poging het onuitspreekbare tot spreken te dwingen prevaleert
De lust omgezet in de lust voor het oog, taal en symbool en typografie graven in het wit van de pagina naar de fecoliet van de gestolde erotiek
Een twijg wordt uiteengetrokken tot   t    w    i    j    g

 

:

Dompel je onder
in de zaal van taal waar de aars
versmelt met de b van beth


heb ik dan geen kritiek?
jawel, de – de alef – is geen os, maar de kop van een potente stier, de maangod Minotaur die dit boek met verve bespringt

 

Circus The Swarm Presents

〉 Circus The Swarm 〈
proudly presents!

Enter Mister Bullshead, all balanced potency, as Reverend Moondance!

A warm applause for Sister Homy, holding the Secret Pomegranate

Both will be

Assisted by Lady Camel, who is about to conceive with their full consent:

Boy Dalet, happily produced by the former threesome, aka Mr.Matter Hatter!

* Circus The Swarm opens its Curtains! *

With the lovely Missis Hook, on either side flanked by

Sir Sword Swallow & The Doors of Perception

Who bravely support both Trickster Knossos as well as Houdini Gatekeeper

All under the auspices of

The Fickle Finger of Fate!



*
*   *
*   *   *
*   *   *   *

 

sponsored by 
Number Nine Love Potion
Numes

Perspectives

 

Perspectives

Naturally [sic] the climate changes, and man acts a part in it. For man takes part of nature. Whether we lend a helping hand or try to reverse the change, it’s all part of it. It is haughty to think that mankind can bring this about or is able to stop it, we supply our paltry contribution to powers which in reality are totally beyond our control.
But man is good at measuring if he wishes, and dimissing scientifical conclusions is just as stupidly absurd and haughty.
One way or the other, earth is heating up, as she does from time to time. Trying to save our own skin is as brave as it is pathetic, and supplies at the same time a contribution. Those are the perspectives, in a smaller and broader sense.
Trump, who doesn’t give a damn about the matter, is a prick, and many others with him. For the sake of human dignity, or whatever you’ld call it, it is relevant to make a serious effort to call a halt to our own mismanagement. As for the rest we have no say whatsoever in the Matter.

 

Excerpt from the accounts of Chton

 

Excerpt from the accounts of Chton[i]

              – for Jac Naber


…alfway totters                                   the ant rabble                                    
[=>bespectacled]

manner of convoy equipped quenchless […] temper

digging digging

swallowed up froze in the prime mess
which we is set off to be
            we is salt current ice pulp

                                               boil fluid

in coil shrink exploding

                                   clicking

                                               puffing

gay geysering tide time
spinning in the spire span
            cosmococoon? we is cosmococooncook!                                         [-clock(?)]

[…]

half sublunary we is rainbow white
monkeys whirling
                                               newborn snow

[…]

in the lightless silence time

                                                           ever

                                   we is always ever

[…] and all is just flowing
petrifies                      encircles
to powder purple fright

our amber is billions carat
we belches from the map […] prime forest
branches waving fall down
all the woody

just keep lying there for a while
[…]

after us the ant man
after the ant man
the licking sea

[let] be licking the sea
past the escape route signposting
of dull housing ants
on our burner without personnel

                                               we stays […]
                                               we flogs […]
                                               we spits […]                                                   [fire]

here at our whimpering hearth
lava harbour till ha…

 

 

 

[i] [largely] illegible petrefact xyloscript

 

Mwanzo

Hapo mwanzo Mungu aliziumba mbingu na nchi.
Nayo nchi ilikuwa ukiwa, tena utupu,
na giza lilikuwa juu ya uso wa vilindi vya maji;
Roho ya Mungu ikatulia juu ya uso wa maji.
Mungu akasema, Iwe nuru; ikawa nuru.
Mungu akaiona nuru, ya kuwa ni njema;
Mungu akatenga nuru na giza.
Mungu akaiita nuru Mchana, na giza akaliita Usiku.
Ikawa jioni ikawa asubuhi, siku moja.

Mwanzo 1:1-5

YOUM EYOU

if you’ld be my prince     I would praise all exc
ess could it be me tha     n all songs might be i
t’s falling flying hover     and clover our charm
ing forever above you     loving the eerie depth

 

and underneath my b     urning hands spew v
owels
 the precipice w     ill embrace as  gold w
ill wait 
for your everl      oving fountain pink c
asting smi
le open up      on dearest smile over

 

ALL  OF   YOU      ALL  OF   ME  IN

Y O U M  E Y O U

 

 

 

 

Eerst ik (fragment)

   Ik voel me op Ik word vernederd door mijn gezin Ik heb nooit Ik begeleid mijn meisjes in alles Je hebt ze net zien zitten Ik ben meer dan tevreden met mijn uiterlijk en als er iets is dat ik niet begrijp dan zoek ik het op of vraag uitleg Ik voel me zo’n beetje een kwajongen Een straatmus, zeg maar Wij speelden veel buiten, klommen in de bomen in de parken Ik was in eigen land een held Maar zo wil ik niet zijn Eerst ik Ik geniet Ik wilde maagd genoeg zijn Ik speel Ik hou zielsveel van mijn lichaam en mensen mogen van mij Ik ben zo blij Ik luister voortaan Ik nam een belangrijke beslissing Ik kan alles wat ik wil, álles, als ik maar écht Er is dan ook werkelijk niets dat ik aan mijn lichaam zou willen veranderen Ik begrijp niet wat dat met mij te maken heeft Gaat mijn grote huilen ooit voorbij? Ik was ziedend van woede en ik voelde dat ze een hekel aan me begonnen te krijgen Ik als medium Ik ben een intellectueel en heb geen tijd voor al dat geleuter eromheen  Ik heb Ik kreeg de hele bui over mij heen Ik moet altijd hebben Ik heb geen tijd Ik riep ‘Nee!’, maar de laatste knal overstemde me Ik heb een probleempje Ik heb nooit een vibrator gehad Ik begreep niet wat er gezegd werd Ik keek naar het huisje Te donker, ik zag niets Ik word hier depressief van Ik was net zo’n kreng als mijn schoonmoeder Ik vond het niet prettig dat ik het zo prettig vond Ik hield van haar huid, haar borsten tegen me aan Ik hoor haar hart bonken Ik baalde er vreselijk van dat we zo ver van elkaar af zaten Ik zou dit gevoel kunnen ontvluchten Ik wilde mezelf een beetje moed indrinken Ik heb getwijfeld over België Ik voel gewoon niets meer Ik voel me een wrak Ik weet het Het is waar Ik hoop dat dit belangrijk is Ik móest proberen Ik moest weg Maar waarheen? Mijn ogen begonnen schimmen onderscheiden Er lagen stapels spiegel Ik liep op de tast voor me uit als een witte Ik had geen enkele kans Ik rende door buurten Ik sprong over een hek Ik was bang Ik vind dat heel jammer Je moet jezelf overwinnen Ik wil verrassen met mijn figuur Nu pas voel ik me herboren Voor het eerst ben ik zowel ‘IK’ als ‘ik’ Ik wilde terug naar huis Ik ben blij met mijn cursus Ik heb mijn eigen mening Ik ben iemand Ik voel de oneindigheid van de put… als een zuigende diepte… en daarom val ik voor jou Op de middelbare school was ik echt een oude ziel Ik ben een symbool tegen de krimp geworden Ik dank u wel.

Woudlied

 

Woudlied

 

 

stronkel niet

het woekert van welig en welste over de vloer
dripdrapt van druiphars en gekeept is het stammental
om schorswater vogellijm ochtval en voorvocht
(het meeste is melk)

er dwalen verdoolde stammen van boogpijl voorziene componisten
ooit achtergelaten door euvel paalplassende poelproducenten
er klijven behaaide walmzwalpers en vooral in de dalmtijd
actieve wamtasten vaak vingerend wetend van prooi

stronkel niet

de goergrot is geopend van negen tot tien en daarna
van tien tot zo verder

we zien er liaanfrisse duikers naar vlindervlammers
en de befaamde rankrijmers uit de eervoerige era et aria
ook maakt men kans op het schieten van een eenvoudige zwalmzwezerik
en een behendig geprukte nebulium elders ondenkbaar

één soort leeft niet op stokjes maar is evenwel
te bezingen tussen vijven en zessen
het betreft een onzinglijke zoenzus met blindslaande tandenrij
– in geval van glimlach – blooswekkende boezem en valdiep vagijn

en mij daar blij & belangeloos bij

stronkel niet

 

Azarunstern

Beau del Aire

Azarunstern

– Con fuerza y diminuendo al niente –

 

So huge so heavy schwere Lasten heben
Sísifo faudrait courage such a task
Though although greater vuur I ask
Ars longa flüchtig ist das Leben

Fern from famous sepulcralia
Vers um obscuro cemitério
Mijn hartentrom funéreo
Schlägt still haar dodenaria

Menig jewel sleeps bedolven
Under darkness y papaverkolven
Far, far from pikhouweel en sonde

Manche Blume exalam vol spijt
Heur scent doux comme vergetelheid
Über the deepest afgrondwonde

 

 

Grâce à Delfim Guimarães, Therese Robinson, William Aggeler, Roy Campbell, George Dillon, Marc Tiefenthal y last but not least de grote woordensmid Charles Baudelaire

 

Verschenen in Als engel, maar met roofdierogen – Je t’adore à l’égal de la voûte nocturne
Charles Baudelaire – met reflecties van hedendaagse dichters / et mises en regard de poètes contemporains
Ter gelegenheid van de 150e jaardag van het overlijden van de dichter
Uitgeverij Spleen Amsterdam 2017

 

 

 

All the wrong notes are right

All the wrong notes are right
                         Charles Ives

 

ik, die in deze bundel woon als een rat in de val
Ik, die met bossen ruis en, meisje, lach
ik, die op drek / aas
ik, die altijd dichter ben
ik, die toegeef van niets anders verstand te hebben dan van Eroos
ik die heerlijk door dees’ tijd kom zweven
Ik die schouw het lief dat danst

***

I, who live in this collection caught like a rat in the trap
I, who rustle with the woods and, girl, laugh
I, who feed on / filth
I, who am a poet always
I, who admit to know about nothing else but Eros
I who come floating with delight through these times
I who behold the dancing sweetheart

            ***

moi, qui vis dans ce recueil comme un rat dans le piège
Moi, qui bruisse avec les bois et, ma fille, ris
moi, qui me nourris de / merde
moi, qui suis toujours poète
moi, qui avoue ne connaître rien d’autre qu’Éros
moi qui viens planer superbement à travers ces temps
Moi qui contemple la chérie danser

 

Quoting lines by the following Dutch poets:

Dèr Mouw, Kloos, Lucebert, Van Ostaijen, Verwey, and Socrates by the mouth of Boutens,

though not necessarely in that order (and one of them twice).

 

T o u t e s  l e s  f a u s s e s  n o t e s  s o n t  v r a i e s

In The Year 5963

In The Year 5963

 

In the year 5963
the moon polishes her cheeks along the hills
and all from the generous soil arise the houses
the beasts the swimmers the children
shake the sand from their hair
and the houses the houses they grow and sleep
oversleep in the patient grass

In the year 5963
the houses regain wings
the women bear laundry again
for their men their sons on all sides
we save stamp upon stamp
for the clumsy walls
that shake loose from their
dull-&-dumb dreams

In the year 5963
the dunes brood on cattle
children hit the calm
in the fingers and fins of the
immeasurable day

In the year 5963
the birds walk on stilts
water and earth are free to go as they want
seldom now the black box is consulted
wherein your fiends so often hide
as we pass

In the year 5963
even the sun
sticks to the constitution
the digger unearths the manuscript
of all what is primitive, prehistorical and precipice
while the whale ponders on his brandnew paws

A once covered distance
will never be repeated
nor nowhere forgotten

And whatever they say and write
all over everywhere sings the sea

 

Over de onhandigheid

 

Over de onhandigheid

over de onhandigheid van het lichaam van paarden is nog onvoldoende gepubliceerd (hippisch)
het hoofd geheven aardbeien plukken voor teenagers (tieners)
als het mooi weer is gaan we ’s middags varen en zo niet dat hebben we afgesproken dat we daar dan contact over hebben (ze wordt 86)

kijk, moet je luisteren (wijzigen in ruik, moet je voelen)
en dan gaat het over een wandtapijt dat je niet mag aanraken (opeten)
ergens worden glasbakken geleverd als ging het om een overschot aan drankenmansgrappen (manschappen)
ik weet niet waar (betekent 2 dingen)
larmoyant zijn is de vijand van de poëzie (o)

een karavaan caravans is al eerder opgemerkt (venus always rings eightfold)
er klinken liederen van oevers en torens (de bergen ruisen)
ik ben inmiddels overleden (^—)


moraal:

achter grendel en slot
sterft men al net zo zot

 

 

Berglied

 

 

 

Berglied

 

Mijn flinterdunne flanken zijn van ons. Onze voeten
staan alom, dag en nacht huilen we. We ruisen zuiver
ruisen zilver en zoet ons huilen. Dat is het sijpelen dat je daar hoort.

Wie omkomen komen in ons om. Welgemanierd staan wij om hen heen
in goedgekapte struiken en bossen. De brandgangen leiden daarvan af of zwijgen
ons open. Ze zwijgen in elk individueel geval.
Het gonst er naar behoren. Wie in ons omkomen komen onfeilbaar om.

Vraag het de luchten, het vee. Waar wij ruisen, sijpelen, zuchten, rinkelen zij. Mijn
flinterdunne flanken zijn van ons. De brandgangen leiden daarvan af. Vraag het de wachters, de zee.
Onze voeten staan alom. Onze voeten zijn schreefletters. Ze zingen zacht. Doen er
hun zwijgen toe.

Ook het onpeilbare, het rotsvaste is van ons. Uit beweging geboren verstarren we.
IJskoud. We staan, liggen, zitten de tijd uit. Overhuiven u, overleven ruwweg.
Er zijn er, zeker, die in ons omkomen, maar ook zijn we dansvloer, stijgbeugel, wordt
er afgeleefd en gebeden.
Wat klingelt is toegevoegd. Vee, gelovigen, dat soort dingen. Wij sijpelen.

In Memoriam

There is no poetry

 

so actually
we didn’t drown him

just threw his ashy remains
out over the all absorbing sea

not knowing what else to do
except for singing a little song

which we couldn’t do properly
which we couldn’t do
which we couldn’t

not even a song
he would like

just a picture of the scene

for the singing was no good
at all

 

I.M. Nico Krabbendam
16 12 1956 – 24 12 2007

 

 

De geparfumeerde tuin

De geparfumeerde tuin  

– naar Kaikhosru Shapurji Sorabji —
                         

mama magma zwoegend zeewijf
roept om respijt in het rooibos
bladerend in de prehistorische dakgoot te blind & te geel
laatste kleur voor deze bijna-blinde

o stollende hel en kiezels wij oogsten
god’s stakkerend vuur
maar omhoog is de val omhoog
haar stervende guirlande grammatica

onder melkweg bedolven sluimert de rillende
seconde van de rubedo roeiriem m’n rossige rakker
en bevliegt al het dure het geplengde magenta –
keurmeester alarm! ostinato.

suja zalfput zomphalm zonderlingham suja zotteke zoet
ook wij in de diepten doen aan mi-li-eu
gutkut het schoone scheiden van afval in haar hof
so what want heb je dit: [ ] wel eens gezien?

aldus bezweek de puntige patriot van het heelal
maar niet vooraleer de melkweg van leesbare
spatjes te hebben bespogen takjes aan het voorsteven
van de glimmende bruid

het gespalkte al de kreupele kruimels de stijve oevers
van de jammerende jungle spuiten hun keukenmeid over de kling
niets valt er te halen alles is licht
in het schrijvende schrijvende waterding

nu nog de gekko zevert zij en weer stolt vooralsnog
een zwakkere zon tussen de eiken
de gekko levert het verschil tussen leep en leip
rilt op de rille van het smeltende grind

wie zoent mij de wereld
wie zingt mij de wereld
wie zeeft mij de wereld
poppenspel van zever en rijp

 

 

Kaikhosru Shapurji Sorabji, Le jardin parfumé 

https://www.youtube.com/watch?v=kGjgsww2Kfs

Uit de verslagen van Chton

Uit de verslagen van Chton[i]

 

 

…lverwege dribbelt                het miergespuis                                  [=>bebrild]
convooigewijs uitgerust onlesbare […] drift

graven graven

verzwolg bevroor in de soepzooi
die wij op weg is te zijn
             wij is stroomzout ijsbrij

kookvocht

in kringel krimpen ontploffen

tikkeren

puffen

geil geiseren getijdentijd
spinnen in de spanne
             kosmococon? wij is kosmococonkok!                                   [-klok(?)]

[…]

half ondermaans is wij regenboogwit
aapjes dwarrelend
                                          pasgeboren sneeuw

[…]

in de lichtloze zwijgtijd

ooit

wij is altijd ooit

[…] en alles stroomt maar
versteent                     sluit in
tot pulver purperschrik

ons amber is miljarden karaat
wij braakt van de kaart […] oerbos                                                   [het krakend]
takken vallen wuivend om
al het houtige

blijf nog maar liggen even
[…]

na ons de mierenmens
na de mierenmens
de likkende zee

[laat] likken de zee
voorbij de vluchtroutebewegwijzering
van dom huisvestende mieren
aan ons gasstel zonder personeel

wij staat […]
wij geselt […]
wij spuugt […]                                    [vuur]

daar bij ons grienende haard
lavahaven tot ha…

 

 

[i] [largely] illegible petrefact xyloscript