Categorie: tekst

berichten met tekst in het bericht

partchpracht #505

algo: schrijf tijdens zonsop- of ondergang een lyrische tekst bij de LYRIEK-collage van de volgende dag en  muziek van Harry Partch
input 2: Dark Brother

u Donkerte ter ere
gaan wij niet steeds weer door de Gaanderij
langs de eindeloze rijen van de ramen
met de namen van het licht
dat ons ter dood wil nagelen?
schuifelen wij niet zwetend,
met van angst ontsloten spieren
in eigen derrie
naar de verscheuring die gij zijt?

u, Donkerte, ter ere
hebben wij niet de weg der wegen
duizenden malen afgelegd?
hebben wij niet ter uwer wille
ons eigen vlees verloochend en belogen?

uw Donker dat in eigen Donkerte
zichzelve zoekt: gij schuift in ons
gij zijt de vette slang in onze huid
gij zijt het brokkenslijm dat onze tong
ter tale roert.

in rode brand uw donker stijgt
en kust de zwarte hemelleegte.
kom dan maar, gij Donkerte,
kom en sleur ons weerom mee.

Come to me as you always came.

Oerbloed

Oerbloed

 

daar bij de buikborrelende poel
in dit moede ooit zijn we dampend mooi
samen grienend in het broeiend hooi

wrijf het druipzweet van je smoel
eet dan de gloeigranaat zonder pit
totdat je in je groei allengs verhit

bloed breekt uit smeltvlees breekt uw kracht
in zweemvolle kraters zijn we geboren
waar drijven de hete algen naar sterrenschacht

zoeken verkoeling maar zijn al verloren
al ooi en groen maakt wemel kokend zacht
aloude zomer heeft ons zoet verkoren

 

~

 

 

 

ill. Max Ernst, Arizona rouge

Hồ Xuân Hương

Hồ Xuân Hương
Zeven gedichten

 

         Vruchtgebruik


mijn lijf een bungelende nangkavrucht
sappig vlees, de stugge huid geeft licht
mocht het u behagen, open me met kracht
niet te zachtzinnig, dat geaai zal slechts
uw ving’ren bezoedelen met mijn vocht

 

 

         Waaierzin

 

één oog diep genoeg voor willekeurig welke roe
lonkt u van eeuwen her vrijelijk warm welkom toe
vouw mij uit tot driehoek, er is onvoldoende huid
sluit mij aan beide zijden, is er weer te veel vlees, en hoe!

aan mij om dampende helden af te koelen waar zij staan
de kop van een heer af te schermen bij stromende orkaan
achter de bedgordijnen vragen we hem op z’n tederst
met al dat hijgen, hijgen in deez’ hitte, bent u voldaan?

 

 

        Schone slaapster

 

zoele zomerbries strijkt langs als nooit geweest
deez’ jonge vrouw vlijt zich in haar dromenfeest
haar haarkam losjes in heur lokken hangt
de roze doek glijdt geurig van haar lome leest

op hemelheuvels wenst dauw nog goud te schrijven
in de feeërieke beek schijnt de wilde stroom gestild
– bij die aanblik aarzelt de heer een warrig wijlen
ongemakkelijk, zou hij weeromstuits verstijven?

    

 

Jeugd

 

dauwdroppels bevochtigen haar rozige wangen
hij toont zijn manlijkheid bij smachtend maanlicht
zij streelt haar geslacht voor heuvelen en stromen
zelfs de eeuwenoude keien geven zich gewonnen
oordeel ons niet, ook mensen genieten hun jeugd

 

 

       Drievoudige kloof

 

een kloof, een kloof, en nóg zo’n kloof
wie dit schouwspel gutste zij geloofd
spookgrot met haar welige gewelf
rijk begroeide rotsen – wier bedekt haar alkoof

een straffe wind steekt op, verschrikt de dennentakken
droppels dralen aan de wilgenblaren, de bevend blakke
– gij deugdzame, vrome ziel, wie waagde nooit
week in de knieën, onstandvastig, in haar af te zakken?

 

 

         Nachtwerk

 

kous omhooggedraaid, de kamer gloeit al zacht
moeiteloos het weefwerk de lange lange nacht
voeten brengen diepte tot leven uit alle macht
bedreven vliegt de schietspoel in en uit
ruim of smal, groot of klein, het past altijd
lang of kort, het glijdt zo makkelijk zat
meisjes die het vatten voeren hem al nat

 

 

       Drijvende lekkernij

 

blank en rond mijn vormen, vrij van schroom
rijzen en verzinken ze als bergen in de stroom
kneed me hoe u wilt, ruw voor mijn part
– ik koester, voed mijn hart, een kersendroom

 

*

 

 

Hồ Xuân Hương is een legendarische Vietnamese dichteres, geboren ergens tussen 1775 en 1780 en gestorven in de jaren twintig van de negentiende eeuw. Aangezien haar complete oeuvre, 139 gedichten op de kop af, pas zeventig jaar na haar dood werd gepubliceerd, is veel ervan mondeling overgeleverd. Dit zijn bewerkingen van vertalingen uit de tweede hand.

 

ill. Đèo Ba Dội (Drievoudige kloof)

 

 

 

 

partchpracht #503

input 1 – LYRIEK-collage #503

algo: schrijf tijdens zonsondergang een lyrische tekst bij de LYRIEK-collage van de volgende dag en  muziek van Harry Partch
input 2: The Dreamer That Remains: a study in loving

de reus is nu niet meer de reus, zo verzekert ons maria, 
van de hernieuwbare uitgaven, de reus is de reus
van het opbouwende 
en hij eet geen kindjes – zo plots,
zegt men, als je  in het park gezeten
de borden leest
van wat je niet mag doen, plots
en onverwacht dat de droom komt, dan, toch

terwijl je het net helemaal juist deed

de droom van de dromer die de dromer blijft
terwijl de tijd toch lang al uit de ruimte is geschoven
terwijl er niets nog op het plein beweegt
terwijl het toch in orde is

o heer wiens lijk het ganse land berot
laat ons in innige coagulatie samen stollen
laat ons bloed dat van ontzetting gulpt
in uw slijmen glippen en verdwijnen

let us loiter together
let us loiter together

5 x B53

[versie D]

jij, vrij recursief wil het toeval dat jouw haren
mijn schouder uitstrepen tot op het witte
bot en insgelijks mijn navel versterkt met
gebulder historisch spektakel. hoofden, zij

worden met halen van hun rilromp en krijsen 
gescheiden en het leed wordt een deel van mijn
pink. hou die knipschaar in spreidstand, jij: elk
moment is een momentopname met suisende

migs in de hersenpan en bloedstraalbezopen
het besef druipt nu pas in jouw heden binnen:
met de neusloop geschouderd de oogas schroeft

schunnig in de richtkoker de scherven heelal. 
het lijf was horizon en oorlog onze vaderstaat.
goddelijk eerst was ik jouw slaaf en nu jij, dat.


[versie E]

verdwenen symbolen wil het toeval dat je haren
strepen mijn schouder tot op het wit klinkende
bot en in mijn navel mateloos versterkt raketten
bulderen (spektakel met moederkoek). hoofden

met halen gemaskerd van rillende rompen ge-
scheiden en het leed wordt een deel van mijn vurige
pink (knipschaar in spreidstand : momentop-
name). met suisvogels mig wapent eustachius

de hersenpan en davert en bloedstraal verloren
de grijze druppels lopen in het borstplan iran.
met de neusloop geschouderd de oogas schroeft

in de peniskoker schilferig  de scherven heelal.
mijn lijf is u allen en oorlog is u ook de vaderstaat.
de koning te goddelijk was ik je slaaf en nu ben jij vrij.


[versie F]

je haarpijlen vlijmen vergeten symbolen 
in mijn lijf en nagels kerven wit op het bot.
op polaroidbeelden van het binnenbuikse 
bofors blaffen uit hun affuiten. offerhoofden

met heftige halen gescheiden van rompen 
hun spermonden doen hun tombade tot ver
in de pinkscène (de schaar in spreidstand, 
close up van krijslippen over heel het scherm).

suisvogels mig fladderen op uit de gehoorgang 
en een bloedstaaltje vijand morst wat ebola
in het borstplan iran. nerveus met de neusloop
geschroefd op de oogas verzilvert het brein 

elke schilfer heelal. goed, ja, mijn lijf is soldaat 
en god is vader en oorlog maar dat, schatje,
maakt jou nog geen hoer, laat staan een maria.

[versie G]

met correlaties wil het toeval dat jouw haren
uitstrepen mijn schouder tot op het witte
bot & in mijn navel mateloos versterkt raketten
bulderen (moederkoekspektakel). hoofden
met halen van rilromp & krijsen worden
gescheiden & het leed wordt een deel van mijn
pink o.a. (knipschaar in spreidstand : elk
moment is een momentopname met suisende
migs in de hersenpan & bloedstraalverloren
de druppels besef druipen in het borstplan iran.)
met de neusloop geschouderd de oogas schroeft
schunnig in de richtkoker de scherven heelal. mijn
lijf was horizon & oorlog is ook ons de vaderstaat.
goddelijk eerst was ik jouw slaaf & nu ben jij vrij.

[versie H]

versie H – AR van B53

Lampje in der Sterren Dampkring

         Lampje in der Sterren Dampkring

 

Droom jezelf weg in een boot op het water
met blozende bomen en hemelse gloed
Iemand daar roept je, je antwoordt afwezig,
een meisje dat wemelt en groet

Glaspapierbloemen, zo geel en zo groen
verrijzen boven je hoofd
Speur naar de schat met de zon in haar oog
& wég is ze weer

Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Ah… 

Volg haar meteen tot die brug bij de springbron
waar hobbelpaardmensen te gek gaan op cake
Iedereen straalt als je de bloemen daar langsglijdt,
zo ijl en onwerkelijk hoog

Steekhoedenbootjes leggen er aan
ze voeren je dadelijk mee
Vlij je maar neer op die wolk achterin
& wég ben je weer

Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Ah…

Droom jezelf nu in een trein op een statie
vol kneedkleien kruiers met wapens van hout
Plots staat daar iemand, ze draalt bij het draaihek:
het wemelend meisje lacht stout

Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Ah…
Ah…
Ah...
Ah…
h…

..
.

 

 

voor Annet Schaap

ill. Odilon Redon, Zonsondergang

het einde van de kunst? of duchamps urinoir als de wieg van de kunstenaar

het einde van de kunst? of duchamps urinoir als de wieg van de kunstenaar

het einde van de kunst staat of valt met de mens. het beeld dat de mens van zichzelf ziet, van zichzelf maakt of laat maken én het beeld van dat de mens van zichzelf heeft. dit laatste beeld is geen echt beeld, maar een gemoedstoestand, gevoel, overtuiging, wens en herinnering gemeen vervlochten met elke handeling. narcissus —die in zijn eigen (af)beeld verdronk— is de door zichzelf geobsedeerde europeaan. deze obsessie kent een brandpunt: hoe ver de mens natuur en materie naar zijn hand kan zetten, materie kan beheersen met vorm, een vorm die altijd van de mens zelf is afgeleid. materie moet door de mens kunnen worden gebruikt —nut, doelmatigheid— en liefst nog zoveel mogelijk op de mens gaan lijken.

europa heeft zichzelf vanaf de oudheid in zelf-reflektie gewiegd. daarom is duchamps mona lisa daarmee niet anders van werkwijze of aard dan ovidius metamorphosen, de metamorphosen zijn een feest van herkenning, de belezen lezer glundert van genot van hoe speels ovidius verwijst, citeert, verandert. de belezen lezer is nu een toeschouwer van een beroemd schilderij, dat door een beroemd kunstenaar onder handen is genomen. een spel met de traditie.

duchamps urinoir is niet anders dan homerus odyssee. verhalen van een volk, openbare symbolen verwerkt, verdicht. was de odyssee een heldenepos, duchamps urinoir is de intrede van de held als anti-held. het urinoir is de anti-mythe van de moderne tijd.

het urinoir is kunst die over kunst gaat, kunst als kunstkritiek. maar dat is niet het enige, het is ook de intrede van het alledaagse.

niet dat daarvoor het alledaagse geen plek in de kunst kende (denk aan de gelegenheidspoëzie van horatius, gedichten ter gelegenheid van gedenk- en feestdagen), maar het metaforische karakter, of zeg maar de symbolisering, is het urinoir vreemd. het urinoir staat niet voor iets, is geen plaatsvervanger, koerier van een boodschap, symbool voor het einde van de kunst, aktievoerder van de theorie.

het onbruikbare urinoir met handtekening is wel zeker een statement, maar vooral een nutteloze indruk, een anti-indruk, een teleurstelling, deerniswekkend. de handtekening moet het urinoir in het museum beschermen tegen deze kwetsbaarheid van het belachelijk vreemde, de handtekening is een bewaker, een onvervreemdbaar certifikaat van echtheid, een immateriële beschermheer van de materie. het urinoir lijkt niet op ons, wil ons niets zeggen, kan niet meer door ons gebruikt worden. de materie die we naar ons hand hebben gezet, heeft duchamp uit ons zelf-beeld ontvreemdt.

het urinoir is een uitdaging, niet een nieuwe norm of model. het urinoir is een wieg voor de filosoof, aangedaan door dat ding, beroert, in beweging gezet in konfrontatie met zo’n deerniswekkend, passief ding, schrijft de filosoof, met merkwaardige koncentratie en aandacht, om te getuigen van wat daar gebeurde.

ongeacht of de stelling dat moderne kunst theorie in aktie waar zou zijn, is de narcissus-mythe niet nieuw, kunst is van oudsher verwerking van wat voorafgaat; in direkte zin; herneming of citaat; in indirekt zin altijd herinnering met de eis van verinnerlijking. een klassieke werkwijze gedreven door poëtika, navolging, modelleren naar voorbeeld van de groten. zo kijken we naar onszelf; door terug te kijken en dat naar hier mee te nemen. alles verzamelen en naar huis meenemen.

de overheersing van de poëtika —althans van de schijn daarvan— kent in tweeduizend jaar tijd slechts enkele breuken; een werkje van een onbekende auteur, maar meestal wordt de naam longinus genoemd, dat over het verhevene heet, geschreven in de eerste eeuw na kristus. het verhevene duikt pas zeventien eeuwen later bij edmund burke en immanuel kant op. deze nieuwe aandacht —die meerdere bronnen kent— is onlosmakelijk verbonden met de komst van de esthetika, die de aandacht verschuift van de maker naar de toeschouwer, van regels, kennis en inzicht naar receptie, welbehagen en overweldiging. het woord esthetika komt immers van het griekse woord aisthēsis, wat eenvoudig zintuiglijke gewaarwording betekent, sensatie of gevoel.

deze obsessie van europa met zichzelf, gekoncentreerd in een schrijvend subjekt dat geobsedeerd is door hoe het zichzelf voelt, tegenover wat daar gebeurde, zoekt de mogelijkheid om al het voorgaande in één moment te hernemen en samen te ballen in een nieuw inzicht; definitief oordeel, resultante of resultaat.

de kunst van deze eeuw wordt juist door ontwapening en radeloosheid gekenmerkt. deze situatie kan “laffe” kunst afleveren, kunst die nooit af is, nooit tot voltooiing komt, omdat het zich geen oordeel, geen resultaat toelaat.

de eis van volmaaktheid is de eis van de poëtika, de esthetika kent geen bepaalde eis, is niet een stijl. een woord zoals esthetisering is een gruwel. het urinoir met een handtekening in een museum betekent niet de esthetisering van het urinoir, maar de onbruikbaarheid van een urinoir aan de muur van een museum.

het urinoir is onbruikbaar, gesaboteerd zou je bijna kunnen zeggen. deze onbruikbaarheid wordt door de handtekening veroorzaakt, de handtekening van een kunstenaar saboteert een gebruiksvoorwerp. de handtekening maakt het onmogelijk om het urinoir nog te gebruiken, het nut is eruit weggehaald.

als narcissus niet in een vijver had gekeken, maar in deze urinoir, zag hij slechts een urinoir. hij zou ogenblikkelijk verliefd worden…

de vernedering van het urinoir toont de verzegeling van het museum; de ziel wordt hermetisch afgesloten, onbeweeglijk bewaard als dood, bevroren, in afwachting, ja van wat?

de handtekening vernietigt de ziel van het urinoir. het urinoir is een opgezet urinoir, zoals een gorilla na de jacht als trofee in de hal als kapstok dient, lachwekkend, ontzield, tot menselijk gebruik gereduceerd. daarmee bedoel ik: gereduceerd tot wat iets voor ons betekent, voor ons nut heeft. de handtekening betekent het in bezitnemen van het urinoir door een kunstenaar, die daarmee —vreemd genoeg— juist het ding of wezen van zijn nut voor ons bevrijdt! nutteloos is het slechts zichzelf, onbegrijpelijk voor ons, onsterfelijk in zijn geheim.

de dingen lichten in trossen op

schilder ons een kraterrand als horizon
waarop gedroogde vliegen sos’en morsen
voor ze zich in dom geluk naar binnen storten
in de vuurmond die alles gebiedt en laat
ons stuntelen struikelen bielzen zonder
ritme in het vacuüm van onze onmacht
als een kleine kolibrie in de ranzige schemerering
sluimeren, de wereld halfgrijs van onttovering
en de bomen alle bomen op sterk water hoor
hoe de golven op je gezicht in stukken breken
en in deze nonnenorde gaan we met kwasten
door de nacht, de sterren afgeplakt, de wereld
een onguur kaalhoofdig palet van gelooide
kleuren, we schilderen in ploegen de ergste

ellende, roken tussendoor de laatste
kinderen op om nog hun val te breken
wanneer de dode vissen waaieren over
het water als herftbladeren de stuipen
nog in hun vinnen rillen we over het oppervlak
waar de tijd blind giert van rusteloosheid
vangen we dikke vliegen om hun over het grote
niets te onderwijzen, robuust maakt ons dat en trots
vlechten we onze vingers in elkaar tot de botten
ervan kraken ja de opa’s zijn er weer met hun
regenboogachtige grote gebaren en vervlogen

Rondeel #1

DE WACHTER

Ik wacht en ik sta hier mijn naam te vergeten. 
Ik kijk naar de mensen die komen en gaan.
De zon is heel warm en koud is de maan.
Ik sta en ik wacht tot mijn naam is vergeten.

De mannen zijn haastig, zij willen vaak weten
En of wanneer LAIS door de poort is gegaan. 
Ik wacht en ik sta hier mijn naam te vergeten.

De mensen van ‘t stad: ik weet hoe zij heten. 
Ik zie hen graag komen en liever nog gaan. 
Hun lief en hun leed zijn heel vlug gedaan.
En wat zij beweren wil nooit iemand weten. 
Ik wacht en ik sta hier mijn naam te vergeten.

(ik heb besloten om Christine de Pisan na te volgen. in al heur vormen.
ik vind zulks heel erg opwindend. ziehier mijn eerste rondeau pisanesque )

(kzal d’r ewa rotcollages bij doen, da’s goed voor de commerce)

Ad astra per alam

Ad astra per alam

 

neem me mee, o zwarte hippogrief
breng me naar je hemels nest
schaak me naar je licht gewest
‘waar dan ook maar niet hier’

nimmermeer het onbeweeglijk zwart
van het blok dat ons zo straf omklemt
vanaf de doodsklok mikten we met smart
op wolken voortvluchtig, onbestemd

leen mij je vleugel, vogellief
één maar – hoeven hoef ik niet
voer me naar het sterverschiet
daar wacht mijn stil verblijf

het onmetelijke stierf in onze duist’re blik
doof zelfs voor de roep van leeuwerik
werd een eens zo stralend immermeer
tot het doffe dwingend nimmermeer

en, zwarte hippogrief, vereer
de aarde met je gevonden licht
ze lacht je toe, zie, ze zwicht
ten afscheid immermeer

 

 

 

 

 

uit: Edgar Allen Poe en anderen, The Raven, Louter duisternis, Darkness there and nothing more, Stichting Spleen Amsterdam 2019

ill. Odilon Redon, Zwarte Pegasus

met dank aan Charles Baudelaire, Efraïm Mikhaël, Henry de Régnier & Odilon Redon. & aan Maaike Molhuysen

De geplande werkzaamheden gaan niet door

De geplande werkzaamheden gaan niet door

Maar inmiddels poedert zich de Dame
en bewierookt zich met Gods odeur.
Gerard den Brabander, Parijsche Sonnetten, 1947

 

Je nam me bij de arm – naar achter in
de tuin, waar tussen bladeren en struiken
de restanten lagen van het leeggeschopte nest.

Het was intiem – of was het dat? – hoe kon ik
weten dat wat je daarmee wilde tonen
de waarheid was, cocon van het verraad?

Geen bach, geen brood, geen rede
die een antwoord vormt – tegen
blind verraad is geen mens bestand.

De koekoek is in het land.

 

*

 

Gij hebt nooit echt in iets geloofd
bij u is liefde louter strategie
daaraan ontbreekt de lust & elegie
ge hebt nooit ergens in geloofd

Uw roeping? een straffe kille dirigent
een stoephoer die pijlsnel nâ de duivel rent
gij hebt nooit echt in iets geloofd
bij u is liefde niet dan strategie

 

*

 

De slang aan hare fabelborst
waarnaar de domme kleuter dorst
de achterbakse vrouwpiraat
zijn plek opeist met leuterpraat

Zoals zij in de leugen trapt
die zelf zo blij vertelde
als was ’t voor de min & grap
– had verder niets te melden

Dat je stikt in je verraad
wegzinkt in rotting & verderf
om wat je hebt geflikt vergaat
Schenster, wijk. Vloek god & sterf

 

 

 

 

De parabel van de grote man

Al ben ik zo zwart als roet / ik meen het toch goed.” (folklore)

Een hele grote neger, zijn lengte bedroeg twee meter vijftig, kwam een winkel binnen. Hij vergat te bukken en stootte zijn hoofd in de deuropening.
De deuropening liep niet onaanzienlijke beschadigingen op en de grutter die de winkel met hart en ziel uitbaatte voelde dat hij een oplossing moest verzinnen voor het hele grote neger probleem.
“Verboden voor hele grote negers” stond er een week later op een bordje boven de deuropening.

De broer van de winkelier was ook reusachtig groot.
Hij mocht uiteraard de winkel betreden, maar moest andere klanten die het bordje was opgevallen herhaaldelijk opmerkzaam maken op zijn blanke huid, om hen in te laten zien dat het bordje niet op hem van toepassing was.
Dit was een tijdrovende bezigheid die de broer van de winkelier afhield van zijn eigenlijke werkzaamheden (hij stapelde kratten en hield de bovenste schappen bij).
De winkelier werd moe van de misverstanden, en zinde naar een oplossing.
Hij veranderde, na overleg met een bevoegd geestelijke, het bordje in het volgende: “Verboden voor negers”.

En de zomer ging en de herfst kwam.

Op een dag kwam een kleine neger, met een vriendelijk gezicht, de winkel in. Iemand wees de kleine neger op het bord. Deze knikte bedaard. Maar er had zich een mensenmenigte om hem heen verzameld.
“Kun je niet lezen?” riepen de mensen en ze wierpen rottend fruit.
De kleine neger keek naar de grond en verdween uit de winkel. De grutter schudde zijn hoofd en zette een kruisje in zijn kasboek.

En de herfst ging en de winter kwam.

De kleine en de grote neger kwamen elkaar tegen, en besloten een eigen winkel te openen. Omdat ze zich gekwetst voelden door het voorval in de herfst, gingen de meeste negers liever naar deze winkel, ook al was het aanbod er beperkt. De deuropening van de winkel was drie meter hoog, zodat deze ruimte bood voor groei en nog grotere negers. Dat bleek een succes. Er hoefden geen bordjes te worden geplaatst.
Desalniettemin meden blanken de winkel, alsof er duistere praktijken plaatsvonden. Sommige spraken er zelfs schande van.
“Zo’n grote deur, sprak men, dat is toch niet normaal? Daar woont de duivel acher!” zei de broer van de winkelier, die zich schuldig voelde omdat hij alle problemen had veroorzaakt.
Toen kwam er een dikke blanke man de winkel van de negers binnen. Hij was te breed voor de deuropening, die door zijn binnenkomst aanzienlijke schade opliep. De negers wilden een bordje plaatsen met de tekst “verboden voor dikke blanke mannen”. Er kwamen nauwelijks blanke mannen in de winkel, maar het ging om het principe. En omdat ze niet minder principieel wilden zijn dan de blanke winkelier, spijkerden ze uiteindelijk een bordje met de tekst “verboden voor blanken” naast de deuropening.

En de winter ging en de lente kwam.

De kleine neger en de dochter van de blanke winkelier werden verliefd op elkaar. Hun relatie trotseerde alle smeekbedes en dreigementen, en er vond een huwelijk plaats. Ze openden een winkel met een vier meter brede en vier meter hoge deur, waar met gemak een olifant door naar binnen kon. De mensen vonden dat zo’n cliché dat ze zich ervoor gingen schamen. Er was niemand die de nieuwe winkel met de olifantendeur betrad. Economisch gezien liep de winkel dan ook uit op een fiasco.

De andere winkeliers hielden dit natuurlijk nauwlettend in de gaten, want ze waren bang op soortgelijke wijze ten onder te gaan. Een voor een verkleinden ze hun deuren. Eerst ging dat met kleine stukjes van een paar centimer, maar al gauw onstond er een wedloop en waren de winkeliers ijverig bezig, hun deuren zo klein mogelijk te maken. Hun klandizie had geen andere keuze dan zich steeds verder te bukken. Deze gewoonte begon zich met het verstrijken van de jaren en de generaties in hun lichamen vast te zetten. Dit is de echte reden waarom bijna iedereen, ongeacht ras, geslacht of seksuele oriëntatie, in het dorp tegenwoordig een bochel heeft. En dat heeft met de seizoenen niks te maken.

Zeef Mijn Ziel Niet !

Zeef Mijn Ziel Niet!

Er zit een code gekerfd in mijn
donkere ingewanden, die onder
zekere omstandigheden
mijn lippen doet pruilen,
mijn water breken.

Een kracht, alleen met
fluwelen handschoenen en zijden
blinddoek te benaderen,

kabels strak, touwtjes vieren,bloedgolven
in de binnenlanden!
Loszwierend sterrenstof en ander puin,
behorend tot de kringloop van mijn
verdronken leven.

Ach, zo glinsterend te zijn, een lichtroze
windhoos!

Laat mij maar wegwaaien, doorkrampen,
uitspoelen, ik
ben niet te redden, wat had je dan
gedacht?
Mijn smorende geest laat zich niet
de hand aan zichzelf, noch
geprakt door een theezeefje!

Zij is wat zij wezen moet,
puur en ongezoet,
een enkeltje
naar haar eindpunt.

Diarree en angsten

Stel de temperatuurfilter in zoals jij dat wilt!

Je eigen dromen zijn het mooist

the voice is over in hard roze

er is toch geen beter gevoel dan dat?

 

techreuzen worden van drie kanten bedreigd

digitale drones klinken en proosten

in willekeurige bistro’s

 

wat dacht je van een warme zonbestemming

waar het van de winter min. 20 graden is?

huistaal

zwaarbeladen pereboom vol gele metaforen, vol ooft
dat zwavelt en gist en geurt in het ochtendgloren
vaarten vol onverlaten raar in de bol geschoten,
paradijsvogelachtige, in zachte draaiingen verwachtige,
dienster van het neerslachtige, geurend-machtige
droomgrage vooruitsnellende dadengrage zuidenstroom
morgendivan vol frambozenhuidig fruitige vruchtverschuifsels
doorluchtig wuivende traagschreidende
autoriteit van tortelduiven op het plein
speel-mee met de eerste klanken carpe diem:
naijverige vroegte bij de karpervijver, schemer
verterende gemoedelijk
naast de eeuwigheid gezeten.
Meeuwengekrijs op honderd meter
tegen de platgehouden horizon
dauwlandschap parelend als een hemel vol vissenogen
hel zich uistrekkend onder wereldbogen
in het licht der onbedrogene gelijk
ijsschotsen drijvend naar de nieuwe wereld
de nieuwe dag in matgouden dageraden aangedragen
door vensters verbreid
tijdscherpe wekkervreugde, heugdelijke opsta-stemmigheid,
eerste zonlicht, liefdesvirtuose
la vie en rose
jij zachte kleinseptimeklank
prachtig-ranke lijstermime
maxime van meerkleurigheid
danken wil ik als eendengeklater, jij grote ogenschijn
in opengeslagen wijdte, reikhalzende honingraten
wang aan wang langs de gaande stroom
gelaten dromend in het koren staand
fluweeldoorvlochten wandtapijt, bekleeddwaardig geelgespikkeld
bravoureuze grimgram, beetgepakte stoere mannendroom,
mozaïek van spiegelstenen vol matoranje traankristal
zelden nagemaakte tsarenfladderaar van ingelegde
bladgoudkrullerijen en onverhulde boezemrijen
voorzichtig rijmende allesprobeerseres
drijfzand trotserende vrijgeleide
van nachtelijke rijkgekleurde wijkendheid
zinnelijk bezonnen leidraad van overdadige openhartige
tomeloos zarte gegenwart-verwachtige –
speel! met onze magere melkige betekenissen
verdwarrel over alpenvelden de bloesems
voel je een rond rotsblok verdwaald in de tijd
tussen water dat circuleert tussen
blaasbalgen die groeien tussen het wier
of in wilgen flapsig-wakker meisjeslachen
sproetenwangetjes half onzeker beschreven
springveer van opgewektheid abacus met rode kralen
kolkende regenzeeën laaiend zingend in eindeloos
liefgekozen verhalen,
roodbloeiende middelgebergte-bloesem
langs het pad dat zich naar boven kronkelt
jij nooit vergeten lelietje-der-dalen
steeds ontluikend, als de lentenatuur
als een wonder, spring op en maak ons deelgenoten
stuif ons aan de grenzen van wat zegbaar is
stuif ons aan de poorten
aan de poorten waar we met een knipoog
aan het moeilijkste manen:
de cirkel van vooruitgang in onze eigen borst te sluiten
dadelhuid, gerimpeld in de droogte van de zon
vochtverloren alabaster, mooie overrompeling
jij authentieke, laatverstane krans
kromdraaiige beeldenbestormster wormstekig
schuins beziene overall reformers
vormvolle avondjapon-blossoming ja-flierige
buitenfluiters, gaandewegs beeldgietende vrijbuiters uit
overtuiging, grandioze show vol hokuspokus echoloot-locus
van lieverlee verzakt met de zeebodem waar
triljoenen biddenden, voor hun liefde gewillig
willenden, wolpootjes samengebonden blondage
de heremitage met guitig opgestoken beeldschoon haar
lariefarie flikkend flakkende
snikkend snakkende hakkelaar
veel blijgebleven blaggeraars
de duur voorbij in een
vallée sans règles
waar brokaten sneeuwkristallen
in ijsgrotten blazen
uit de kars van vandaag draalt morgen
weer een dag, hemelser, flikflooiender
met de wijkende tijd tot de dood
een dag geurend naar kamperfoelie
en zachte lavendelbloesems, en we gaan
gezichten herkennen in witte stoom
we heffen een loflied aan op de bomen
naast de oudste olijfboom, en we vangen
de zon in sluiers op op ronde bruiloften
in luisterrijke dalen, doorstraald door
saudade’s kleindochter, haar vele gezichten
wemelend als rijp dicht aan de grond
dicht op onze zware tongen, en zo gaan we

min of meer uit: TongRiem.

Een Volgemaakt Iets

 

Raakt het (iets)
niet aan met,met,met,
de onbetrouwbare tengeltentakels
van,van,van…
het (Iets!)

Streel,aai,krabbel het (Iets0
Niet
met die Ernstige ogen
van het Niets (of Iets)
op steeltjes tussen je wilde haar.

Voel het (Iets)
maar niet(s),want
het (iets) is
niet jouw tastende vingers,
hoor toch en

schilder mij geen beeld!

Pluk mij geen bloemen
uit het (Iets0 gazon,maar

verwaarloos het maar
tot Iets en niets en het Alzijnde en

wees als het water
in mijn volgroeide vijvertje,

Schoon en troebel tegelijk.

Te lezen naar believen en/of beste weten.

Tegen de verveling

verveling verveling vervelling verveling werveling verveling verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling verveling verveling verveling verveling verwelling werveling verveling verveling verveling verveling verveling erfdeling verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling ververling verversing verveling verveling verveling werveling verveling verveling vervelling werveling verveling vervelling vervelling verveling werveling verveling verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling verveling verveling verveling vervelling verwelling werveling verveling verwensing verveling verveling verveling versterving verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling ververling verversing verveling verveling vervelking werveling verveling verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling werveling verveling herverdeling verveling verwelking verveling verveling vervelling verversing verveling verveling verveling verwelling werveling verveling vervelling verveling verveling verveling erfdeling verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling verlenging verversing verveling verveling verveling werveling verveling verering verveling werveling verveling verveling vervelling werveling verveling verheffing verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling verveling verveling verveling verveling verwelling werveling terechtstelling verveling verveling verveling verveling verwerving verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling verwensing verversing verveling verveling verveling werveling vervelling verveling vervelling werveling verveling verveling veredeling verveling werveling verveling verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling vervelling verveling verveling vervelling verwelling werveling verveling kerfgeding verveling verveling verveling erfdeling verveling vervelling wervelking verveling verveling vervelling vervelling vervelling verlenging verversing verveling verveling verderving werveling verveling herverdeling vervelling werveling verveling verveling verveling vereffening werveling verveling verveling

uit ‘ het dagboek van Anke Veld’

28/01/2019

vast in taal. ik praat, ik schrijf, jij hoort jezelf, je eigen falen, wat ik ook zeg. ik denk aan die toren toen, van Babel, de spraakverwarring. ik zie die hele volkeren splijten.
het zit m in de woorden, dat denk ik dan, het misverstand. en ja begrip is vrede, onbegrip een oorlog, met vijanden en al.

voor begrip is luisteren nodig, en lezen. de woorden zoals ze er staan, zoals ze klinken. ja onder lagen stem, stem die veel verduistert, het stralen ook, van ogen, gezicht, mimiek.
hopen emo, stiekem opgeslagen in rimpeltjes en tikjes allerlei. in vlekken, littekens, een stuk minder of andere huid. dingen die ontbreken ook, niet rustig zijn.

ja taal is hopelijk het communiceren met woorden, elkaar helpen en onszelf, met dingen die ons gelukkig maken.
zoals sommige woorden, zoals met liefde, begrip.

luisteren is woorden aaien, ernaar kijken, alsof je die wil kennen, zoals ik dacht dat ook liefde was.


omzeg ik een zin, de woorden blijven bij de woorden medelijdend staan.

roer: ik tast mijn roeren aan en ik bekijk de spatel die ik heen en weer en heen vergeefs beweeg. waar ben ik?
licht: ik strijk het licht in kleuren uit, gestolde plaatjes van het duren van de weigering. zij houdt van Hem, Hij wijst haar af, ik hou van Haar, zij walgt van mij.
doof: ik uit de woorden die als motten in mijn keelgat slaan. ik walg, ik stik, ik slik. houdt Hij van Haar?
blind: ik zie een lijf dat leeg zijn liefde biedt aan mij. wie zijn wij, en waar?
daar: een voorwerp van verlangen gooit mij van hoog de gebaren van het falen in de open hand. ik vang een slipje met haar geuren.
er: mijn mauve stilte donkert er tot blauwig grijs. zij neemt mij in de mond.
ach: hij zoekt het spreekgestoelte. ik grijp zijn benen bij de haren vast.
ja: ik kom in haar, zij jankt, ik duw haar van mij af

ik spartel op de vloer.

de gebeden bleven steken in een lus van onbegrip.
mijn lichaam drukt zich nu volledig uit en af in de muffe kamerlucht. de walm is onuitstaanbaar: verschaalde lust en weemoed, zweet en drek en dan de onvermijdelijke maalstroom van verdriet, de alsem van de pijn, de lijkgeur van de nietigheid.

o nacht: ik voel de Zon al razen, ruik het solfer van Zijn dageraad.

27/01/2019 – dagboek data

 

begripsdagboek (fragment)

Ik kan nergens heen vluchten. Ieder woord is een lichtstraal gericht op een kern die niet meer is dan een geloof. Begrip is secundair. Zo’n diepe ontevredenheid met de taal kan alleen een chemische oorsprong hebben. Een samenzwering van hormonen, van moleculen, saboteert deze woordenstroom. Ik doorloop alle mogelijke narratieven maar er is er geen een die ik de moeite waard vind. De reden, dat ik dit malgré tout moet schrijven, is het zwak schijnende geloof, ergens in mijn onderbewustzijn, dat ieder woord een plek heeft en een exacte reden, ongeacht het onwaarschijnlijk slechte gezelschap waarin dat woord verkeert. Dit is het meest oorspronkelijke geloof, het geloof aan de taal zelf is fundamenteler dan het geloof aan een instantie, een god, die bepaalde woorden een goddelijke status geeft en zo religie mogelijk maakt: de idee dat het geloof zich hecht aan bepaalde inhouden en dat betekenis voortkomt uit het bevechten van tegenstrijdige inhouden. De macht van die monsters mag niet worden onderschat. Maar vanuit mijn perspectief, als iemand die zo lang alleen is opgesloten en zijn taal heeft voelen uitdoven, totdat zij zwakker was dan het flakkerend schijnsel op de koude granieten muren, zijn ze behept met een verkeerde, hysterische oppervlakkigheid.
Uit: Verweer (2019)

#236

#236

 

Het ligt niet in de aard van mijn heilig
surrealistisch huisdier om tevreden
voor zich uit te staren, van alle kanten
loert gevaar en de monstertjes zingen

een treurlied over vaders versleten
duivenhok waar kwetsbaar en verlaten
de oude vogels dansen als ratten in
de val nu de zomer voorbij is en

ik hier weg moet zit het gruis tot diep in
mijn haarwortels, nog groen valt de nacht die
ruikt naar vermoorde bomen, ademloos

wachten de ongeborenen en verdwijnen
te vondeling gelegde eendagsvliegen in
september uiteindelijk in de troost van pijn

6/01/2019

uit ‘het dagboek van Anke Veld

“fuck the future: wat niet is, moet komen.”
Anke Veld 1/05/2021

 

ik lig in bed, ik waak, ik woel, ik vind geen aarding
in het draaien, keren dat ik doe.
er is een beeld van jou dat door mijn wezen jaagt, 
het laat niet af, het houdt niet op.

jij ligt in bed, ik duw en streef en sterf in jou.
jij kreunt omdat je niet meer kan,
je stamelt ‘nee’ en ‘nee dit kan niet nee’,
dus ik ga nog meer in jou tekeer.

en dan

de nekslag achteruit,
je drukt je achterhoofd de kussens in,
dat zachte wil niet kennen deze kracht van jouw ontluistering.
de aarde wijkt, de zeeën splijten,
monsterbaarlijk is geheel jouw lichaam
dan gebeurtenis, ontwaken:

je slikt en

in het bulderende suizen van het stille punt
omvormt zich tot kolos, kadaver en geraamte van de tijd
het woeste beest dat in je hals als honger leefde, de mastodont
die slokt, en slokt in de verpletterende zwaarte van zijn reine git
en die mijn snokken vreet, mijn spasmen, en die de kamer eet, en die heelal en jou verpulvert en vergeet.

uit jouw lichaam dan stijgt langzaam op
versplinterd licht
het zilveren zingen van gods glinstering.

 

Ach senliches leiden

O verstikkend lijden
mijden strijden scheiden wekt mijn wee
beter nog verzonk ik in de zee
fijn aanminnig wijf
uw lijf beklijft verdrijft naar josafat
hart moed zin & rede even mat

ons scheidt de dood
nu uw gena niet baten wil
de nood is groot
mijn zuchten berg ik stil
uw mond zo rood
vergroot mijn lust & zwijgt & blijft zo kil
einde peinst & grijnst ik gruw & ril

~

Mijn hart schreit schril & klein
verdrijft verkwijnt verdwijnt tot mijn verdriet
uw min biedt niet dan pijn in mijn verschiet
gelijk te zijn aan de dolfijn
diens lust voert naar de diepste oceaan
ontvlucht de storm & zie hem vliedend gaan

van zonneglans
die hem verkwikt zijn geil gemoed
omklem die trans
met al uw vrouwlijk liefste goed
geef hem een kans
niet kerven sterven derven hertengloed
zo ver van u verga ik nu & bries & woed

~

Mijn hoofd is dwaas omkranst
met klagen vragen dragen uur na uur
duizend jaren brandt mijn liefdesvuur
mijn jammer een sintvitusdans
’s nachts smacht veracht mijn eigen kracht
verstrikt mijn hoop gans kansloos in haar macht

geen die mij troost
al is mijn lijden twijfloos groot
mijn hart verbloost
van zelfbeklag kleinzielig & ontbloot
och word ik ooit verlost
het treuren beuren sleuren dat zo knaagt
gekte grijpt & knijpt blijft onversaagd

~

 

Oswald von Wolkenstein, Ach senliches leiden, 1432
tweede proeve van vertaling

https://www.youtube.com/watch?v=zVBUNLEOKkk

het lied klinkt vanaf 6:33

midwinternacht

op onbekende afstand ritselt een faun – wij mensen wachten
een enkeling ontdekt deze nacht sepia in zijn brein en verhangt zich

de hoorn schalt, de koffiemolen ratelt
de bosgod zwelgt in het zicht van de verderfelijken
verderf slaat de zwarte toetsen aan – wij wachten

wij mensen waken in de wetenschap van de eeuwige nacht
waken en liggen aan elkaars slapen, wij waken en slapen
wij mensen waken en slapen in de midwinter-
nacht

wacht! gij die de nacht heeft gezwart gij
zult tussen ons slapen, en tussen ons en tussen ons gij
zult tussen ons slapen.

Stelling

opinie geuit in de sociale media over de subsidiecriteria gehanteerd door het VFL inzake auteurslezingen:

“voor mij heeft het minder met de centen te maken dan met het principe: men subsidieert op basis van achterhaalde criteria en miskent daardoor niet alleen auteurs die minder mainstream werken zoals visuele dichters, maar men miskent ook gans de realiteit van het schrijven en belemmert daardoor eerder een gezonde doorgroei van de letteren in een gans andere, totaal omwentelde schrijfomgeving. Uit angst voor de instorting van een oude orde die al decennia niet meer bestaat, belet men de ontwikkeling van de nieuwe mogelijkheden. Als je zoiets doet met middelen van de belastingbetaler dan ben je of je dat nu beseft of niet, want dat voordeel van de twijfel gun ik hen van harte, bezig met volksbedrog in functie van geheel contingente financiële belangen en niet met het bevorderen van de Letteren.”

Nocturne

Nocturne

Gott meint es gut mit jedermann,
Auch in den allergrössten Nöten.
Verbirget er gleich sein Liebe,
So denkt sein Herz doch heimlich dran.

Cantate BWV 188

 

sluierwege slaapt
haar blikken sneeuw
tikt het ik in binnenik
oogst of oogt noch oorlog
heur stiekeme geeuw

hoe weet de oehoe
hier de leeuwen
van mijn misverstand
ik ben er wel maar niet
van alle eeuwen

eens per hartslag
zal ik waken
dertien omloops lang
uw ziel en heil
zal ik drama slaken

van de verre lila kim
steek ik over naakt
hopend op uw telescoop
zoek hand in hand
de ster die immer waakt

neem mij dus louter ‘s nachts
ik ben in lood gehuld
indigo licht ik op
wanneer uw vingerspreeuw
mijn liefste zucht vervult

 

 

 

 

ill. Wiebe Bloemena, 1963, 2009

 

 

Reglement voor ‘t scheepsvolk

Reglement
voor ’t Scheepsvolk

 

ieder man een volk dat scheepgaat
laat zich voeden met ’nen zilten droom
weggaan & weerom weer weg no home
de buik niet scheurt & lopen laat
waar vrouwlief wacht & wacht
wacht tot de weerkomstnacht

in deze vademen verdrinkt geen vlag
geen vlinderslag zinkt zingend dingesdag
de haai gemist de boot verkist
het heerlijk sissend zeemansgraf

– voor wie aan armoe sterft
is dood te groot te sakkerlood

 

 

Zondags.
½ mutsje Genever aan ieder man

 

het tere licht gutst in de vingerhoed
koopt koper voor de mannenmoed
de muts de smokkelwaar
gemaakt van droom & adelaar
wie arend is & aarde omnivoor
kom om & om ivoor voor wederhoor

godlof om ’t schom’lend vocht
dat stilaan brandend alle zwansen
in den nijv’re blik doet dansen
om wat de zee vermocht – verzocht

 

 

Maandag.
Peper, Mostert, Boter, tot sous maaken

 

zo eenvouds stille ingrediënten
smaakt ruwe bolster zoet & goed
stokvis & emmers erwten venten
die topkok tovert uit zijn hoed

maar niet aleer de jaagster met het koele hart
zich groot maakt in ’t alom bespikkeld zwart
die ieder man graag vreezen doet
voor heur helse honden & de knoet

 

 

Dingsdag.
2 emmers Witte Boonen voor ieder 100 man

 

hier met die emmer! begot
wij zijn met vijftig & niet zot
de maankleur is ons lief
het is een dag voor domme dingen
om schootsruim uit te zingen
veel vrouwenvingers alsjeblief

het wit van bonen opgesmukt
voorzegt het muizig mutsjelief
’t is u gelukt & afgerukt
dat aanstonds spreken zal
& heerlyck opgeleukt mijn waterdief
mijn logboek siert & steekt van wal

 

 

Woensdag.
40 Pruimen of 20 Corenten ieder 100 man

 

bij elk paar pruimen wordt gesteld
dat één corent wordt neergeteld
op zee zal elke golf zich schamen
voor eigen schuim en amen

dit komt doordat de spoeling
eens zo dun is als verhoopt
& elke zuivere zilthapmossel
slechts waan is & gedroomd

’t is deez’ corente duivelsdag
dat alles zich verliefd verknoopt
& elke vale meisjesmossel
zich verpopt: als pruim zich toont

 

 

Donderdag.
Vleesch ieder man
om alle ongelukken van ’t koper voor te komen

 

centurion kom aan kom kees
vetmest de aarde in ons lijf
verwaan verwen verwees
totdat we hijgen bij het wijf

als venus bloeden moet & doet
& van de honderd nog slechts tachtig resten
wij slobb’ren strijd & bloed & goed
& naderen het wuivend westen

 

 

Vrijdag.
½ Spek voor ieder man

 

de bek staat open is gebroken
maar ’t zwyn zal ons doen koken
haar veile vet is onze kracht
haar lillend vlees zo rijk zo zacht

’t schuim schudt schalks haar lend’nen
& reken reken reken maar
dat we de steven zullen wenden
bij ’t glimmen van heur hoerenhaar

 

 

Saturdag.
tot Grobbezak, met Wyn, Zuiker, Tamarinde, na ’t behooren
½ mutsje Genever voor ieder man,
en het over gebleeven eten

 

& vrouwlief wacht
al tot de weerkomstnacht
wat over is dat is gebleven
rest slechts ’t zingend beven

van al wat zoet en zoutig is
langs venus’ vrome dreven
& goed & goud de nis
waarin ik kom tot leven

het mutsje spelt mij uit
wat wacht als haar & huid
ik doop mijn ruwe snuit
in ’t zachtzilte van de bruid

 

 ♣

 

 

I Corente 13:3

 

ill. Anon. VOC-schip De Noord Nieuwland, 1762

 

 

 

 

 

 

 

Alle paragnosten hebben een luisterend oor

 

 

In een veeleisende omgeving

genereert een patiënt gewoonlijk

een terabyte aan gegevens

 

voor diegene die het vergeten zijn

in ons gesprek

komt de informatie vanzelf

door middel van automatisch schrift

krijgt u altijd een eerlijk

en positief antwoord

 

de psychologische voor- en nadelen

van uw relatie tot de ander

belicht ik in detail

 

in een negen weken durende studie

die de koers van

uw leven zal veranderen

 

we kunnen als u dat wenst

ook een voorspellende legging

voor u doen

Schikt het u?

 

Schikt het u?

    – de Moiren spreken

 

Clotho:

Ik weet, u heeft nergens om gevraagd
maar aanvaard deez’ zilveren draad –
Uw heil en ongeluk hangen ervan af
u ziet mij niet, maar ’k weef uw straf.

 

Lachesis:

Dat denkt zij maar, daar aan ’t getouw
ík ben uw engel, blijf u eeuwig trouw –
Uw kameraad ben ik, bij elke dapp’re stap
nee lach maar niet, ’k ben verre van een grap.

 

Atropos:

Ik ken die grootspraak: cynisch, valse hoop
eeuwig? waanzin. ik ben uw laatste knoop –
Uw grootst geschenk ben ik, uw snelle mes
u bent geweven, ik haal het uit – dé levensles.

 

     ~

 

 

 

 

ill. titelpagina Lucas Cranach der Ältere, Das Parisurteil (detail) 1530

ill. hieronder Salvador Dalí, El Mundo, 1984

 

 

Salvador Dalí, El Mundo, 1984

 

 

 

 

Enkele bedenkingen, duaal, desnoods

Enkele bedenkingen, duaal, desnoods

 

            I

 

kunt u zo gereformeerd mogelijk door die klei lopen?
langzaam vaar ik op haar toe, ik kus de zeep bezopen.
haar tong elektrocuteert beide dijen mijn, ik hoor haar hijgen.
mensen die lelijke muziek maken moeten de doodstraf krijgen.

met zo’n vervaarlijk vrouw mag je je gelukkig prijzen.
tenzij je doodgaat natuurlijk, zonder af te grijzen.
schik een beetje op, meneer, laat me mijn droom begaan.
je beeft, want als de sterfte leeft, heb je er niets meer aan.

doorroeien, matroos, hier is het zeil, uw geil is veil.
gereformeerd? moi? & klei? waarin huist uw ijlend dweil?
een oeverloze levensvraag. als isis zoekend langs de nijl.

zo ben ik dan ook weer wel, gij onbesuisde blaag.
nu in de aanbieding: de exclusieve bottenzaag.
ei, ei & ei, de queeste is onbarmhartig vaag.

 

 

            II

 

hier is mijn touw, uw zweep, o lieve leep.
’t is gauw gedaan, met tape & sunlight zeep.
gereformeerd of niet, immer een reet in ’t verschiet.
lik mijn hooggesloten schoen, toon fatsoen of niet.

uw sluier maakt u geil, & tot mijn plezier, bezit.
ocherreme, schriel balkenbrij, laat zien uw slappe lid!
en als ik uw fier fameus flamoes eens likken zou?
geen corset zo nauw, of ’k sla uw billen blauw.

u maakt mij bang, is al wat ik vandaag verlang.
daar verderop, uw borsten groot & bloot.
waag ’t niet, gij worm, of proef mijn balzaagzang.

ik handel naar wat ik zie, u bent zo goed als dood.
waterpomp & tang, verboden zuignap, slecht behang.
koop ons waspoeder, slik ossengal, bederf als schroot.

 

 

            III

 

uw ogen zijn als dadels, gevoed met droesemgif.
zeg nog eens zo ah, uw lippen zo vaneen, zo grif.
lui als de leliën des velds, uw halfslachtig opperdoes.
eens als de bazuinen klinken, sla ik u tot vogelmoes.

er was een paap, een pruimensnoeier, een waar priaap.
het kerstnummer staat ruk overeind in vleesloos gaap.
och dat gij mijn broertje waart, ik sloeg u lam & lens.
nee, dan het steig’rend paard, dat zet mij in de hens.

o mens, beween mijn zonden groot, & zing voor mij.
melk, goed voor elk, liegt van liefde, dwaze sjankerzot.
bijt, sla, trap, vernietig mij & snik me bach zo blij.

dan sterf langszij & verzucht nog eens er is geen god.
allerhande troetel mij, meng pijn & smaal daarbij.
ik ril en zie niets meer – is genot triomf, triomf genot?

 

                        ~

 

 

 

 

 

 

 

Frederick Carl Frieseke, Nude in Dappled Sunlight, 1915

De leefclub

De leefclub

 

I

 

Want ja, wij willen maar wat graag zijn
de machtige magiër, die met zijn megalomane manieren
de meervoudige merites van dit ondermaanse manipuleert,
of de wijze, want wijs lijkt zij, vrouw die in de speciaal
voor haar opgerichte tent de haar toegewezen bezwarende
boekrol beduimelt die zo te zien haar erfgoed is – de enige hier
die terecht een sluier draagt, van huis uit.

En neem de van godweetwat bezwangerde Venus, die uit het water
oprijst, of erop troont, als was het haar terrein: de kracht die
in haar arrogantie huist beweert bergen tot bewegen te bewegen,
mannen tot minnen te manen.
Ook haar eega verschuilt zich niet – stoer en stompzinnig zit hij
neergezegen, heeft zich verkleefd met de stabiele zerk
van zijn materieel vermogen. Natuurlijk ziet hij de dood niet,
die hem vanavond halen gaat in Ispahaan.

En dan is er de geleerde, de goeroe die zijn bijoogmerk verbergt
achter zijn baard of zijn betweterig tonsuur – hij heeft, beweert hij,
onmisbare info, van hogerhand. Dus huiver en luister – er zit
niets anders op.
Voor wie niet kiezen kan, hebben we hier de dwingende tweesprong
van Amor geïnstalleerd, zo u wilt met pijlenregen. Daar
komen lastige kinderen van.

En het allerstoerst is natuurlijk onze huis-tuin-en-keuken-Hell’s-Angel,
zwaar gemotoriseerd en bedreven in het snode plan. Knipoog
naar Apollo. Niet dat hij ver komt – te veel spaken steken er
uit zijn dwarse, steenzware, zo niet leilompe wielen. Hij
roept maar wat, de modebewuste new-age-yup.

Waar blijft Salomo, vragen we ons af. Iemand moet hier toch wijzen
op het moederschap? Ah, hij heeft zich vermomd als een zij. En om haar
overijverig steven te staven, toon zij ons haar mooiste keukengerei.
Wég van hier. Op naar andere, dieper gelegen regionen! Geheel
abusievelijk heeft onze blinde vriend zijn potsierlijke zandloper
verruild voor een wat onstandvastige en sowieso hier en voor hem
onnutte kaarsvlam – die telkens uitwaait – want tochten dat het hier kan!

Enfin, op deze noordelijke bergrug – onvindbaar op de kaart – heeft
Moedertjelief haar toestel geïnstalleerd – een wankel en onmooglijk
staketsel dat volgens haar, en haar drie onafscheidelijke speeltjes, ge-
groepeerd rond de wat uit het lood staande spil, een geolied perpetuum
mobile moet voorstellen. Stel je voor!

En bij deze club, dit stelletje ongeregeld willen we horen! Het
inschrijfgeld, zo vernam ik uit bedenkelijke bron, komt geheel
ten goede aan de eerste de beste flapdrol die het geheel,
de zin, de toedracht weet te doorgronden.
Mooi meegenomen.

 

II

 

Hoe anders ligt ’t bij de rest! Die motorpipo van zonet heeft z’n wrakhout
verpatst, en gaat nu gewapend met honkbalknuppel de arena in. Daar
zal hij de toegestroomde goegemeente verbijsteren met zijn dressuur-
en slagerskunst. Hic sunt leones.
Het loopt niet goed af – dit wordt een lynchpartij van het zuiverste
water – vreemde vruchten dragen de bomen hier!

Maar we zien hoe ’t komt: die ene lange met z’n zeis is debet aan de
nu glashelder aan het licht gekomen alomtegenwoordige en niemand
ontziende maatregel. Deze douanepost kom je niet levend en schoppend
voorbij. Even goede vrienden.

En zo zit het dus met de meeste anderen, of ze nu wat onnozel
staan te emmeren met hun vleugels van was en een blik van
kijk mij nou de feestartikelenwinkelier uithangen, of dat ze
de algehele wanhoop nabij uit de rokende architectuur van de
megalomane skyline springen, vliegen, zich laten vallen, dwarrelen,
iets is er, iets zijn ze vergeten – de bokkepotige jandoedel die
ze grinnikend zijn welgemeende mores leert. En waar
kennen we die vrucht van, daar in zijn obsceen glimmende
schoot?

Maar er is licht.

Onze bakvis heeft hiervan iets opgestoken – en dat is ha niet
heur haar – als een volleerde volbloed centerfold
poseert jarig jetje bij het staande water. De goegemeente bloost,
daar zij haar water loost. En dat is de schuld
van die ster! (Die krijgt nu eenmaal altijd de schuld.)

Nu ook de andere hemellichamen er zich mee lijken te gaan
bemoeien, schiet de fabuleuze kakofonie van de fauna door de ether.
Links het wild, rechts het gedomesticeerde stemgeluid van wie beter
ruiken, jagen kan dan zien. De grijnslach van de echo heeft dorst.
En bloedrood is het hier.

De muur, speciaal opgericht voor het onnozele danspaar dat
ongenodigd voor de nodige stemmingmakerij moet zorgen, is er
om omheen te gaan, om de zon te ondergaan en te zien ondergaan,
dat is buiten kijf. Daarbij zingen de doden dan zwijgend hun volkslied,
De grap van God.

Nee, echt grappig is het in het ondermaanse pas als de flierefluiter,
de paljas, de pruimensnoeier, de bacchant, de lelie van het vrije veld,
de natuurwetten tart en een staaltje levensgevaarlijk bungeejumpen
in petto heeft voor wie hem een cent geeft. Aan de rand van de af-
grond, daar is het goed toeven.

Hoe anders in het starre wereldbeeld van het kompas, de radar die
de raderen in het oog houdt, stuurwiel van het heelal
– is dat hetzelfde als het universum? – misschien zelfs wel het Al.
Waar typjes als Kali, Maya, Sofie, of hoe haar wellustig ouderpaar
’t gedrocht ook genaamd heeft, Inanna,  Lilith, met haar slangen speelt.
Eurynome. Hier staan zelfs de wielen stil,
ook al zijn ze met z’n vieren. Want er is niks te vieren.
De wacht is op de vroedvrouw van het woord.

En dat er iets te vallen valt.

 

 

 

 

 

ill. Salvador Dalí, Templanza, 1984

 

 

 

 

 

Als wanneer wie ooit

 

En als

de verschrikking God verlaat en hij zich alleengelaten
in de handen wrijft, zijn zelfverklaarde eenzaamheid
overziet als een afgebrand bos waar gisteren nog de
vossen slag voerden met de eieren van godweetwelke
amfibie, leggen overal op aarde vrouwen hun sluiers af
en mengen zich onder de beverige mannen van het
publiek terrein, terwijl de loper uitgelegd wordt voor
hun onthulde schoonheid, die zo oud is dat zelfs God
het zich niet heugen kan. Ze zijn vormvast en ontfermen
zich over de paar vossen die nog over zijn. Pas dan
zullen zij zich met hun mannen bemoeien. En ontstaat er

 

een heel ander weertype.
Pas dan.

 

Of wanneer

de piepende rollator van de gepensioneerde beul
vastloopt in het ijverige zand en de goede man zijn
laatste kaarten uitspeelt en inlevert, weet de moedwillig
blinde grootmoeder van het recht het licht op waarde
te schatten en stapt samen met het verwende zoontje
van haar bastaard van de schaars begroeide rotsen. In
haar verdorde hand wordt evenwel een brief aangetroffen
die boekdelen spreekt over haar merkwaardige voorliefde
voor maanlicht

 

en alles
wat staat of valt.

 

Maar wie

zich hult in ja en nee bedoelt zal de hand aan zichzelf slaan
bij wijze van straf en in hoger beroep veroordeeld worden
het heelal te overleven. Geeft niets, heeft niets. Als maar tijdens
het luchten de stilte stem geeft aan de donkere maar rijk
belauwerde spiegel van de liefde die tot aan het einde wordt
verstrekt. Het is zonneklaar: ze heeft alles in huis. En

 

de wind
werpt het laatste woord.

 

 

 

 

ill. Egon Schiele, Herbst Baum gerührt Luft, 1912

 

 

Abusievelijk Abc

 

Abusievelijk Abc

 

Alle geile zalmen zwemmen naar zee
dansende darren opwaarts de stroom
sip als een boemerang niemand zegt nee
            de wetsteen is wet waar zonder schroom
            boekdelen lallen van bronst onverlet
            in de alom tierende vroomzieke droom

 

Braak liggen de gronden voor wie kust
van de dageraad de aars met z’n baard
ah zie de moede koe hoe zij troostrijk rust
            haar kop op de kont van haar zus
            & langs alle waarden naar hun aard
            het schaap haar eigen schaduw baart


Chef-kok baldr aanhoort zijn gerecht
alles van aarde liegt & ijlt het is
wat men dregt & wat u zegt net echt
            vrijmoedig u leest hier op de plee
            de aan hitler toegeschreven goudvis
            eerlijk erfgoed – t zit m niet mee

*

Zo speelt in haar zelfvoldane spelonk
de nijvere arbitrix
met haar goddelijke vonk

 

 

LIMBO™

LIMBO™, een ingrijpend audiovisueel en olfactief meditatieprogramma van DanTechⓇ – met gratis oefening!

Opstelling

  • stel: er is een tijdstip vooropgesteld waarop je hier weg kan
  • stel: het tijdstip is jou onbekend, je weet alleen dat het ooit komt
  • stel: je kan het verschrijden van de tijd aflezen aan  een periodieke wisseling in de lichtintensiteit (duister ->zwart->duister)

Beschrijving

je ziet (vanuit een standpunt dat langzaam voortbeweegt, alsof je wandelt door een kunstgalerij):

  • bleke gezichten (neutraal)
  • een voetspoor dat zich verderzet door een onmetelijke woestijn alsof er een onzichtbare man blootsvoets doorloopt
  • straatbeelden van een verlaten (groot)stad
  • sprekende, roepende, verwijten snauwende monden (met grauwe lippen)
  • een boom die plots al zijn bladeren lost, de boomstam splijt, de takken worden slangen op de grond
  • spugende oudjes (richting standpunt)
  • spugende kinderen (richting standpunt)
  • bloedende onderdelen van vreemde lichamen
  • bloedende onderdelen van jouw lichaam
  • herkenbare onderdelen van het lichaam van jouw geliefden vermengd met onbekende lichaamsonderdelen
  • beelden van de reikende armen en handen van jouw geliefden die transformeren in wurgende tentakels
  • een ambtenaar die systematisch alle entries in een database wist (het zijn de talloze items uit jouw geheugen)
  • toekomst beelden van jezelf, naakt in een hagelstorm, strompelend, bloedende schaafwonden op de dijen, het hoofd, de armen, ontbrekende lichaamsdelen
  • het lijk van je vader waarvan de ogen plots opengaan
  • deze tekst, waarvan de letters tergend langzaam verdwijnen in een egaal wit veld
  • een eindeloos vuil,  bruinig tot wit veld, glooiend en zachtjes deinend met opstijgende dampen onder een paars verkleurde zon (stapels wormstekige  lijken)
  • een ellenlange stoet van vrouwen op leeftijd die halfnaakt, met uitgezakte boezems en buiken lonken naar jou
  • jouw spiegelbeeld, jouw gelaatstrekken vervagen, stompen af, de openingen groeien dicht je hoofd wordt een egaal vleeskleurig ei

je hoort:

  • het trippelen, knagen en wroeten van een rat
  • het druppen van een kraan
  • het razen, veraf, van het drukke stadsverkeer
  • schrille vrouwenstemmen die verwijten schreeuwen
  • huilende kinderstemmen
  • zwelggeluiden als van monsterlijke slangen die lijven verorberen/verteren
  • een bange kinderstem zingt een liedje over Heer Halewijn
  • een droge knak gevolgd door een oorverdovend geruis, urenlang herhaald
  • ontploffingen, knetterende vuurhaarden, ondergronds gerommel
  • een  nauwelijks hoorbare klaagstem, een oude vrouw die jammert in wat Russisch lijkt
  • droog pokkende ratels van machinegeweren
  • stemmen die diep-aangeslagen onverstaanbare dingen zeggen (alsof ze je willen helpen)
  • het snerpende gelach van een koppel in bed, een van de stemmen herken je als die van je partner

je ruikt:

  • versgebakken brood waardoor zich traag een brandgeur mengt
  • opgewarmde koffie met cichorei vermengd met rioolgeuren uit een slecht afgesloten afwasbak en muffe lakens
  • het zweet & geil van een jouw onbekende vrouw (man)
  • rot kippenvlees
  • verstaald bier, gordijnen met de walm van sigaretten
  • verstikkende rook
  • ammoniak
  • de zee, gradueel verglijdend naar de stank van een open riool en terug

Oefening

  • herhaal: er is een tijdstip vooropgesteld waarop je hier weg kan
  • herhaal: het tijdstip is jou volslagen onbekend, je weet alleen dat het er is 
  • herhaal: lees wat je ziet, wat je hoort, wat je ruikt
  • opdracht: geniet van je dag met LIMBO™

Een storm vervolmaken

Buiten bereidt men een storm voor

en ook binnen is het stil.

Het apparaat is klaar voor gebruik,

u kunt de meting starten.

 

Van de weeromstuit de dichter

ligt er sprakeloos bij met halfglazen blik.

De pax poetica heeft hem te pakken.

Hij mompelt zelfs niet meer.

 

(Dit gedicht is in Amsterdam afgedaan als mechanisch; terwijl het eigenlijk nogal procesmatig is. Tja, in Amsterdam zijn ze niet altijjd mee met de stroming buitengaats)

Ergo

Ergo

 

En de maan van was wast of geen duister was
haar aanschijn wars beplast alras het luisterglas
kil verstilt het witte wif & alle dimster sterft en masse
zi dommelt schrilings in heur sas op ’t sterrenras

Rechtstandig vlaagt & vraagt & vaagt de hemelzoon
de heuvels om de doem van dal & al verschoond van schroom
sterker dan de zon, de zee, het brullen van de modderstroom
regen wast de wond’re wijze wei-de we-rèld rein & schoon

Ga dan, wees & rijs, reiziger in lingerie zo zij & zacht
zoek de verschillen, het kruipbehang, de korenwan
eens in de optelsom van haat & smaad raak ik uw vacht

O dank, ik denk, vandaar mijn lief ik ben & ban
de lustloos bange pen die dag pent waar de nacht
herwint haar roep & licht & overmacht o daar niet van

 

 

 

 

Pro-cd

daar staat wat wens en waar
is menselijk beschreven

Lucebert, Ballade van de goede gang

 

Pro-cd

wij veranderden schaterlach in klaterlach
spraken van het dagerood & liefdesbloot
dat van jezus was rotfruit dampend schroot
te zwaard te wreed wat de god ervoor gaf

wij lachten om jezus & jezus lachte om ons
narren waren we lammeren des doods
al het bête blaten onnoemelijk groots
d’almachtige gaf ons omstandig de bons

haha maak mij de pis niet lauw
keer de buik met lachgas & gezag
hoho galmt de dweil langs steigerbouw
jeukt het je boven de ogen, als dat mag?

hihi hikt de knikkerroffel van de specht
een warrig godsoordeel maar dan net echt

 

met dank aan Engred Kremer voor de pis & de jeuk
en Maaike Molhuysen voor de knikkerroffel (op marmer)

ill. Clovis Trouille, L’irrévérence

Knock-knock-knockin’ on heaven’s door

 

 

Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden,
de dageraad zijn plaats aangewezen?

Job 38:12

Mama take this badge from me
I can’t use it anymore
It’s getting dark, too dark to see
Feels like I’m knockin’ on heaven’s door

Bob Dylan


Het antropocentrisme, nieuw of niet, is een perspectief van zelfoverschatting, hoogmoed,
zo je wilt – precies het tegenovergestelde, het besef dat we als mens een rol spelen binnen
het decor van onnoemelijk veel grotere en complexere krachten, en zelf een natuurverschijnsel
zijn onder de natuurverschijnselen, inclusief onze menselijke cultuur en voortbrengselen,
zou een zinnige bijdrage kunnen zijn aan de waargenomen veranderingen, waarvan we
onmogelijk het hele spectrum kunnen overzien. De mens is net zo goed speelbal als speler
binnen het chtonisch decorum, en zowel verantwoordelijk voor als slachtoffer van de
instandhouding van de dampkring – daarin verschilt hij bijvoorbeeld niet van het insect
of de bacterie.

De zelfoverschatting zorgt voor stagnatie en niet voor ontwikkeling.1)

Het is natuurlijk mooi dat de mens zich zorgen maakt over zijn leefmilieu, gezien door
menselijke bril, en tracht ontwikkelingen te beheersen of zelfs tegen te gaan, maar hij is
vooralsnog nauwelijks in staat te denken of handelen buiten zijn culturele actieradius
of drang tot zelfbehoud. ‘Ons’ grootste probleem is de overbevolking van de soort, en de
desastreuze monocultuur. De aarde en de dampkring overleven dat wel, ze hebben voor
hetere vuren gestaan. Het is allemaal een kwestie van perspectief (en, helaas, ook van
politiek en onderlinge strijd).

 

 


1) Friedrich Nietzsche, Die fröhliche Wissenschaft, 1882

ill. William Blake, Jerusalem (detail)