Author: Dirk Vekemans

Dirk es un poeta y artista plástico belga. Vive en Drieslinter, y tiene 55 años. Está ya calvo como me, delgado y bastante alto. Es un poeta muy inspirador, y organizado festivales por “la lirica libre”. Él solamente publicar poesía en Internet, no en libros de papel, no tiene una empresa editora. Está muy activo en Internet, tiene varios sitios y blogs. Además ofrece la oportunidad a otros poetas por publicar en son blogs, llama “el seguito código”.

Epigram

Hawaar gij nederzijdse kettermeester
die op de havezate van gestookte heretiekers
legt uw gore ondergrauw van ’t babels wrochtsel
hier hebt ge nog wat zomp’ hernhuttertjes,
zo moogt gij vretend  onder d’ heren
vrolijk en voos te weepstaarten komen.

Maar hou toch in uw schompermuil
de weepsche kwijl van uw gezangen
en berg uw stinkend vel in uw kombaars
want waar ons allen in uw walm gevangen
de gal en ’t zuur de mond instijgt, daar
vergiftigt  uw gezang pas echt ons ´t levenssap
en gaan wij naar de ondervoolse puf verlangen.

geschreven met behulp van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), ons aller “Nederlandsch Taalmuseum”
‘”heretieker” , evenwel, is nog nooit Nederlands geweest, maar als ‘t goed sist, mag wat niet was misschien wel effen issen…

 

dv 2011 – Asemic Burial of the Author – pencil & litho crayon on paper – A5

Lode denkt

anke veld is een 8-vlakkige net-roman waarvan de publicatietijd ruwweg (± 10 jaar) samenvalt met de vertelde tijd
Dit, zo blijkt, is een stukje uit het vlak genaamd ‘Lode’. Elk ‘vlak’ van de roman is genoemd naar het centrale personage (avatar) ervan.

“Decay is a limitropic process through which the object shrinks progressively toward zero without eventuating the act of annihilation (complete dissolution into nihil). Infinite contraction or shrinkage of the decaying entity is equal to the evaporation of the qualities or attributes by which the object is transcendentaly grasped or accessed by the human – sensed, experienced, recognized, afforded and judged. Such evaporation of access points (or transcendental portals) folds the entity back to itself. As the object flees us, it looms out in its own realm – all through the intervention and the aid of nothingness, whose proximity and remoteness are both infinite”*

Reza Negerestani, Cyclonopedia. Complicity with anonymous materials, Melbourne 2008, p.185

Lode laat de print-outs van de gedownloade bestanden van de legendarische  Dr. Hamid Parsani één voor één uit zijn handen vallen nadat hij ze gelezen heeft. De bladen dwarrelen naar de ranzige vloer en blijven daar kleven in de smurrie: omgekieperde asbakken, glasscherven, geurige mengsels van plasjes bier en kattenurine. Maar de kamer bestaat niet. Lode denkt.

het buiten is een binnen dat zich als buiten aandiende

het verloop bepaalt het verloop

de corrosie van  het reële, de fragmentatie & de fixatie tot bestanden is bijna voltrokken
de breinen zitten al grotendeels gevangen in het periodieke pulseren van de representatie van de repressieve representatie van de dingen, de recursieve representatie klotst & botst op de immer toesnellende perceptie van de dingen zelf

er vallen gaten

de lus ponst de aanloop naar de lus, de afgrond van de eindeloze regressie lonkt

geen nood: door herhaalde compressie en virale corruptie van het lees-protocol in het digitale veld en door de voortdurende interactie van het digitale rot met de trillende materie is de Overdracht geïnitieerd

de dingen rotten nu zelf, vanzelf

en zie: in het rotten spannen zich eerst nog de essentiële verbanden op, het staketsel schiet door de afkalvende omhang, de eertijdse glans en luister, het oker dat  nu wormstekig en bleek hangt te blakeren

nanobots hebben de materie tot in haar ondoorgrondelijkheid aangetast met de menselijke doodsdrift

het was niet moeilijk
het ging vanzelf

na het goddelijke is nu ook het humane dood
maar het besef is er nog niet echt
we vlokken rond de restjes medemenselijkheid als een meute vampieren rond een bewegende zak bloed
de liefde is ons uit de lippen gebarsten
het deugdzame bengelt aan het uiteinde van de spotzieke afgunst
we willen hergroeperen in de relatieve rust van onze bestanden
maar de constituerende eenheid van elke categorie raakt nu zoekt
woord, klank en beeld versmelten in een stroom code
al het aan zich gelijke, het waarneembaar begrensde,  rot weg tot het digitale amorfe

het leven herschrijft zich hier tot verval

en het verval is een verval in het vervallende

geen nood: straks mogen we er af

hoe harder de handen nijpen op het digitale zand, hoe vlugger het uit de hand loopt
de bestanden overspoelen in kabbelende golfjes de bestanden
de tijd overschrijft de tijd
de aarde kreunt en rilt

deze koorts is een blijver

de stormen zwellen aan
de woestijn rukt op
het pakijs smelt
waar blijven de violen?

het is niet om aan te zien
het heeft geen naam
het slijk ploft op het slijk
het zand glijdt in het zand
het krioelen kruipt in het verglijden

dit kan je onmogelijk verfilmen

alles zit vol en de leegte bovenop het volle is gereserveerd voor het verder aankoeken van de volledigheid

ja, we streven het na

het povere wordt aangestampt tot bodem van het riante
want we streven naar perfectie en de perfectie is de stilstand
zoals ook de koppensnellende propeller van het gevechtsvliegtuig even lijkt stil te staan voor die onzichtbaar wordt

nog één stapje achteruit, graag

de relaties ontploffen in de gezichten van de kinderen die de bewoordingen zijn van het afwezige ons in de relaties, zoals wij de bewoordingen zijn van het onbespreekbare ons van onze ouders

het eeuwige taboe op onze enige uitweg uit de verstikkende individualiteit, want het ons is niet van ons, het deint in alle lijven uit tot in het ijle buiten ons

aldus en ter instructie omplodeert het Buiten in het warme hart van het binnen

het prototype van een hele reeks buik-openrijtende plof-aliens

Kijk, zo zingen wij, terwijl onze monden
verklonteren van de ik-zucht:

dit is ons samenzijn:
ik richt en zie met mijn ogen jouw ogen
die mijn ogen zien naar jou  kijken
terwijl we in twee treinen zitten
die elk een andere richting uit razen

geen nood: de coupés zijn conform de richtlijnen

ik strek de arm en raak wat jij raakt

ik sluit de ogen en op mijn moede oogleden brandt
het licht en het licht is eender licht,
ik snuif de lichaamsgeur en de geur
is net zo mij als jij

deze geruststellende eenzaamheid waaruit het eenzame is gebannen is het bindmiddel tussen de illusoire momenten van het samenzijn, wanneer de kapitale stromen via onze handen de andere vertakkingen van de kapitale stromen opzoeken

en vinden

onze handen zitten in onze handen naar de handen te reiken
waarmee we de lippen zouden kunnen
waarmee we de huid zouden kunnen
waarmee we door de gedachten de  omwallende gedachten zouden doorbreken kunnen die ons van de gedachten verwijderd houden die

onaantastbaar blijven wij

handenwringend

onze schermen floepen aan

onze schermen maken geen verbinding, mijn bericht is geen bericht maar een momentaan zichtbaar oponthoud in het verglijden van de stilstand van het volle, een invulbare holte zoals het lege vakje in een schuifpuzzel, maar tijdelijker, vervloeiende, een zompige vortex waar je je vinger effen kan instoppen voor het slijm weer alles dichtsmeert

het is rotzooi maar het werkt

er bliept een woord op het scherm

het woord roept een verlangen op

het verlangen is  netjes  uit de geprogrammeerde respons uitgelepeld zodat enkel de lege handelingen overblijven die nog hardgecodeerd waren in het lichaam

in het lichaam zijn alle buffers van het denken door middel van heftige dataflitsen overschreden

een stroomstoot en er flitste iets, er was een geur van solfer

de handen, de armen , niets denkt er nog, alles is nu centraal gestuurd

de vertakkingen van het kapitale verlopen van de aangesloten ogen tot in de fijnste longblaasjes

je lul is een plug, je vagina een sluis, ga en vermenigvuldig u

het  woord dat het verlangen oproept blijkt een link te zijn  naar de slokdarmen van het globale mormel, de blote tentakels van het gulzige kapitaal, de vet glanzende slierten slingeren zich rond de zwellingen van je libido, het oorsuizen neemt gaandeweg toe, de porno zuigt je schermen af, je begint te transpireren als een hand tussen je hemd en je vestje glijdt

men wil je nummer zoals je overal je nummer dient te geven opdat je een nummer zou krijgen waarmee je aanvraag bevestigd kan worden

er bliept een beeld op het scherm

het beeld roept een verlangen op

het beeld blijkt een viraal geïnfecteerd bestand, men wurmt toegangspoorten door je klikgedrag, je tijdsverloop wordt dagelijks honderden malen geperforeerd door vijandige wormen, je identiteit is als object de huls van een veld opportuniteiten, je vlees is daarbij louter exces, je wordt verzocht het te retourneren bij je lokale supermarkt, het daar weg te laten rotten

hijs je botten in het paradijs (derde level)

het paradijs is het ogenblik waarop je, heel even maar, samenvalt met de strings die door het netwerk razen, de array die je bent, het datacluster dat alweer verbrijzeld wordt

er is geen keuze maar je hebt een optie:

  • open mij (ik ben je woord)
  • bewaar mij (ik ben je lichaam)
  • kopieer mij (tot ik bij je ben)
  • plak mij (in je gezichtenboek)
  • sluit mij af
  • verwijder mij
  • wordt wakker

 

ELSA

Ik drink absint aan een tafel die te groot is voor mij alleen. De barmeid is een kleine, tengere schoonheid in een roze katoenen jurk met daaronder niets dan haar huid.

Mijn gedachten zijn een natte tong omringd door kroepoek: gedwongen verenging van het aangename soort. Alles is echt: er zijn krekels, tepels schuren zacht tegen het katoen, een aanraking wil zichzelf aanraken om tot aanraking te komen, het maanlicht beklemtoont de volharding, verzwijgt de gebreken. De plaatselijke dronkaards bekijken mij argwanend, alsof ik zo dadelijk met één woord een einde ga maken aan hun jarenlange koesteren van de illusie dat zij, zij alleen, onsterfelijk aanwezig blijven in het manke scenario van hun dorp.

Waarom ik hier ben, alsof ik hier ben? Ach, elke scène is anders, maar de betekenis ervan is dezelfde. Er zijn, dáár, dát is het antwoord. Reikende vingers zijn nu eenmaal zelf onderdeel van het dwingende verlangen dat de vingers reikende maakt.

Bedachtzaam wrijf ik mij de hand over de rechter oorschelp, De stilte legt zich als satijn over de ronding van de nacht. Iedereen mompelt iets, het is vroeg dag, de honden wachten, een spier die zeurt, een been dat slaapt. Ze gaan. Ik bestel nog wat, want de maan is het met mij eens.

“Voila monsieur, s’il vous plait”. Ze heet Elsa, zegt Elsa. Ik zeg dat het goed is, en duid op de deur die nog open staat naar de nacht, de krekels, het zingen van het land in de diepe glooiing van het land, het donkere groen. Elsa lacht.

Oui, ça me plait.

 

dv 2008 – Feest van de Vrije Lyriek

halte

onder het genegen manevuur verkondigt luid de pelikaan
de bijlbek balkend met een keelzak bloed eraan
de afloop van het voze waarheidsuur:

ik klop mijn keel leeg op mijn borst
die mens is vies en smaakt naar worst

bij dauw de zwerm stijgt op
en scheert in klaterzon en roos en geel
over ‘t water van de vreetplek heen.

dv 10-02-2018 @22:15

krak

In een grot uitgehakt in de niet-aflatende zwelling van g*d’s miasme zit een naarstig wijf bot te vloeken. De wanden zijn spiegels, vermenigvuldigen de okerkleurige vlakken van de kleine ruimte eindeloos.

Je hoort haar afwisselend zuchten, tieren, met rauwe keelklanken alles en iedereen onverstaanbaar vervloeken. Bezwerend fluisteren en oorbelastend schreeuwen. Elke klankenreeks is weer in een geheel nieuwe taal. Het doet wat denken aan het vocale werk van Giacinto Scelsi: de ondoorgrondelijke liefde, ontpopt in een grot.

Op haar dijen hangt haar rok halfstok lusteloos te fladderen. De blouse die van haar steekschoudertjes golft, is van een eendere rode stof die van doorschotenheid eerder roze oogt en hier en daar zelfs het blauwig-oranje schijnsel van de voering vertoont. Gaten waarin je ook het onrustwekkende zwart van haar huid vermoedt.

Zij is bezig met het aanspannen van snaren, veel te strak op een krakend stuk gebogen bot. Het rozige materiaal kan elk moment gaan barsten of breken, dat zie je zo. In de hoek ligt er al een aardige hoop van dat spul, generfd nog met de looplijnen van het leven er kriskras in. Ze glanzen er gelig, alsof ze nog hars afgeven. Twee knoesten lijken het telkens te zijn, met de centrale spiraalvorm fel uitgebogen van de wortel weg als een stompe pijl.

Seffens komt weer die droge krak.

 

 


(nb.: het prentje is van André Franquin uit diens meesterlijke stripreeks Gaston Lagaffe, vertaald als Guust Flater. Franquin is Belgisch werelderfgoed)

la rosa enflorece

de tijd is slechts een plooi
waarin de dode zanger
in zijn zwijgen drukt de lippen
op de petalen van de roos,

het zachte niets, zijn eeuwigheid

 

 

 

 

de roos bloeit open
in de maand mei
mijn ziel verduistert
van de liefdespijn.

de nachtegalen zingen
in de liefdesstruiken
moordend is de passie:
oneindig is mijn pijn

kom, kom sneller Duif
kom sneller naar mij
kom sneller, ziel van mij:
ik sterf hier van de pijn.

thooooaaheeeEEEEedzZjud

LA ROSA ENFLORECE

La rosa enflorece
o en el mez de Mayo,
mi alma s’escurece
sufriendo del amor

Los bililicos cantan
en el arbol del amor
y la pasión me mata,
muchigua mi dolor.

màs presto ven Palomba,
màs presto ven a mi,
màs presto tu mi alma,
que yo me vo morir.

[text from a sephardic romance]

Our poetic impulse, our strongest intuition is to affirm life against any limitation, including, especially, in view of the countless historical disasters, religious reductionism of the free spirit to a transcendentally cloaked discourse of power.

Any affirmation of life precludes the affirmation of death plus the annihilation of consciousness, the improperness of any ‘after-life’, that can only be envisioned as a ghastly never-ending torment of pseudo-completion, as well as the idiocy of religious idolatry, personal god-creations, the attribution of uneasing troubles to demoniac forces etc, although one needs to be lenient on purely ‘practical’ moral grounds, however little such leniency may have to be in accordance with a truly ethical position.

I mean: however ‘ wrong’ some blokes may be, you just don’t spit people in the face for being ethically adrift. In fact, in my view, the only vantage point allowed is a rectification by exemplum, acquiring the wanderer’s weak and faulty rhytm and working it the other way, all the time keeping strictly within your own ‘legal’ field of movement.
Within the future present of the other’s life, it’s kinda like a Star Trek thing: you don’t interfere, you can show but not touch, lest you corrupt the promise inherent in what is shown with the act of breaking the promise. Sometimes the mere act of viewing disrupts the chance of wathever beauty is to be.

Unless you’re some kinda nutty saint, nobody will notice anything, don’t fool yourself, mohammed. But it’s the only ‘legal’ way and theoretically it is even possible.

Anyway, in spite of today’s fashionable ‘bleak destination’, including the ‘daring heroism’ of so many intellectuals staring Emptyness Itself in the eye (“my mirror, no I, I, no I”), any true immanent position today would require a serious reconsidering of what is too easily acquited as belonging to ‘idolatric transcendentalism’ or even plain foolish stubborness.

For immanence as such _also_ necessitates a ‘mystic’ movement within its discourse, namely there where the ambivalence of the affirmative energies is used, metaphorically speaking, as the engine of pro-creating consciousness, uncut from the worlding spirals of pre-consciousness, on ‘purely’ virtual grounds, pre-individual if you want, albeit that the pre may be wrongly held as a signifier for an absent temporal order.

The order of speech here is perhaps topological, preceding the psychic space-time divide. And pro-creation here would be a lengthening beyond the order of speech that is applied, hence the paradoxical, hence the term ‘mystic’ to describe (write down, denounce) the movement.

But of course this ‘immanent mysticism’ would de facto tune in nicely with any transcendental ‘traditional’ language/usage/method of acquiring ‘un-worldly’ knowledge. Extreme care is required in view of the strength and ruthlessness with which religious dogmatists have been able to recuperate any intellectual effort passed to us by these rare individuals and their testimonials of extreme experiences.

Furthermore, although a poetic method of investigation does not require any succes in a world that seems dead set on destroying itself anyway, regardless of any sense, common, poetic or otherwise, you might take care not to compound the already soaring insults of insanity and naïvity with any further association with the quacks and new agers of the scene, as it further succumbs into commercially orchestrated sickening whirlings of slime into slime into sour vomit.

It’s worth giving this line of thought and (daily) praxis a chance though: occasionally one does end up with a piece of strangely sharp and heavy matter able to soar right to the bottom of this global mess and make a sound that cuts through all the crap.

It is, unsurprisingly, somewhat erotic, that sound.

It goes like “thud” at its weakest or “dzjeEEUjuCK”, or sometimes even “thooooaaheeeEEEEedzZjud”.

oef. 12b

[vervolledig binnen 60 minuten 7x de zinsnede in de opgave]

opgave: “als ‘t nauwt”

    \[ \boxed{f(x)=\int_1^{\infty}\frac{1}{x^2}\,\mathrm{d}x=1} \]

 

  1. als ´t nauwt slinkt alle glorie, doft
    het gladde goud en  ’t gulle licht vervalt
    tot nijd en pek en droeve duisternis.
  2. als ’t nauwt vergrijst de film,
    de korrel krijt verbittering
    in droge ogen, het nieuwste beeld
    bekrast waar het kan met mat grijs
    het nog rollende vertoon waar afloopt
    het wulpse lijf b.v. lonkend naar
    de zanger die  in elke frame
    in scherven angst gespiegeld ligt
    te bloeden met zijn klonterige zang en ziet,
    hij rekt in de tongloze herfstmonden
    het niet te harden schreeuwen uit
    over  de ver vergane liefde, zijn ruimte is hol
    en leeg maar raak hem niet of ’t schiet onmiddellijk vol
    bruisend zuur en zerp als vuur en scherp venijn
  3. als ’t nauwt vertekent elke daad de mens tot mens
    en verengt daadwerkelijk de mens zijn wereld tot het resultaat
    van daad na daad na daad gedaan op  redeloze mensenmaat
  4. als ’t nauwt herkent men zich
    het best in wat men ’t ergste haat
  5. als ’t nauwt ziet elke mie heur ware jacob staan
  6. als ´t nauwt breekt elke mensenvogel de eigen menseneieren
    en slurpt een misselijke bibberbek ’t gewin van eerder tijden
    gulzig zonder om te zien naar ander, erger lijden
  7. als ’t nauwt verbreken woorden met hun ware zin
    de letters één per één tot niemand nog de woorden leest
    maar naakte klanken ziet, het dolle brullen
    van de tonginslikker kikkerik

zand

Er zitten wormen in het boek van zand: zandwormen – strandwormen, ongewervelde holtekakkers alleszins.

Eerst was er de vruchtbare monding, het slib en het drassige weiland, de schoffel schoffelde tot er schot in kwam en met het leem duwden de menigte handen de stad overeind en de mannen vervolgens. Zij bouwden grote huizen met verscheidene badkamers.

Toen kwam de hitte, zoals de vloed op het strand. Het stelde allemaal niet zoveel voor. Zandkastelen. De barsten barstten verder uit in steeds diepere barsten en alles – de yakuzi’s, de douches, de sauna’s,  de marmeren toiletten – alles verguisde tot ruis in het zand.

Mijn vlakke zand.

‘De vlakte betekent’, zeiden echter de geleerden, ‘want er zitten gaten in’.
En zie de geleerden wezen naar de rijen zwarte wormgaten, waarin her en der nog een bidet wegzakte.   ‘Kijk,’ beweerden zij, ‘daar spijkeren de gaten zowaar een zin in het land. Een zin!’

Wij lazen de tekens maar de tekens waren niets anders dan gangen: kruipgangen – vreetgangen – wormsporen – druipholten.

‘Voor de zon en de geest van de zon zijn het slechts wurmen’ traden ons bij nu de schepen van cultuur, ‘aardwurmen – nietig slijm en snot van de vochtige grond’. Velen van ons juichten de schepen toe met enthousiaste niesbuien. De duikboten van de oppositie speelden zakdoek leggen, niemand zeggen.

Hier, lieve kinders, zo plots al aan het eind van onze vertelling gekomen, staat het slot zich  handenwringend op slot te draaien met deze tot onbegrijpelijke verzen versleutelde woorden:

“Een beweeglijk soort korst,
als je het mij vraagt, met een mossprietje
dat wriemelt voortdurend met
twee wriemelwortels in het tijdslijk”.

 

 

 

 

aarzeling I, VII en mijn volledige autobiografie

I

tussen uiterst a en uiterst b
beweegt zich onze weg;
schroeiijzer, vlammenadem
brandt de tegenstelling weg
tussen dag en nacht.
het lichaam zegt ‘dood’,
het hart ‘berouw’
maar als het dat is, wat
is dan mijn vreugde ?

slapkens naar Vacillation I van W.B. Yeats:

I
BETWEEN extremities
Man runs his course;
A brand, or flaming breath.
Comes to destroy
All those antinomies
Of day and night;
The body calls it death,
The heart remorse.
But if these be right
What is joy?

vannacht zat ik in een camionette achterin, het was zo’n oud volkswagenbusje zoals  mijn vader er een had waar hij achterin voor mijn zus en mij een demonteerbare zetel  had gemaakt omdat het ook moest dienen om een orgel van een half ton te vervoeren maar ik kon wel niet zien wie er reed want ik had enkel oog voor de weg het was donker en we reden veel te snel alles begon te daveren en ik zag heel duidelijk dit komt niet goed stopt ne keer jong wat doet ge toch en de weg begon zich te splitsen ook in één deel kassei vanwaar het immense daveren ook want zo’n vw-busje veel vering had dat niet en we gingen sowieso veel te snel en een ander deel gewoon zandweg en ik ging voorover leunen om te helpen zien waar we naartoe moesten en toen veranderde de ruit van het busje in een raam in een kamer dat plots opengebeukt wordt door de storm buiten, het was nacht ook daar in de kamer  maar dat kon niet dat ik in die kamer was dus ik moest maar ‘s wakker worden dacht ik en we hebben gewoon schrik voor het onbekende ook en de dood stelt niks voor maar hoe kon ik wakker worden en ik greep naast mij want daar moest het nachttafeltje staan met mijn bril op en wat een gedoe toch zo’n nachtmerrie en toen ik nog dronk was het veel spannender en tenminste echt gruwelijk dit is waterkak seffens val ik nog helemaal zonder angsten ook  en wat dan en toen was ik wakker en ik zag dat het nog maar 2 uur was en toen was ik keiblij en ik wou iedereen zeggen dat er geen reden was om zoveel schrik te hebben maar ja zoiets zeg je gewoon niet è wat moeten al die mensen wel niet denken maar dat beeld in die camionette en de overgang naar het raam dat had wel iets ja en is het nu een afbraak dat nachtmerriedenken neurologisch gezien pure destructie van obstakels van haal die shit hier ‘s weg of toch ook een opbouw of een afbraak-in-opbouw en heel die shit van yeats dat klopt toch ook van geen kanten tegenstellingen wtf hoe basic dualistisch kunt ge zijn kasseien of zand dat buske reed gewoon te snel het gaat niet om de dingen maar om wat ge erdoor jaagt en hoe en wat dat is is niet iets maar gewoon wat er gebeurt enfin soit ik heb nog wat zever verkocht op facebook en ik ben terug in slaap gevallen en vlam door mijn wekker geslapen dedju holografisch als ge het werk van een dichter leest als een hologram dus dat ge alle info mee hebt zelfs al is alles danig gecomprimeerd tot een klein prutstekstje waardoor ge wel heel de beweging mee hebt en licht è gewoon het licht hoe simpel wilt ge het…

 

aarzeling IV
aarzeling V
aarzeling VI

 

 

VII

zij: zoek het echte, laat de schijn der dingen
hij: een zanger zijn en zonder woorden zingen?
zij: klagen als isajah, wat wil je meer?
hij: stom verslagen door de eenvoud van het vuur!
zij: zie het branden daarin loopt het waarheidsuur!
ij: laat het komen en zit zo niet uw zelf te zomen!

 

vrij naar Vacilation VII van W.B. Yeats

VII
- {The Soul}.  Seek out reality, leave things that seem.
- {The Heart.} What, be a singer born and lack a theme?
- {The Soul.} Isaiah's coal, what more can man desire?
- {The Heart.} Struck dumb in the simplicity of fire!
- {The Soul.} Look on that fire, salvation walks within.
- {The Heart.} What theme had Homer but original sin?

 

zusters

Enige inspiratie bewoog zijn hand;
hij wenkte naar de Heilige Maagd:

‘gij en zij, gij zijt zusters, gij ,
daar heb ik nooit aan getwijfeld, ga
maar samen daar’, zei hij , ‘ik ken
geen plaats voor gij of gij onder
het volk van deze wereld.’

waterbruid sterrenbruid
ga hand in hand en stroom
zoals een rivier door de netten
stroomt of weeg het web van
de constellaties af als een
reusachtig rozet in de ellende
van de grote kathedraal.

 

Ge zijt  gedoemd gij
om wit in het wit te verdwalen
als goddelijke golfslag in de dagelijkse
feiten, in de witte kerk of zwart in het zwart
van de donkere stal,

om te leven als bedelaars in de schaduw
van de hekkens, om vreemden te zijn
in lompen en vuil, om de golven te klieven
op jacht naar aardse geneugtes
& een nest van infecties te zijn

gloeiend in de godheid van uw ogen

om te slapen op de grond op strobalen
onder de blinkende hand van de nacht,
in berkenspelonken en tranenvalleien
of in een huis vol bittere zuchten

Weet: ge zult ballingen zijn overal.
Een  bitter  noodlot wacht u op, altijd
zult gij moeten horen: “Uit de weg, gij,

uit de weg alstublieft.”‘

 

 

fragment uit
“De Dichter” van Velimir Chlebnikov (1919/1921)
botweg uit het Engels vertaald door dv 2008

 

corvée d’ amour

 “Hier is mijn huid.  Haak maar vast, maak er een handwerkje van.
Weldra vlieg ik er toch uit en de pijn zit in het woord van een ander”.

Je spijkerde het op de stilte als een kunstig vlechtwerkje. Ik zie nog in slomo het neerkomen van de hamer.

Alsof de woorden en hun betekenissen jou vanzelfsprekend toekwamen. Alsof je een bedreven meesteres van het stroeve genieten was, een noodlottig bedroefde die slechts het sterven, de bevrediging van de drang naar bederf wil aanwijzen als de enige, ware weg naar het nirwana. Alsof er met die woorden van je iets te vertellen viel. Alsof jij überhaupt iets te vertellen had.

Maar een vingertopje van je hand, een spiertje aan je mondhoek sloeg snel uit naar het meer bekende terrein.  Het Behoefteplein waar je te handenwringen staat en luchtig te lachen van “neem mij, maar neem mij alsjeblief niet te serieus”.

De rechte ladder naar het zenit van het humane wankelt steevast tussen A en B.  De rest van het alfabet is niet aan de orde, het zenit zie je enkel steil omhoog.
De waarheid glipt er ergens tussenin, ze kronkelt als een druppel de snelste weg af. De waarheid is een gladde slang die glijden wil, de diepe vijver in. Het ongeziene van de waarheid is haar habitat.

Het is de lust die het overal donderen doet, het licht van de woorden dat kenden we al. De duiven zitten op dit uur stijf van de angst naar de ledlampen te turen. Het raam zet ik maar open best, zodat de onweerswind onze verschaalde kamerlucht kan komen opsnuiven. De nacht raamkoost.

Aha, ze lacht.

Ja, schat, we hebben een heden. het is gelukt!
Wacht lang genoeg, zo stond het in je hart gegrift, dat altijd voor het grijpen lag.
Maar dit heden is echt! Het staat en spant en zingt. Zo had je het vast niet gedacht.

Kom, wonderlijke dame, tijd hebben we nooit genoeg, prik je strenge oog met je tranenmoraal dus ploef aan die cactus op de vensterbank, hang je muffe ondergoed over de flitsende schermen, ik zal je vlug bij die befaamde ander van je sissend op de lippen zetten. Letter per letter tot je met de letters samenvalt. Het verhaal zal ik als stroop uit je glazige adem persen, de personages die we waren uit de plooien duwen van de lege vlakte die we ondertussen in de leegte maakten.

Ik weet het, je wil nog een bootje zijn, zwalpend op het natte vlak van je wensdromen, maar ik duw je af tot in het niets van de volledige tegenspraak.

 

Ze neemt haar lach terug, legt het als een leeg schelpje bij haar woord.

Inderdaad, je weigerde zelfs dat. “Neen: jouw huid is een haak en van die vissen in je aders vliegt er niet één”.

Ik hou het de duisternis voor als een vaandel van marmer.

 

woestenij

(verhaspelingen van het Verzameld Dichtwerk van Karel van de Woestijne)

sol

la ::  al
hier mijn muze, zo

si ::  is
het   –   ik heb haar door uw lijf gehaald

do :: od
eur  –   ze geurt nog naar uw grauwte

re :: er
rest nog stof van sterren

 

la :: al
les af en uit

sol :: los

Ω

      solasidorelasol - dv
⇐ vorige woestenij

 

(och nee, hou maar)

 

(verhaspelingen van het Verzameld Dichtwerk van Karel van de Woestijne)

 

 

de tover gaat in verte over,
het zicht nabij veredelt
niet het uitgedeelde leed
en weg bijna lijkt al het edele.

het edele verhardt en star
in plooien valt de spot:
ik post mijn pose tot de ziener
die daarbij geen oogwenk stopt.

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

 

Tuin

Zal ik een tuin bouwen in jouw vorm?  Fuck Versailles, dit trekt gegarandeerd een veelvoud aan  toeristentristesse. Wereldvermaard wordt vast de met taai onkruid omringde waterput waarin zinken de radeloze zuchten omtrent het verdwijnen van het fijne in je gelaat, het oprukken van de splijtende kopzorgen, de nijd die woekert als geel bloeiende braam rond je hoofd.

Ik modelleer de put van je hoofd uit het geheugen, ik zie hem nog zo voor me: dat gapende gat waarin de kat viel die je teder placht te strelen en die daar jankend verzoop toen je mij de ogen toewierp. Wee die dag, toen ik mij in  het onvermijdelijke ontluiken van die klepperende diepten met hun ijswind naar nergens weerloos gespiegeld zag, mijn beeltenis herleid tot de frêle letter die ik altijd al in jouw boeken was.

Zie daar de tanige heesters van je stekelige armen, voel de doornen in de zwiepende rozenstruiken onder je oksels, waarin mijn laatste greintje trots in een kwinkelend kringetje opkrult en zich met een finaal opwippertje bij het herfstige bos van mijn falen schaart.

Rond het atrium waarin doorzichtige haagjes de eertijdse finesse van je legendarische schouderbladen oproepen, metsel ik een zestienzuilig peristilium, waarvan elke zuil een versteende metamorfose van mijn wezen gevangen houdt, een snapshot van de puist van mijn ego op de in het doolhof van de Onmin vertakkende lijdensweg die wij allen delen. Hoedt je immers, mijn liefste,  voor de illusie enkel tuin te moeten zijn in dit verhaal.

Daar sta ik zestien maal, met een stuk glanzend zwart marmer dwars door de bleke onderbuik telkens, een verzakking uitgevoerd in vlekkerig albast waarlangs fijntjes de suggestie van een etterig bloedstraaltje loopt. Meesterlijk.

Op het dak wachten de gieren. Straks, als de bezoekuren afgelopen zijn en het geloop als dwaas en oppervlakkig uit de rijkdom der bewegingen in het geheel van het rotten verdwijnt, straks krijgen zij hun dagelijkse galgenmaal: het ik-vlees dat jouw vertuinde geest ophoest uit de diepte van de darmen. Het floept uit de put die je kop is.

Ongehoord, ongezien lig ik in het late zonlicht gillend te lillen wijl de eerste gier zijn bek zet in een uitstulping aan het vormeloze spuwsel.
Daar heb je de tweede al, de derde, …

de gebelgde zanik zeurt om zijn verslapte veer

ingewikkeld was de veer weerbarstig een verschrikking
als een sneer streepwaarts zij stoof in het vrije nee:

geerte blake schave kele
infra basem brok geboren
weke bleekheid van heur handen
draag gezaag verlaagt de dag

zie hem staan nu zeurend in het zerpe van zijn ziel

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

het lichaam jij

het lichaam jij waarin ik plant
mijn geheime nijd tot bot
en bleke dood

het lichaam jij dat ik aansteek
met de woeker van genot
dat doorwoekert

het lichaam jij dat rouwt en kermt
en snikt maar in zich vrede
spaart nog van mij

het lichaam jij dat droomt en hoopt
nog terwijl ik moord en mij
eindigen wil

het lichaam jij waarin ik woest
en heersende staan blijven
kan, nimmer vrij

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

modderbad

modder waar gij rollen moet
terwijl de vloek uw vlokken overdoet
ontzag staat u in d’ ogen wit
dat gij nog in uw badje zit.

grommel niet geraamte in getelde taal
ik spoel u terug tot kind in het verhaal
berouw, vergeef uzelf nu aan uw ziel
en geef het woord dan aan uw vrouw.

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

woestijn

ik schuifel en hij loert.

zijn kijken schilt, hij boert.
hoe ook ik mijn knieën
schik, hoe ook ik mijn kleed
vertrek: zijn stompe brein
doorbreekt de korst. hij kookt
in eigen grijpersschijn.

vlaanderen de leeuw.
ik leer nu snel de plaats
te mijden waar boeken
staan uit die woestijn.

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

broeiing

fistels bloeien open in de holte van een groei
vingertoppen reiken tastend naar het rot
spijskaart splasht in ‘t schuivend schimmelbed
o kleursurprise barstend uit een tandabces!

jouw schaamtehaar mij zingt m e s o p o t a m i ë
mijn woelen wroet zich naar de bron
uitdagend kan een stramme wachter dreigen
dra ik trommel op jouw huid van binnenuit

het grauw verkondigt liefde als geloof
ik duw de letters IK nog dieper door
jouw kermen vindt in mijn genot gehoor
vrij van vorst geklater braakt wat later

mijn schokken scheur van schokken in jou uit

 

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

 

 Z I E Z O D E

Z I E Z O O
Z O Z O
Z O  Z O
Z O Z O
Z I E Z O Z O

Z I E Z O Z O
Z O Z O O
Z I E Z O O
Z I E Z O Z O
Z O Z O
Z O O

Z O Z O  Z O Z O Z I E
Z I E  Z O Z O Z I E
Z O  Z O
Z O Z O
Z I E Z O Z O O

Z I E Z I E Z O
Z I E Z O Z I E
Z O Z I E
Z O Z I E
Z O Z O Z I E

Z I E Z I E Z I E
Z O Z O
Z O Z O
Z O Z O O !
Z O   Z I E   Z O O

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

 

BOEHOE

bommerdebom de kopernagels oprakelende kaproenen
bereiden nog het knalpoeder in oude pokalen.
de reine blonde maagden met ijskoude breinaalden

verjagen de hitsige luipaarden en pok met de kispan
fok op de kop plokt de muze de baldadige dichters
van doem en de doldomme mode van doftig  gedoe.

ha mannen bedaren pas die zich ter vrouw beraden? ie.
tot regen plenst juni plassen de aftellende tafeleenden
weg in alg en kwijlvijvers de glansloze weken. lengte is.

tussen krammen ijzerdraden elastiekjes zakdoeken
snoeprollen kasticketjes suikerklontjes oortjes keelpastilles
– ’t is inderdaad maar een handtast – kraakt en vermorzelt

uw schamele zucht, breekt u haar heldere puurte daarmede
tot uw mistroostige taal van gebaren en steekvingers af.

 

 

klaarte

het teweeggebrachte weegt, het gedane
keert een zwerm gedachten uit,
rondt de stilte af naar eenzaamheid.

de zon rust uit de maan met net
voldoende licht om koelte, muur
en bladomruiste roos buiten

de wens mens te
laten, pure waan.

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

 

 

facebookster

ik ben een sterk gelaat
dat alle guurte tegen gaat
ik overschrijf haast dagelijks mijn woord
in antwoord op de nieuwe vragen

mijn dreigement is slappe koord
een zee die nadert, om te wijken:
ik sta constant in eigen zeik te zeiken

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

vergooit uw GELD en koopt LYRIEK!

woestenij

onschuld

blijf: geheel van jou blijf ik.
jouw vlindervleugelspeld
doorboort mijn lijf, de bitterte

verettert. jij zwijgt
maar gapend gooit jouw zwart mijn varen
in kolken en klippen.

jouw bleke tover brak de nar
jouw oker bleek vol schaamte rood.

jij bergt de vlakte van jouw dood.

onschuld vliedt daders
die de tijd geen daden bood.

 

volgende woestenij ⇒

 

 

geld maakt ziek, geneest en  koopt LYRIEK

terloops

(pour a.c., l’ isle en elle)

in de druipende gewaden
rond een lijf vol angst beoogt de mond
het zwijgen, trekt het doek
inwaarts
naar een kom.

de trechter voor het drijfnat
bespoedigt de verstikking, lokt
de wanhoopstong likkebaardend

uit de kokhalzende keel:
draden raakt vergeefs de tip, weefsel
van de woeste warrel
om jou heen

onvervaard, gehuld in lila kraag,
gebrandmerkt met een bisschopssteen
betast mijn hand

de stille stand van streling
bevrijdt de tijd met een terloops
gebaar.

HYMNE AVE MARIA STELLA

dada kaka pipi ump ump
dv2018 – “dada kaka pipi ump ump” – 18jaarsche tekening met evident upside-downieke influenza

wees geribde
zeester wijdbeens bankend
op een afgeplakte hemelstraat,
gij vuile opgedoefte
stortravijn

gij rochelt vla
vanachter uw glabella
gij zeikt uw zuur met stralen
gaten bijtend in de leegte
van ons zijn

qui pro nobis
nata hoeveel taka taka
kost wel niet uw schoon
beschubde pellevel, gij
angeliek verbrodde maagd?

gij spartelwijf, gij
plakteef, zieke zilverzeug
met stugge sprieten,
het godenvlees  gepekeld
in uw kwabberbuik:

merci dat gij voor mij
tot hier gekomen zijt.

Het Akkerlied

(een strijdlied van de Vrije Lyriek uit ‘Het Pad van de Wenende Nacht’, een Klebnikovprogramma, 2008-heden)

Gij zijt een akker gij, grond van lang vergeten tijden.
Uw kluit is traan en klei om ’t hedendaagse lijden.
Het onkruid schiet gewillig in uw verse keren op.
Wormen vreten wormen, aarde moet verteren.

En al de schoonheid bloeit uit diepe lijnen op
En heel het leven zingt uw brekenspijnen mee

De stad gebetonneerd vergammeld vol van holte
en toen kwam u met riek en zang en stank voorbij.
Het oude rot van schaamte zonk in ’t nieuwerwetse niet:
wat gij verzon verdoet men zonder scha en schande niet.

En al de wijsheid breekt uw gulle lachen open
En alle woede komt weer onomkeerbaar boven

Nu graait ’t gesjacher weer haar mollenpoten in ons om.
Dan wil de nijd haar pleeggewaad op ons verspreiden.
Nu poogt men u met krans te fatsoeneren tot een pop.
Dan wil de Hertog weer uw wilde krachten in zijn span.

En walg zal elk gebod naar de gebieder om doen keren
En verlangen bergt in ’t leven teder lust en leven op

 

 

 

dv 2018 – rizoom

 

licht

dv 2008 – potloodtekening – A5

Licht

Ik stapel wat er rest aan licht in lagen mist
zodat ik je vannacht met inzicht kan bestoken:
hier, hier en daar heb jij je toch van droom vergist.

Jouw lichaam welt mij dan dik onder de oogleden
tot het van verlangen niet meer kan.  Spijt, zoals bij:
de kleren van de keizer vermorzelen de naakte man.

 

4 voor iderden

vier gedichten bij een schilderij van Ilse Derden

 

Natte maan

In plassen zwart, verregend op het asfalt
zie ik het karige fonkelen. Het droeve glimmen
van het stille dat bewegen wil. Zwijgen zuigt
het zwijgen uit het zwijgen, vingers leggen

vingers op de snee en wrijven het bloed
uit in het wit van de wonde. Kaal huivert
een boom zich de bladeren af, duister
kust een mond het zwart in je oog. De leegte

mirakelt: tranen bergen tranen glanzend en
traag in de gaten. Zie. Het in. De diepe glans.
Het ganse deel. Waar je rafelkleed in oker
afklopt mijn verlangen. Waar het om je rokt.

 

Huiveringen

De maan omvat gestreng de categoriek
te fel verlichte bomen. Stroom alom.
Geflikker. Jij als licht daarin. De bladeren
vluchten in geritsel naar hun ongedierte.

Het af slaat op. Ik ben er weer. Snel.
Zwart teken je het maanlicht open. Ik.
Net op tijd om te laat te komen, om
op mijn adem tijd en adem te verdoen.

Later. Hier. Tijd verstrengelt alles in geratel.
Gebulder breekt de geborgen ochtend.
De vroege zon ontlokt damp aan de nacht,
stank van lijken. Kust de nacht als een kamp.

 

 

Vloed

Het schrapen kriebelt in de keelwand.
Het schrapen vlokt aan tot een vette kraai.
Aan prikkeldraad de stem bloedt open,
licht het rotte op, verlucht. De stem is.

Het staande heeft het weer van ons gewonnen. Ik
eindig in een punt, nietig, in een puntig ik. Einde.
De stem heeft alle woorden in de klank vergooid.
Het staande heeft het weer van ons gewonnen. Ik.

Sorry hoor, uw water komt niet ons aan de lippen.
Uw weelde raakt niet ons de stramme tong. Stof ja:
kunstroet. Uw verhalen verschralen tot kanteling.
Het heeft het gewonnen. Wij lossen op in vloed.

 

het schilderij van Ilse Derden

 

 

Hadith van de maan

wij zijn verzwolgen al maar golven golven na
wij waren golvend licht ooit in de volle dagen
wij waren golven wij van wijde werelden weerga
en van diepe harmonieën  uitdeinende galm

wij waren golven wij, winnaars in de kunst van falen
wij waren golven wij, hoeders van de aardse mal
wij waren golven wij, makers van het ene in het al
wij waren golven wij, met de eenvoud van het ware

wij zijn verzwolgen nu maar golven ons nog uit
wij spoelen nog de liefde af die in ons niet wou komen
wij zetten weer de wanhoop aan die niemand overwon
wij zijn verzwolgen ja maar in de golven golven wij

 

tralieliedje

 

alles
is
weg

 is zo tragisch alles
is weg traag is de weg
is alles is tragisch tragisch
alles  liep de weg traag is
alles de liedjes tralies tralalalies
de wegweg de tragisch de weg
die de vraag is

de maag is de tragisch de lied
is de weg weg is tragisch de man
is de mand is de heg is de weg

is zo tragisch is de way is
het hoge het wegen is de kar
op de wegen de tragisch

de man is de maan is de vraag
is alles zo tragisch zo alles is
de is de is de einder de is

alles de tragisch de weg
de is de alles de man is de

is de de
is de
de
de
de de de

weg
is
alles

[bws_pdfprint display=”pdf”]

 

 

uit HEMELNETLYRIEK 1.0