Author: Kamiel Choi

In Nederland geboren vaag figuur woonachtig ergens in Berlijn of Zuid-Korea vanwaar hij tekstuele ellende de warôld in stuurt, tussen dewelke samenhang ver te zoeken. Tevens vader van Miru, goddelijke hoedster van dode zielen, geboren in het jaar des Heren 2013.

VADER (liefde)

omstavend dadigt je vader, ooit grijs ooit donker ooit de eersteling in je dromen

hijhij zegt woorden in drommen die in je aanvang horzelen, je oudste gedachten korven

hijhij groeit aan zijn lippen uit je voorhoofd kijk, daar danst hij in de kamer, rare papa,

hijhij wil lateren, je kinderopstand orkestreren, hijhij werpt de schaduw van zijn wetten schuins over jouw dagendheid uit,

hijhij herkauwde jouw gezichten vanaf je eerste uur,

hijhij zorgt koortsig, zijn wereld blijft met warme lucht verwapend

zijn geur die hijhij bij zich draagt laadt zwaveldiep onder de gewelvingen aan jouw begin waarin

hijhij wil broeien,

kaderend staat de vader aan zijn ophogende klippen

om zijn blik te verren voor de val

fantasie I

Het overik verkruimelt in gestondde marges

we pozen schubbig bij de onderdrukten, laaflijdend als paapse labyrintiërs

___________bedekken we het huivergrijs onder de werelddelen, brouwen we bovenaan

aan het destillaat van onze bovenstand, impeccabel rekt het verhalige ik de opmars op, miljoenen zwarte voeten veronderen onze luchten, het vreemde likt mij, men angstigt zich het liefst op witte stranden

Krokig klipt nog de koningsdiscipline, summum summum, ya’alabi ghamza aleph beth, maar de mensen noden niet, zij knopen zich een lakenweg tot aan de grond waar het leed intrekt tussen de tegelnaden.

Bloedrood overikt ons de stervende zon kloks tikt zij ons uit en zal zij ons

________kronen in de wentelslaap, tot we onszelf verlaten

we kijken er baards tegenaan

Worum sich die Angst ängstet, ist das In-der-Welt-sein selbst – Heidegger.

ik ben de grote hypochonder:
ik groei mijn liefste angsten aan

mijn verbeelding is een schimmelende voorraadkast
het woekert poliepen uit mijn dij, die doornig standhouden
iedere glimlach is een belofte van electrocutie

want ik ken jullie wel: jullie komen mijn tongriem doorsnijden
en een lamme tong verdicht de leut niet deutend, weet een kind

maar wat is mij aan de angst gelegen als het waarheidt in de schemering,
aan de erecties die ons zullen aflossen, die de wereld zullen ontsieren tot Oz
aan de rilgeesten die langeweilen bij het aanbreken van de grote middag

soms is angst de toonsoort van thuiskomst
gejank van de wilde honden als ze een nederzetting ruiken

blijf de magie van je verbeelding trouw, vouw

je angsten als gemalen muskaat in de plooien van de kranten
als je schrikschippert door de bezette stad
boogneukt in een dependance

loeihard straffen de omgewanden onze bluf, hun komst
zet regeleindes weg, onze stokvistongen
zuigt het vacuüm, de angstende angst wordt altijd afgezonken volgens het protocol

schraaltalige neuzelaars ontgaat dat maar wie wil hier nog
de dompteur zijn van zijn eigen spleen we kijken er baards tegenaan
lustgameten roedelen jachtig over de naakte toendra van de angst
er groeit mij nog eens een toverstaf aan die alle referenties verhekst
inkerkert in het ijs dat eeuwig is

(uit mijn voorgelaten gedichtenverzameling ‘Tongriem 2‘, parels tussen de stront)

De grenzen van mijn taal zijn niet de grenzen van mijn liefde

Woordverliefd versluip ik mij

in jouw smiezen,

je wordt een glimlach die ritselt in het riet

een zieneres die mijn wereld weerbarst

verwarrend mij huidt en hardt tot ik stilschrijvend

zwijk in de vorigheid voor de orde

van de dingen achter de macht

voornaam mijn woord, mijn woord smoor ik,

en water mijn groothoofse vloot onwagelijk achter de plaats

mijn eeuwige loodse, die ik liefheb als het gezonkene

Licht

Steels gelaagde straalwarendheid, kristallijne

loofschijn die aanvloeit als jonge doopwijn en

mijn laatgeleefde wakkerheid ontvlakt,

zo gutst het licht ramend om bare hoofden

waart het tammend waar grote wandigheid blaakt

en tijdt in het dorpsgestel waar zij zichtig hongert

aan onze geesten, wier schaduwen in een cirkel dansen

         vanwaar geen cirkels zijn te zien.

Stille schijntomelijkheid van zuiverende overtreffing, spel

met het l–t, verflectie die ons vangt, verspeelt en ons verkleint

tot een ruisen in de grote tijd, een donsveer, een onbenulligheid.

Poëzie en de pleeborstel

Welkom bij deze zoektocht naar de poëzie van de pleeborstel
een exploratie die geen mens serieus neemt
een odyssee langs ongeschreven historieën
langs glanzend sanitair, en abstracte beschouwingen
over de æstetica van het alledaagse

een omzwerving door de kunstwereld
langs vorstelijke toiletten en stinkende schijthuizen

en zie: de pleeborstel is reeds tot kunst verheven
en het is politieke kunst
er is geen onderscheid tussen verteerde truffels
en verteerde grutten
het blijft een smerig ding

maar een ding dat groots kan zingen
van die banaliteit die in ons bestaan zijn sporen trekt
terwijl iedereen er schijt aan heeft

de pleeborstel – een readymade: probeer
het ding te draaien, te forceren, te positioneren
en op een sokkel in een museumzaal te plaatsen

zodanig dat het niet de verdenking wekt,
kunst te zijn

 

 

PLeEbejer

Afbeelding WikiMedia

Speelzaam lokt na Mitras’ maal de grootzweer om
de taal te toornen, met hoorns en schelmendom
de naargeestigheid in psalmen murw te rossen
wij gewijderen van tong, wij in luwte huilende vossen
ontossende beeldenstormers, ruw getande poliepen
digitale zondagskinderen gelaagd in daguerrotypen
onverminderde galjagers in linksdragende lariejaren
waar al met al loenzend neohegeliaans gaat paren
par excellence: groots geschapen door talendheid
wiens waaier ons wekken zal – weest u bereid