Tag: poëzie

ik wacht tot held’re vissen zingen

 

ik wacht tot held’re vissen zingen

tot namiddags weifellicht vergeten

doet dat schimmen zijn de mensen

& ijl verdwijnend in wraakzuchtige

      & voortvluchtige raamkozijnen

 

van de middag tot de avond is

je stem niet meer dan doorzichtig

vlammenspel vloeibaar katoen

      & schijnwerpersfatsoen

 

ik denk dat held’re vissen zingen

& zo aan de even einder jij

verdwijnt in glazen uitstulpsels

van een in dit licht vergeten

      & voortvluchtig schimmenspel

 

 

(1982)

 

 

 

 

ill. Odilon Redon, Geboorte van Venus

 

 

 

 

Spiegelliefde

Spiegelliefde

 

In schemerwater zoekt zichzelf
hoe vreemd het was en is
in het weif’lend plasgewelf
de vrouw betekenis

Haar beeltenis danst en kleurt
valt samen met het hemelbeeld
en de avond kust en geurt
terwijl zij hem droom’rig streelt

Hij wist het niet, lag mak
te twijfelen aan de droom
die hem bezocht – zijn schroom

Tot door het dansend waterdak
haar speurend oog doorblonk
en alles in een kus verdronk

 

 

 

 

 

ill. Odilon Redon, Spiegeling

 

 

 

 

 

 

 

 

Waarschuwing voor kinderen

Waarschuwing voor kinderen

 

Kinderen, mocht je denken
aan de grootsheid, vreemdheid, veelheid,
schittering van de zeldzaam unieke
grenzeloze wereld die je zegt
te bewonen, stel het je dan zo voor:
Brokken leisteen rond bespikkeld
rood en groen, rond getaande
gele netten, rond wit-met-zwarte
velden dominostenen, waar
het keurig bruine pakpapier
je verleidt het lint los te knopen.
In het pakje een klein eiland,
op het eiland een enorme boom,
aan de boom een gigantische vrucht.
Pel de vrucht, ontdoe haar van de schil:
binnen in de pit zul je ontdekken:
brokken leisteen omgeven door bespikkeld
rood en groen, ingesloten door getaande
gele netten, gevangen in wit-met-zwarte
velden dominostenen, waarrond
hetzelfde keurig bruine pakpapier –
Kinders, laat het lint met rust!
Want wie waagt het pakje te ontsluiten
zal er zelf zomaar in verdwijnen,
op het eiland, in de vrucht,
brokken leisteen rond z’n kop,
merken hoe hij is ingesloten door
gespikkeld groen en rood, door getaande
gele netten, en door zwart-met-witte
velden dominostenen, met
hetzelfde bruine pakje
immer ongeopend op z’n schoot.
En, mocht hij dan denken
aan de schittering, veelheid, vreemdheid,
grootsheid van de grenzeloze, unieke,
zeldzame wereld die hij nog altijd meent
te bewonen – dan trekt hij aan het lint.

 

naar Robert Graves, Warning to Children

 

 

 

 

 

ill. Jozet Berkhout, Golfbrekers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Heugenis

heugenis

 

in eindeloze rijen, dicht opeen

en in verwondering te staan:

                        we zijn alleen,

de heuvels zijn van steen.

 

en hard en onvermijdelijk

de duizend ogen, paar bij paar

waarin een oud licht hangt gewogen:

                                   dit is gevaar.

 

het schaduwspel herhaalt zich, bleek

en tastbaar, totdat het in de verte

                                               sterft

en in de harde steen is ingekerfd.

 

als dit een moeras is, in de mist

als hier herinnering gist, waarheen

                        wijst de grashalm,

streng en in zichzelve opgericht?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ill. Jonas Ginter, Grashalm vs. Asphalt 

 

 

 

 

 

 

Mijn negen wil altijd neuken met een 6

Mijn negen wil altijd neuken met een 6

 

      Nummer 36

Een wolk is het

Een wolk is het, voortdurend
zich wijzigend van standpunt en vorm. Vooruit.

Wat het is, is onduidelijk, wij
horen daarbij,

het onduidelijke. Niets
is bestemd.

Voor alle zekerheid, wij,
dat zijn de mensen.

Grootgebracht in de natuur
brengen wij de natuur groot, geven
melk zoals we uitmelken.

Groot is een groot woord met weinig letters,
in een quizprogramma zou ik zeggen
wie kent er een klein woord voor hetzelfde,

mag met veel letters. Muggenziften
is een goede tweede. Spilziekte. Economie.

Maar we zitten met die wolk. We leven
ervan, damp.

Ze daalt op ons neer, de ijle nimf.
En almaar zingt de misthoorn:

‘Fout, je doet het goed!’

 

 

 

 

 

 

 

 

ill. T.A.W.  Schreurs

 

 

 

 

 

 

Hoe schrijf ik een erotisch gedicht (les 1)

 

Hoe schrijf ik een erotisch gedicht (les 1)

 

Sluit gordijnen, adoreer, maar handjes thuis!
Bedenk het verre wonder dat begeerte streelt;
mijd omarmend rijm, het is er zelden pluis;
sterf van begeerte, droom slechts wat er scheelt.

Noem niets of niemand, geen beestje bij de naam,
blijf dwalen in de droomgestalten van uw bloed,
spreek uzelve aan: ‘waarvoor ik mij ten diepste schaam’
– kom nooit tot daden, keur slechts instincten goed.

Teken, schrijf, verbeeld, maar houd u verre van het lijf
(eens mocht u treffen raak en krachtig waar het schroeit),
leef als een monnik, sterf zonder ander, vent of wijf.

Schroom voor de daad, mijd de straat, waarheid zij verfoeid;
vloei vocht in eenzaamheid, stroom uit, en vloek u stijf
– alleen dán verkeert u stillekes waar liefde bloeit.

 

*

O, Schuimgeborene, u roep ik hartstocht’lijk aan,
leer mij ’t verlangen ijv’rig warm te houden
en in mijn oog het klaar ontuchtig beeld ontstaan
van heur verbluffend geurig diepste wouden.

U kent mijn leed, u weet hoe ’t ons is vergaan:
alleen ons smachten telt, waarvan u liefde brouwde,
en ’k sterf bij ’t horen van haar faam, hier ver vandaan,
tot ik bijkans van wijn en geil bezwijmen zoude.

Van Poseidon’s zilte mede wreed verdreven,
elk op ons eiland, gescheiden door uw schuim
– alleen de geur al doet van hartstocht beven!

Ver van ons, in hope, is der minnaars zoete luim –
een godswonder, een gunst dat we nog in ruste leven!
Slechts beeld en stem vervangt ons droef verzuim…

 

*

O droom van lippen, glimlach, ving’ren in de lucht,
ze zwenken, vliegen, ijlen boven buik en oog,
schilderen het beeld, het levend lijf, haar vrucht,
dat mij verzengt en grijpt in wond’re regenboog.

Ik wenste mij, ik tastte, zocht, maar ’t visioen verdween
en met mij smolt en stond weer op het helder weten:
te ver was ik van hare realiteit, alleen, ik was alleen –
maar evenzeer volhardde het vuur, het willig zweten.

Nu leg mij neer, zoals ik haar zou doen, de vlam, het is
alsof er nóg een wereld mag bestaan, van liefde rijk & blind,
waar alles trilt en zindert, brandt van louter lafenis.

Vreugde vergt verbeeldingskracht, de leugen welgezind:
schiep in lichtzinnig wensen haast tastbare geschiedenis –
in die dwaze duizeling ben ik weer het blij verdorven kind.

 

 

 

– voor M.M. & de Eijlders Dichtersbent

 

 

ill. Felix Edouard Vallotton

 

 

 

 

 

Adwaita’s Zonnebrief

 

 

Als ’k aan een brief van wie ik liefheb, smul,
verleng door kleine hapjes ik ’t onthaal:
mijn ogen likken zuinig iedre haal,
iedre misplaatste punt op, iedre krul;

met een gedachte aan mij, een glimlach, vul
ik ’t wit tussen twee letters, en ’k vertaal
een inktkladje als een half beschaamd signaal,
dat – als de pen – het hart vol was en gul.

Zo lees ’k, als voor een hele nacht de zon
verreist, aandachtig langs de horizon
zijn afscheidsgroet in gouden hiëroglief;

en ’k voel verwaarloosd me en teleurgesteld,
als ’k niet, letter na letter, heb gespeld,
voordat ’k naar bed toe ga, een zonnebrief.

 

 

J.A. dèr Mouw (1863-1919)

 

 

 

 

ill. Jet Nijkamp

 

 

 

 

 

 

O is een bloem

Een bloem is een O

 

Lieve ladder naar het lijden
open wachtpost roemerkelk
oven vol met moedermelk
laaf uw zuchten aan bevrijden

Bloem der passie wacht op elk
zacht en zeemzoet uw verblijden
zo omhelst u ons verscheiden
botert openmonds, & verwelk

 

 

 

Wadi 2007

Wadi

Zacht is uw kruin en gij hebt net gegeten
onder den vijgenboom, uw lieveling.
O vrouwenschoot, gij zijt het diepste ding:
breuklijn te zijn, adem en dood, alles te weten.

Maar zie, in u ook stormt de wellust op
tot hevig branden, niets dooft uw pit:
uw vuur is water, verstijft mijn lid,
het dwaas gepluk in u voert mij ten top.

Ach, smaak het zoenen van uw lief vagijn,
het heerlijk geuren waarin wij liefde baren,
geniet het zilt geheim, dat wij bevaren,
dwaal door de rimboe, waar uw lippen zijn.

 

 

Im alten Ton

Pastorale

 

Melkwit zeezwart zingt de zuiv’re nacht
aan alle kruiken het lipbesluipen zacht
adagio & adamant de slikkende adem
ibis der dodenwacht – och stil omvadem –
komt aangedropen d’onmachte minnekracht
en schouders’ onverwachte zinnepracht

Maar wier queest’ meanderspeurend
over branding schuimrijkgeurend
laat na haar beoogde boezemfrons
het duister harer ogen elk van onz’
uithuizigheid en spraakloos dralen
ypsilon & yuccamot zwijmend dwalen:
stoor geen der ruime feromonenzalen
eer u wekt een jammer bloesemfalen
na alles wat zich lijmen, rijmen dacht

 

 

 

 

ill. Edvard Munch, Zomernacht aan zee

 

 

 

 

Aan het ven

 

Aan het ven

 

Lethe in haar vuistje
lacht om al wat wegdrijft met de wind
Afrodite steelt het kruisje

geeft haar minnaars wat hen zint
Mnemosune, lieflijk huisje
waarin ik rondloop als een kind

Water duister
waarin ik niets hervind
Waterluister
waar jij mij stil bemint
Water, fluister
geef mij je blije hint…

 

 

 

uit: De beeldspraak van de Tarot, een speurtocht in het onmogelijke, Altamira-Becht, Haarlem 2003

ill. “De Ster”, obscuur tarotspel, met letter Ajin i.p.v. Peh

 

 

 

Leda revisited

Hoog bezoek

 

Och, de schoonheid van zo’n meisje
praat me er niet van. Neem Leda,
wie evenaart haar duistere schoot
dan zijzelf, der waat’ren dood?

Ik zong een ander, aardser wijsje
bevlogen en bevleugeld, hopla!
bedronk mij, valse parakleet
aan hals en snavel, verenkleed

Zij huivert voor de overmacht
maar ware lust kan niet bederven –
ons smachten maakt haar boterzacht

Zelf wist zo zwaanlief haar te werven
en mét haar al zijn zilv’ren pracht
in gouden licht god’lijk doen sterven

 

 

 

bijdrage aan Als ik jou eenmaal verlies – Gedichten van Rainer Maria Rilke met reflecties van hedendaagse dichters, Stichting Spleen Amsterdam 2018

ill. Erich Stephani (1879 – 1956)

 

 

Samenvatting

Samenvatting

 

In de onverhoopte vrede
stamelt het gevierd verleden
snikt de blootheid van je weelde
blozen al mijn ijv’re leden

In je grote bruine ogen
drijft mijn tere onvermogen
& het smelten van je lippen
heeft mijn hart woest meegezogen

In het zuiver goud
dat ons wellust kust
zwerft het lieve oud
slaapt in diepe rust

       & al het zout
       wordt nooit geblust

 

 

 

 

ill. Auguste Rodin, L’éternelle idole

A deux genoux devant ton beau corps que j’étreins.
Élève de Rodin, Camille Claudel en fut aussi l’amante:
on dit que le groupe sculpté L’éternelle idole fut inspiré
de leur relation pour le moins complexe,
qui inspira des lettres passionnées à Rodin. 

 

 

 

A & O

De gave

 

Alsof Artemis het wist;
in een oogwenk was ’t beslist:
we zijn elkaars geschenk,
de kus blijft onbetwist.

Op de vleugels van haar wenk
wiegen in een wolkenslenk;
Ze heeft zich niet vergist –
we zijn een godsgeschenk.

 

 

ill. William Blake, frontispiece The Marriage of Heaven and Hell 

 

 

 

 

 

 

In illo tempore…

 

In illo tempore

 

zo’n huid van wolken schuift uiteen
de lippen wijken van de nacht
daar sterft er veel en hees geween
van ochtendroze blozenspracht

ooit oase ronde mond brengt vruchten
voort, die jaren hierop wachtten
sterren zuipen kinderen zuchten
in verten loensen ogen bruin, de zachte

vlijgebed van zwijgend ambrozijn
zinge-zang der leden vrijlijk alle
druipend van de wijze wilde wijn
o wrede weelde van het smalle
       wenkbrauw van de blote avondschijn
       waarvan de schellen lieflijk vallen

 

 

 

 

ill. Max Ernst, 1923

 

 

 

 

Uiteindelijk…

 

Uiteindelijk maken leugens mij niet meer bang
Er is de maan als een spiegelei in een pan
Een ketting van waterdruppels zal de hals van het verdronken meisje sieren
Hier is mijn boeketje passiebloemen
Die teder twee doornenkronen aanbieden
De straten zijn nat van de regen van vroeger
Toegewijde engelen werken voor mij in huis
De maan en de droefenis zullen verdwijnen
Heel de heilige dag lang
Heel de heilige dag lang heb ik gezongen onder het lopen
Een vrouw hing uit het raam en keek mij lange tijd na
Terwijl ik zingend in de verte verdween

 


Guillaume Apollinaire 1913

 

 

vertaald door © Kiki Coumans 2017
in: Het raam gaat open als een sinaasappel, Uitgeverij Vleugels 2017

 

 

 

ill. Paul Delvaux 1955

 

 

 

 

 

 

Hawinkels: De tuin der lusten (fragment)

        Van zéér hoge adel, licht & delicaat
Als de verheven wijze waarop het witte,
Bedwelmend ruikende kroonblad van jasmijn
Geliëerd is aan het groene, ingetogen
Kelkblad – een hommel is genoeg, om met
Een onbehouwen douw van zijn botte kont
Deze verbintenis teniet te doen, een der partijen
Radeloos, maar tot het uiterste o
Zo integer, omlaag te doen dwarrelen –
Deze druk dus, waarmee de schone vrouw
Met de stevige vingers knielt op het gras.
Het modeste gras raakt nauwelijks nog merkbaar
Onder de indruk, het was op alles bedacht,
Het heeft zich idealistisch terug-
Getrokken, is als water in de bodem
Gedrongen, tot het niet meer was,
Is dan een kleur voor de grond,
Een hoopvolle, rustig afwachtende tint,
Die de overslanke knieën zo min
Als maar kan te na komt. Toch, het bloost nog,
Het gras, het groen, waar zij zit,
Verdiept zich, – zij zit, de hand reikend
In overgave, maar wijs & vriendelijk
Bij de pols genomen door de persoon-
Lijkheid, die – millennia voor zijn tijd
Lijkt hij geboren – nota bene gekleed is
In een pontificaal gedrapeerd gewaad,
Dat in kleur het bevende midden – bevend
Als de top van een fontein of anders het punt
Waar zich een kolibri bevindt die stilstaat
In de lucht, wanneer hij stilstaat,
Het midden als een pupil, – houdt
Tussen het opgewonden, strakgespannen
Rood van een eikel of kreeft, en ander-
Zijds het zijige blank van haar lichaam.
        Mooi glad is dat! Die huid van haar
Verhoudt zich tot die van andere, hier af-
Wezige vrouwen als het vel van een gezonde tomaat
Tot dat van geplukte kippen, – is vreemd,
Als een roomblanke tomaat, een albino;
Die is wereldvreemd als een effen giraffe,
Vreemder dan een lichtzilvergrijs exemplaar.
        En zo glad, zo vloeiend gestroomlijnd
Haar lijnen en vormen, al zijn
Dan haar vingers misschien wat aan de
Stevige kant, een tikkeltje te lang, –
Ach, zoals de sneeuwval de grove,
Ongemanierde lineatuur buiten stileert,
Is er iets over haar vormen gegleden,
Heeft een werking haar huid geëffend,
De weg voor een straling die – van binnen uit
Te komen schijnt, daarvoor
Geen poriën van node heeft.
        Haar borsten zijn klein, als de bloemen
Die men sneeuwbal noemt, haar tepels
Staan zo ver als maar enigszins kan
Van elkaar, of tepels, – meer dan schuchtere
Concessies aan de hebberige eis dat
Zij er zijn, zijn zij evenmin als
De vingerafdruk van haar navel
Of de minieme floers in haar schoot.
Iemand die midden op de dag maneschijn
Op zich weet te richten, zou niet meer
Moeite moeten doen om niet verwaand
Te worden, zo bescheiden te kijken als zij,
Die haar blik kuis richt op haar eigen
Lichaam, – en van haar, met die ogen
Zo ver van elkaar, de meticuleuze glimlach
Waaruit haar lippen bestaan, die zo goed is,
Dat zij ‘t zonder mysterieuze allures
Kan stellen, zou men geloven
Dat zij bescheiden is van zichzelf,
Van huis uit. Alleen – haar haren
Kabbelen kittig van hoog op haar smetteloos
Voorhoofd omlaag via haar aan ‘t oog
Onthouden rug, dat gouden haar, dat rijpe tarwe
En de ademtocht der zomerse dagen,
Die die doet bewegen, tegelijk is.
Haar handen zijn wel wat groot,
Haar vingers wat stevig & lang.
Maar ze zijn leeg en vrijwel onbeschreven, –
De handreiking aan de kostbaar geklede
Meneer met de hoge manier laat dat zien,
Zowel wat de palm, als wat de rug
Betreft. De zijne zijn anders, verweerder,
Veelbetekenender, wel vreemd, maar niet
Aan deze wereld. Hoe moet overigens
Zijn lijf wel zijn? Men weet ‘t niet,
Dat zou teveel kunnen zijn. Men moet
Niet teveel weten.
        Zijn gezicht is ook anders; zijn ogen
Zijn als het ware bevriend met de nacht,
Hij kijkt zo verstandig, verder dan
Het gras groeit, verder dan er dieren,
Lucht of planeten bestaan.
Maar zijn gezicht is weinig etherisch;
Hij is een man, zoals er eigenlijk
Geen één gevonden wordt tussen avond & morgen,
In heel de dag. Hij is sterk,
Heeft weerstand als klei, hij weet
Wat hij wil, en wat men willen kan, –
Vandaar dat hij waarschuwt, de weg
Naar de uiterste vrede aangeeft.
        Wat een paar! Zo, terwijl de energieke
Krachtige man de uiterst verfijnde
Vrouw in een aureool van haren
Zachtmoedig maar beslist bij de pols houdt,
Zou het de sterren kunnen zien verwelken,
De hemel kunnen zien rimpelen en schil-
Feren als een verouderd voorhoofd,
Het licht zich zien wijzigen in vuur
Of brakende vlammen, of in het niets.
        Maar – zij zijn niet alleen.
        Alles eerder dan dat. Sprakeloos
Van bewondering, van verbazing, van
Nagenoeg mystieke vervoering zit de tweede
Man, het manspersoon, naakt tot op
Zijn nuchterste contouren, ernaast,
En doet zijn oog en zijn wenkbrauw
Tegoed aan het mild verblindende paar.
Zo’n eenheid…
        Hij vlijt, als een vlinder,
Die een jasmijnbloem kust, maar minder
Vrijmoedig, zijn hand op zijn boven-
Been, slaat niet, zoals het hem
Te moede moet zijn, van louter verbazing
Er hard mee, leunt op zijn andere
Arm, en zijn diepste verlangen
Is niet gesitueerd in zijn kruis,
Op die bloemige plek is ‘t rustig,
Maar het gaat uit naar de tweeëenheid,
Die hij waarneemt, en in begrijpelijk streven
Er een drieëenheid van te maken,
Geeft het manspersoon, zo’n mens toch,
De dichtstbijzijnde van het primordiale
Paar stiekem een voetje, raakt hij
De zoom en de teen van de heer, die
Op handen en voeten en zijn gestrenge gelaat
Na in zijn ornamentale, monumentale
Plooien schuilgaat.
        Is hij nu deel van het mysterie?
Vormt dat een trio? De tijd zal het leren,
En in de tijd kan zo onmenselijk veel
Gebeuren, evenals in de ruimte. 

~ Pé Hawinkels, De tuin der lusten (fragment linkerpaneel) ~

 

 

U bent erbij

 

uitspansel

 

hier is ’t
een uitgezochte
plek om te verdrinken
in al het eeuwige en brede

proef het geweld van de ruimte
tedere tiran met een navel als noodverband
het groots laaghangend zwart gat
voorzien van pluimage en gifdamp

u kunt er naar believen smoren
in de armen van opgeslorpt water
stemloos en smetteloos als de stront van uw lief
in de vetgemeste rivier uw ondenkbaar vertier
galm en geil de geheven vinger van de uit de rijen geplukte populier

het stinkt er naar pluimen en torens eenzaam gevorkte vlaggen
wijl de bodem onder u wordt weggeslagen
door per abuis geplaatste buizen
van poldermuziek zoekend naar poep

misschien bent ook u brandbaar
wie zal het zeggen fossiel bent u alvast
grijp maar de scheuren in uw brandkast
en zing naar believen van dampen veelkleurig
van het onversaagde dove gloren

boer bent u of boomgroep maar averechts
uw lokroep een uiterst kapotte tv en nee
vergeet niet uit te checken als u uitstapt
want het land is de grap met de vunzige baard
die u vanaf nu overal nastaart

 

 

 

foto: Wilhelminapolder, Michael Beutler, Polderpeil

 

 

 

mAtrix [metafysika uitgelegd aan onze goden]

 

“mAtrix” uit metafysika uitgelegd aan onze goden. werk in wording. het werk bestaat uit 2 delen van elk 2 afdelingen, elke afdeling bevat 6 teksten. “mAtrix” is de oogspil… dat de twee delen scheidt…

[opmerking: deze post is veranderd, het weerspiegelt de laatste schets; 14 maart 2018]

[wederom een update: 17 mei 2018]

Het grasland van weleer

 

Het grasland van weleer

 

‘Kille nachtwind verdwijn dit is niet
jouw domein’
Je kon een vogel horen roepen in de lucht
Mistig ochtendgefluister en zacht geritsel
weersprak de doodse stilte die hing alom

Hoor de leeuwerik luister naar het keffen van de vos
bij zijn hol
Zie het water opspatten als de ijsvogel erin zich stort
En een rivier van groen glijdt ongezien onder de bomen door
stroomt vrolijk door de eindeloze zomer koersend naar de zee

In de kalme uiterwaard vlijde ik me neer
Overal rondom me daalden gouden zonnevonken op de grond
Me koesterend in het zonlicht van een lang vervlogen dag
voerden weerklanken van wat was de kamer in van mijn flat

Hoor de leeuwerik luister naar het keffen van de vos
bij zijn hol
Zie het water opspatten als de ijsvogel erin zich stort
En een rivier van groen glijdt ongezien onder de bomen door
stroomt vrolijk door de eindeloze zomer koersend naar de zee

 

 

Roger Waters

 

 

 

Schuilplaats

 

Compleet verzorgde doodsvacantie

Collectief bewust maakt moe

Behalve bij jou

Bij jou kan ik schuilen

 

 

HET IS ZO IETS ALS

aan de rivier staan

EN WETEN:

BUITEN  de rivier  IS NIETS

DAT ALS  de rivier  BESTAAT

 

 

 

 

 

ill. Hercules Segers (ca.1589–ca.1638), River Valley with a Waterfall

 

 

Guillaume de Machaut – Virelai

Virelai


W
anneer de goden met mij zijn

en ik opnieuw haar ogen zie, haar mond
voel ik geen ellende meer, geen pijn
leef ik verwilderd in het rond

Haar schoonheid en haar liefdesvlam,
dat breekbaar breken van haar lippen
breekt bij me binnen, zet me in brand:
Zo loop ik vast op duizend klippen

Wanneer zij dan haar armen spreidt,
mijn hartstocht temt in lief erbarmen,
ben ik geheel haar toegewijd,
weet niets dan mij aan haar verwarmen

God! het is goed, zonder respijt, verwijt,
dat ik haar liefheb, mij gaan laat in haar armen

***

Quant je sui mis au retour
De veoir ma dame,
Il n’est peinne ne dolour
Que j’aie, par m’ame.

Sa biauté, sa grant douçour
D’amoureuse flame,
Par souvenir, nuit et jour
M’esprent et enflame.

Et quant sa haute valour
Mon fin cuer entame,
Servir la vueil sans folour
Penser ne diffame.

Diex! c’est drois que je l’aim, sans blame,
De loial amour.

 

Guillaume de Machaut (1300-1377)

 

Winter, en het licht is promiscue

 

Winter, en het licht is promiscue
de lange armen van de aarde
ontvangen stil het residu
van sneeuw en kinderhagel
veel te traag voor een revue
voor een schedel die zich schaamt
volstaat een hoed of paraplu
neerslag en de wereld is te warm

Winter, en het plaveisel glimt
en lacht ons glansrijk uit
geen buitje dat het van ons wint
geen stug bevroren ruit
       elk dreinend, spelend kind
       is stiekem bruid en buit

 

 

Mijn jas is niet van zilverlicht

 

mijn jas is niet van zilverlicht
al het serene, sonore beneemt het zicht
je moet wel gek zijn om je te dompelen
onder in de zon, en te verschrompelen
ten overstaan van algehele uitverkoop
al loopt het volk als vee te hoop

voor de val vrijmoedig van ikarus
omwille van een veel te vuriger kus
dan van de maan, schattige schroothoop
in ommegang tweedehands vuurdoop
van goud zij ruimhartig zilver maakt
en al mijn omstrengeling lichtjes staakt

te kniezen kiezen is er niet
brand of kilte je verschiet
en het verzilverde krediet
verwarmt je hart – graniet

          dwaal of blijf alleen verdriet
          zingt het ware liefdeslied

 

 

 

“dit is geen manifest”

dit is geen manifest [deze tekst zal konstant onteigend worden, het blijft een tekst in wording, hij zal nooit verlaten worden, uitgebreid door middel van kommentaren, op verschillende media, de aantasting van een tekst is tijdloos. verdere uitwerking zal met de stokslagen van de tijd gaan.]

ik weet het, het is verre van origineel. heidegängerisch zal ik dan verder moeten gaan; duidelik, schuldig. manifesteren; aanwijzen (fr.), tonen (fr.), bekend maken (fr.), openbaren (chr. l.). openlik (l.).

waarom als “citaat”, met een duidelikke, openbare allusie naar magritte. ik laat dat aan foucault over. het gaat immer om de wijsvinger, die zonder duim, moet grijpen.
het is openbaar. een openbaring.

poep” is een klankwoord, en als “citaat”?

P.L.e.E! platform voor de marginalen! in de marge gebeurt het! de kolk is de marge, in het sentrum van de kolk staat het stil! de kolk is de beweging!

een slagorde! geen verdediging!

verspil je werk!

beweeg gij ellendelingen!

en daar gaat de openbaring. het woord “citaat” heeft als o.a. als oorsprong een getuige oproepen, vandaar dat ik het woord “citaat” immer met dubbele aantekens schrijf.
een manifest zal nooit de Eis kunnen openbaren, dat wat de aleph eist.
te veel zijn voor iemand, ongevallig zijn, Verveel!

het woord POEP is van groter belang dan de poëzie zelf (i.e. poëzie in absolute zin, filosofie, hee), want een klankwoord, dat zich heeft uitgestrekt in betekenissen.

een meta-manifest? origineel betekent meta, ná, nachträglich zou sigmund freud zeggen. altijd te laat, als een tribunaal, want de taal is een juridische strijd, het wil namelik een casus, een gebeurtenis vastleggen, een plaats geven. ay! ay! die klichees. lieu, daarin zit plaats en gebeurtenis tegelijkertijd in verweven. de taal heeft een doel; een oordeel.
wat men tegenwoordig alles met meta-, aanduid, is niets anders dan het modernisme terug in zijn wieg gelegd; wat de definitie is van j.-f. lyotard van het postmoderne, de populistische opvatting en gebruik van de term postmodernisme heeft niets te maken met de teksten die de zgn. postmodernistische filosofen geschreven hebben. en ja, zeker, alles kan onteigend worden, voor eigen gebruik aangewend; geroofd. de triomf van de roofkunst. dat is de macht van de taal; i.e. de lezer, die immers ook zelf spreekt. schrijft de lezer tevens?

de terugkeer naar de bron, de oorsprong is een Eis, maar tegelijkertijd, is de Roof evenzeer een Eis. ik richt hier geen dichotomie op, maar draai aan een rad, een ontbergrad; een kringloop.

de toe-eigening, altijd fataal, gebrekkig, de roep tot oprechtheid dwingt tot falen. elke toe-eigening faalt, want er waart een geest rond in het huis van ik.
het woord heimlich betekent uiteindelik hetzelfde als zijn tegenstelling; unheimlich. want een huis beschermt, maar tegelijkertijd is het een krypte, verbergt het iets. oikos (huis, familie)  – oikèsis (graf). schrijft de lezer heimelik?

dit is een deiktische term, een verwijzing naar een objekt, ding. is, het werkwoord zijn, het begon bij de grieken (en waarschijnlik hebben zij het weer van andere kulturen geroofd, men vergeet graag dat de griekse kultuur, de klassieke oudheid, het hellenistische hoogtepunt, een geroofde verzameling was van kulturen; oorlog, handel brengen kultuur voort, evenals technologie, zij drijven het op de kultuur, en kultuur is niets anders dan; cultūra ‘verzorging, bebouwing, veldbouw, vorming, veredeling’)

deze GRAMMATIKALE roep! het werkwoord zijn, en al zijn afgeleiden, Zijn, zijnde, het Niets. de dader is het woord, zelf.

GRAMMATIkale POEP! zo manifest als mogelik is!

 

 

Engelenburcht

 

leesvoer


ben een worm ik schuifel

op slaapgrage voeten
door de kluisters van je kasteel

hebt me spraakloos toegelaten
de lakens toegedaan
over mijn gefronst skelet

 

je bent de dronken engel
m’n hang naar honger heb je
weggemoffeld in alinea’s

ik ben voldoende omgelopen
lees de handdoek bij het open raam
en repeteer je naam

 

Ich liebe dich

 

Ze woonde aan de voet van de berg
lachte haar scheve tanden bloot zonder enige gêne
aller aller charmantste bergboerin
dijen molensteen een kont om je hoofd voor om te draaien
bijen zoemden genot, bevruchte weelde
ik wankelde vermoeid haar richting uit
het moet zo zijn knorde scharrelzwijn
kukelde haantje de voorste
ze stopte me in een verkwikkend bad haalde draken uit mijn haar
streelde borsten, kneep meeëters
ik wilde voor altijd blijven daar waar alle tijd uit teder bestond
toch moest ik afscheid nemen
ik sloeg haar op de pronte bilpartij zong ich liebe dich samen
met bij en aanwezig vee
toen ze tevreden slaapgeluidjes pruttelde
haar scheefste tand zichtbaar ontspannen in onderlip zonk
heb ik haar verlaten

Tekening en gedicht 
Astrid van Rijn

 

 

Een postolympische dip

 

Luide knal geregistreerd
een postolympische dip

 

wintervlindervrouwtjes kunnen niet vliegen
maar misschien ben ik ook wel raar hoor
geen idee
een schol is een kookplaat immers
een mislukt pretpark

verbitterd zijn ze
ze hebben geen vleugels
de man in de blauwe badjas
en fluffy huissokken
een roze veulen
de papierversnipperaar
werd haar beste vriend

de bidsprinkhaankreeft
beschikt over superzicht en
een gemene linkse
soms raakt een mannetje
tijdens de paring
zo opgetogen dat
hij even opvliegt
in de halflege Grote Zaal

het cynisme van de kersverse echtgenoot
met rauwe woorden
november is hun toptijd

 

 

de zaal van baards! – het sprakeloze in taal en typografie bij de hoorns gevat

(achter iedere god
een ithyfallisch vers staat)

visioenen van de absolute kut, solide
maar droog.

jouw stokslagen mijn duizend engelen, waarmee ik de
werelden bevecht

(meer list dan twijg in beth, dat bod, onverplaatsbaar.

 

Brandend en dreunend vernietigt sadà\exposadà de taal, in zwart en rood op wit, door erin af te dalen
Een tot mislukken gedoemd project glorieert in het snijvlak van wat de taal scheidt van het sprakeloze,
het bedrukte wit,

een prachtig procedé waarin de poging het onuitspreekbare tot spreken te dwingen prevaleert
De lust omgezet in de lust voor het oog, taal en symbool en typografie graven in het wit van de pagina naar de fecoliet van de gestolde erotiek
Een twijg wordt uiteengetrokken tot   t    w    i    j    g

 

:

Dompel je onder
in de zaal van taal waar de aars
versmelt met de b van beth


heb ik dan geen kritiek?
jawel, de – de alef – is geen os, maar de kop van een potente stier, de maangod Minotaur die dit boek met verve bespringt

 

rekonstruktie/konstruktie

Auteur: sadà\exposadà

ISBN: 978-90-79993-18-5
NUR: 306
Datum: 3 januari 2018
Prijs paperback: € 30,00
Pagina’s: 150

Bestel uw exemplaar hier.

Over het boek:
rekonstruktie/konstruktie bevat de drie boeken die voorafgaan aan de grote middag en de zaal van baards!, te weten: zienerlied-entartet, ON- en de gele boeken/zout. Voor de lezers van het eerdere werk van sadà\exposadà vormt dit boek een onmisbare completering. Voor de eerdere maar zeker voor nieuwe lezers heeft sadà een inleiding geschreven die een goede ingang geven tot het geheel van dit corpus.

Bladzijde uit het boek: