Tag: lyriek

Viola d’amore

Viola d’amore

 

o mijn pergola, hoorde je dat?
de aren strijken langs elkaar
en elke ruwe klank vergaat
vrijwillig in haar vijver waar

prinsessen twee emmertjes water
halen in het vliedgezang van bach
met vioolgesnater & springgeklater
van hun zilv’ren vissenlach

het bassen van de bedding mag
liever vier maal vier maal vier
uw verlieven aan de held’re dag
onderschrijven met zijn tranenwier

o mijn pergola, van tuiten zat
volg ik uw zuchten, ben uw hert
dat aan de oever zingen staat
bij uw zesde brandenburgconcert

 

 

 

ill. Gustav Klimt, Vissenbloed

 

 

 

https://www.youtube.com/watch?v=YZW791uMSAQ

 

 

 

 

 

 

 

 

ik wacht tot held’re vissen zingen

 

ik wacht tot held’re vissen zingen

tot namiddags weifellicht vergeten

doet dat schimmen zijn de mensen

& ijl verdwijnend in wraakzuchtige

      & voortvluchtige raamkozijnen

 

van de middag tot de avond is

je stem niet meer dan doorzichtig

vlammenspel vloeibaar katoen

      & schijnwerpersfatsoen

 

ik denk dat held’re vissen zingen

& zo aan de even einder jij

verdwijnt in glazen uitstulpsels

van een in dit licht vergeten

      & voortvluchtig schimmenspel

 

 

(1982)

 

 

 

 

ill. Odilon Redon, Geboorte van Venus

 

 

 

 

Spiegelliefde

Spiegelliefde

 

In schemerwater zoekt zichzelf
hoe vreemd het was en is
in het weif’lend plasgewelf
de vrouw betekenis

Haar beeltenis danst en kleurt
valt samen met het hemelbeeld
en de avond kust en geurt
terwijl zij hem droom’rig streelt

Hij wist het niet, lag mak
te twijfelen aan de droom
die hem bezocht – zijn schroom

Tot door het dansend waterdak
haar speurend oog doorblonk
en alles in een kus verdronk

 

 

 

 

 

ill. Odilon Redon, Spiegeling

 

 

 

 

 

 

 

 

Waarschuwing voor kinderen

Waarschuwing voor kinderen

 

Kinderen, mocht je denken
aan de grootsheid, vreemdheid, veelheid,
schittering van de zeldzaam unieke
grenzeloze wereld die je zegt
te bewonen, stel het je dan zo voor:
Brokken leisteen rond bespikkeld
rood en groen, rond getaande
gele netten, rond wit-met-zwarte
velden dominostenen, waar
het keurig bruine pakpapier
je verleidt het lint los te knopen.
In het pakje een klein eiland,
op het eiland een enorme boom,
aan de boom een gigantische vrucht.
Pel de vrucht, ontdoe haar van de schil:
binnen in de pit zul je ontdekken:
brokken leisteen omgeven door bespikkeld
rood en groen, ingesloten door getaande
gele netten, gevangen in wit-met-zwarte
velden dominostenen, waarrond
hetzelfde keurig bruine pakpapier –
Kinders, laat het lint met rust!
Want wie waagt het pakje te ontsluiten
zal er zelf zomaar in verdwijnen,
op het eiland, in de vrucht,
brokken leisteen rond z’n kop,
merken hoe hij is ingesloten door
gespikkeld groen en rood, door getaande
gele netten, en door zwart-met-witte
velden dominostenen, met
hetzelfde bruine pakje
immer ongeopend op z’n schoot.
En, mocht hij dan denken
aan de schittering, veelheid, vreemdheid,
grootsheid van de grenzeloze, unieke,
zeldzame wereld die hij nog altijd meent
te bewonen – dan trekt hij aan het lint.

 

naar Robert Graves, Warning to Children

 

 

 

 

 

ill. Jozet Berkhout, Golfbrekers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Heugenis

heugenis

 

in eindeloze rijen, dicht opeen

en in verwondering te staan:

                        we zijn alleen,

de heuvels zijn van steen.

 

en hard en onvermijdelijk

de duizend ogen, paar bij paar

waarin een oud licht hangt gewogen:

                                   dit is gevaar.

 

het schaduwspel herhaalt zich, bleek

en tastbaar, totdat het in de verte

                                               sterft

en in de harde steen is ingekerfd.

 

als dit een moeras is, in de mist

als hier herinnering gist, waarheen

                        wijst de grashalm,

streng en in zichzelve opgericht?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ill. Jonas Ginter, Grashalm vs. Asphalt 

 

 

 

 

 

 

Een wolk is het

Een wolk is het, voortdurend
zich wijzigend van standpunt en vorm. Vooruit.

Wat het is, is onduidelijk, wij
horen daarbij,

het onduidelijke. Niets
is bestemd.

Voor alle zekerheid, wij,
dat zijn de mensen.

Grootgebracht in de natuur
brengen wij de natuur groot, geven
melk zoals we uitmelken.

Groot is een groot woord met weinig letters,
in een quizprogramma zou ik zeggen
wie kent er een klein woord voor hetzelfde,

mag met veel letters. Muggenziften
is een goede tweede. Spilziekte. Economie.

Maar we zitten met die wolk. We leven
ervan, damp.

Ze daalt op ons neer, de ijle nimf.
En almaar zingt de misthoorn:

‘Fout, je doet het goed!’

 

 

 

 

 

 

 

 

ill. T.A.W.  Schreurs

 

 

 

 

 

 

Hoe schrijf ik een erotisch gedicht (les 1)

 

Hoe schrijf ik een erotisch gedicht (les 1)

 

Sluit gordijnen, adoreer, maar handjes thuis!
Bedenk het verre wonder dat begeerte streelt;
mijd omarmend rijm, het is er zelden pluis;
sterf van begeerte, droom slechts wat er scheelt.

Noem niets of niemand, geen beestje bij de naam,
blijf dwalen in de droomgestalten van uw bloed,
spreek uzelve aan: ‘waarvoor ik mij ten diepste schaam’
– kom nooit tot daden, keur slechts instincten goed.

Teken, schrijf, verbeeld, maar houd u verre van het lijf
(eens mocht u treffen raak en krachtig waar het schroeit),
leef als een monnik, sterf zonder ander, vent of wijf.

Schroom voor de daad, mijd de straat, waarheid zij verfoeid;
vloei vocht in eenzaamheid, stroom uit, en vloek u stijf
– alleen dán verkeert u stillekes waar liefde bloeit.

 

*

O, Schuimgeborene, u roep ik hartstocht’lijk aan,
leer mij ’t verlangen ijv’rig warm te houden
en in mijn oog het klaar ontuchtig beeld ontstaan
van heur verbluffend geurig diepste wouden.

U kent mijn leed, u weet hoe ’t ons is vergaan:
alleen ons smachten telt, waarvan u liefde brouwde,
en ’k sterf bij ’t horen van haar faam, hier ver vandaan,
tot ik bijkans van wijn en geil bezwijmen zoude.

Van Poseidon’s zilte mede wreed verdreven,
elk op ons eiland, gescheiden door uw schuim
– alleen de geur al doet van hartstocht beven!

Ver van ons, in hope, is der minnaars zoete luim –
een godswonder, een gunst dat we nog in ruste leven!
Slechts beeld en stem vervangt ons droef verzuim…

 

*

O droom van lippen, glimlach, ving’ren in de lucht,
ze zwenken, vliegen, ijlen boven buik en oog,
schilderen het beeld, het levend lijf, haar vrucht,
dat mij verzengt en grijpt in wond’re regenboog.

Ik wenste mij, ik tastte, zocht, maar ’t visioen verdween
en met mij smolt en stond weer op het helder weten:
te ver was ik van hare realiteit, alleen, ik was alleen –
maar evenzeer volhardde het vuur, het willig zweten.

Nu leg mij neer, zoals ik haar zou doen, de vlam, het is
alsof er nóg een wereld mag bestaan, van liefde rijk & blind,
waar alles trilt en zindert, brandt van louter lafenis.

Vreugde vergt verbeeldingskracht, de leugen welgezind:
schiep in lichtzinnig wensen haast tastbare geschiedenis –
in die dwaze duizeling ben ik weer het blij verdorven kind.

 

 

 

– voor M.M. & de Eijlders Dichtersbent

 

 

ill. Felix Edouard Vallotton

 

 

 

 

 

Adwaita’s Zonnebrief

 

 

Als ’k aan een brief van wie ik liefheb, smul,
verleng door kleine hapjes ik ’t onthaal:
mijn ogen likken zuinig iedre haal,
iedre misplaatste punt op, iedre krul;

met een gedachte aan mij, een glimlach, vul
ik ’t wit tussen twee letters, en ’k vertaal
een inktkladje als een half beschaamd signaal,
dat – als de pen – het hart vol was en gul.

Zo lees ’k, als voor een hele nacht de zon
verreist, aandachtig langs de horizon
zijn afscheidsgroet in gouden hiëroglief;

en ’k voel verwaarloosd me en teleurgesteld,
als ’k niet, letter na letter, heb gespeld,
voordat ’k naar bed toe ga, een zonnebrief.

 

 

J.A. dèr Mouw (1863-1919)

 

 

 

 

ill. Jet Nijkamp

 

 

 

 

 

 

O is een bloem

Een bloem is een O

 

Lieve ladder naar het lijden
open wachtpost roemerkelk
oven vol met moedermelk
laaf uw zuchten aan bevrijden

Bloem der passie wacht op elk
zacht en zeemzoet uw verblijden
zo omhelst u ons verscheiden
botert openmonds, & verwelk

 

 

 

Wadi 2007

Wadi

Zacht is uw kruin en gij hebt net gegeten
onder den vijgenboom, uw lieveling.
O vrouwenschoot, gij zijt het diepste ding:
breuklijn te zijn, adem en dood, alles te weten.

Maar zie, in u ook stormt de wellust op
tot hevig branden, niets dooft uw pit:
uw vuur is water, verstijft mijn lid,
het dwaas gepluk in u voert mij ten top.

Ach, smaak het zoenen van uw lief vagijn,
het heerlijk geuren waarin wij liefde baren,
geniet het zilt geheim, dat wij bevaren,
dwaal door de rimboe, waar uw lippen zijn.

 

 

Im alten Ton

Pastorale

 

Melkwit zeezwart zingt de zuiv’re nacht
aan alle kruiken het lipbesluipen zacht
adagio & adamant de slikkende adem
ibis der dodenwacht – och stil omvadem –
komt aangedropen d’onmachte minnekracht
en schouders’ onverwachte zinnepracht

Maar wier queest’ meanderspeurend
over branding schuimrijkgeurend
laat na haar beoogde boezemfrons
het duister harer ogen elk van onz’
uithuizigheid en spraakloos dralen
ypsilon & yuccamot zwijmend dwalen:
stoor geen der ruime feromonenzalen
eer u wekt een jammer bloesemfalen
na alles wat zich lijmen, rijmen dacht

 

 

 

 

ill. Edvard Munch, Zomernacht aan zee

 

 

 

 

Aan het ven

 

Aan het ven

 

Lethe in haar vuistje
lacht om al wat wegdrijft met de wind
Afrodite steelt het kruisje

geeft haar minnaars wat hen zint
Mnemosune, lieflijk huisje
waarin ik rondloop als een kind

Water duister
waarin ik niets hervind
Waterluister
waar jij mij stil bemint
Water, fluister
geef mij je blije hint…

 

 

 

uit: De beeldspraak van de Tarot, een speurtocht in het onmogelijke, Altamira-Becht, Haarlem 2003

ill. “De Ster”, obscuur tarotspel, met letter Ajin i.p.v. Peh

 

 

 

Leda revisited

Hoog bezoek

 

Och, de schoonheid van zo’n meisje
praat me er niet van. Neem Leda,
wie evenaart haar duistere schoot
dan zijzelf, der waat’ren dood?

Ik zong een ander, aardser wijsje
bevlogen en bevleugeld, hopla!
bedronk mij, valse parakleet
aan hals en snavel, verenkleed

Zij huivert voor de overmacht
maar ware lust kan niet bederven –
ons smachten maakt haar boterzacht

Zelf wist zo zwaanlief haar te werven
en mét haar al zijn zilv’ren pracht
in gouden licht god’lijk doen sterven

 

 

 

bijdrage aan Als ik jou eenmaal verlies – Gedichten van Rainer Maria Rilke met reflecties van hedendaagse dichters, Stichting Spleen Amsterdam 2018

ill. Erich Stephani (1879 – 1956)

 

 

Samenvatting

Samenvatting

 

In de onverhoopte vrede
stamelt het gevierd verleden
snikt de blootheid van je weelde
blozen al mijn ijv’re leden

In je grote bruine ogen
drijft mijn tere onvermogen
& het smelten van je lippen
heeft mijn hart woest meegezogen

In het zuiver goud
dat ons wellust kust
zwerft het lieve oud
slaapt in diepe rust

       & al het zout
       wordt nooit geblust

 

 

 

 

ill. Auguste Rodin, L’éternelle idole

A deux genoux devant ton beau corps que j’étreins.
Élève de Rodin, Camille Claudel en fut aussi l’amante:
on dit que le groupe sculpté L’éternelle idole fut inspiré
de leur relation pour le moins complexe,
qui inspira des lettres passionnées à Rodin. 

 

 

 

A & O

De gave

 

Alsof Artemis het wist;
in een oogwenk was ’t beslist:
we zijn elkaars geschenk,
de kus blijft onbetwist.

Op de vleugels van haar wenk
wiegen in een wolkenslenk;
Ze heeft zich niet vergist –
we zijn een godsgeschenk.

 

 

ill. William Blake, frontispiece The Marriage of Heaven and Hell 

 

 

 

 

 

 

Uiteindelijk…

 

Uiteindelijk maken leugens mij niet meer bang
Er is de maan als een spiegelei in een pan
Een ketting van waterdruppels zal de hals van het verdronken meisje sieren
Hier is mijn boeketje passiebloemen
Die teder twee doornenkronen aanbieden
De straten zijn nat van de regen van vroeger
Toegewijde engelen werken voor mij in huis
De maan en de droefenis zullen verdwijnen
Heel de heilige dag lang
Heel de heilige dag lang heb ik gezongen onder het lopen
Een vrouw hing uit het raam en keek mij lange tijd na
Terwijl ik zingend in de verte verdween

 


Guillaume Apollinaire 1913

 

 

vertaald door © Kiki Coumans 2017
in: Het raam gaat open als een sinaasappel, Uitgeverij Vleugels 2017

 

 

 

ill. Paul Delvaux 1955

 

 

 

 

 

 

Hawinkels: De tuin der lusten (fragment)

        Van zéér hoge adel, licht & delicaat
Als de verheven wijze waarop het witte,
Bedwelmend ruikende kroonblad van jasmijn
Geliëerd is aan het groene, ingetogen
Kelkblad – een hommel is genoeg, om met
Een onbehouwen douw van zijn botte kont
Deze verbintenis teniet te doen, een der partijen
Radeloos, maar tot het uiterste o
Zo integer, omlaag te doen dwarrelen –
Deze druk dus, waarmee de schone vrouw
Met de stevige vingers knielt op het gras.
Het modeste gras raakt nauwelijks nog merkbaar
Onder de indruk, het was op alles bedacht,
Het heeft zich idealistisch terug-
Getrokken, is als water in de bodem
Gedrongen, tot het niet meer was,
Is dan een kleur voor de grond,
Een hoopvolle, rustig afwachtende tint,
Die de overslanke knieën zo min
Als maar kan te na komt. Toch, het bloost nog,
Het gras, het groen, waar zij zit,
Verdiept zich, – zij zit, de hand reikend
In overgave, maar wijs & vriendelijk
Bij de pols genomen door de persoon-
Lijkheid, die – millennia voor zijn tijd
Lijkt hij geboren – nota bene gekleed is
In een pontificaal gedrapeerd gewaad,
Dat in kleur het bevende midden – bevend
Als de top van een fontein of anders het punt
Waar zich een kolibri bevindt die stilstaat
In de lucht, wanneer hij stilstaat,
Het midden als een pupil, – houdt
Tussen het opgewonden, strakgespannen
Rood van een eikel of kreeft, en ander-
Zijds het zijige blank van haar lichaam.
        Mooi glad is dat! Die huid van haar
Verhoudt zich tot die van andere, hier af-
Wezige vrouwen als het vel van een gezonde tomaat
Tot dat van geplukte kippen, – is vreemd,
Als een roomblanke tomaat, een albino;
Die is wereldvreemd als een effen giraffe,
Vreemder dan een lichtzilvergrijs exemplaar.
        En zo glad, zo vloeiend gestroomlijnd
Haar lijnen en vormen, al zijn
Dan haar vingers misschien wat aan de
Stevige kant, een tikkeltje te lang, –
Ach, zoals de sneeuwval de grove,
Ongemanierde lineatuur buiten stileert,
Is er iets over haar vormen gegleden,
Heeft een werking haar huid geëffend,
De weg voor een straling die – van binnen uit
Te komen schijnt, daarvoor
Geen poriën van node heeft.
        Haar borsten zijn klein, als de bloemen
Die men sneeuwbal noemt, haar tepels
Staan zo ver als maar enigszins kan
Van elkaar, of tepels, – meer dan schuchtere
Concessies aan de hebberige eis dat
Zij er zijn, zijn zij evenmin als
De vingerafdruk van haar navel
Of de minieme floers in haar schoot.
Iemand die midden op de dag maneschijn
Op zich weet te richten, zou niet meer
Moeite moeten doen om niet verwaand
Te worden, zo bescheiden te kijken als zij,
Die haar blik kuis richt op haar eigen
Lichaam, – en van haar, met die ogen
Zo ver van elkaar, de meticuleuze glimlach
Waaruit haar lippen bestaan, die zo goed is,
Dat zij ‘t zonder mysterieuze allures
Kan stellen, zou men geloven
Dat zij bescheiden is van zichzelf,
Van huis uit. Alleen – haar haren
Kabbelen kittig van hoog op haar smetteloos
Voorhoofd omlaag via haar aan ‘t oog
Onthouden rug, dat gouden haar, dat rijpe tarwe
En de ademtocht der zomerse dagen,
Die die doet bewegen, tegelijk is.
Haar handen zijn wel wat groot,
Haar vingers wat stevig & lang.
Maar ze zijn leeg en vrijwel onbeschreven, –
De handreiking aan de kostbaar geklede
Meneer met de hoge manier laat dat zien,
Zowel wat de palm, als wat de rug
Betreft. De zijne zijn anders, verweerder,
Veelbetekenender, wel vreemd, maar niet
Aan deze wereld. Hoe moet overigens
Zijn lijf wel zijn? Men weet ‘t niet,
Dat zou teveel kunnen zijn. Men moet
Niet teveel weten.
        Zijn gezicht is ook anders; zijn ogen
Zijn als het ware bevriend met de nacht,
Hij kijkt zo verstandig, verder dan
Het gras groeit, verder dan er dieren,
Lucht of planeten bestaan.
Maar zijn gezicht is weinig etherisch;
Hij is een man, zoals er eigenlijk
Geen één gevonden wordt tussen avond & morgen,
In heel de dag. Hij is sterk,
Heeft weerstand als klei, hij weet
Wat hij wil, en wat men willen kan, –
Vandaar dat hij waarschuwt, de weg
Naar de uiterste vrede aangeeft.
        Wat een paar! Zo, terwijl de energieke
Krachtige man de uiterst verfijnde
Vrouw in een aureool van haren
Zachtmoedig maar beslist bij de pols houdt,
Zou het de sterren kunnen zien verwelken,
De hemel kunnen zien rimpelen en schil-
Feren als een verouderd voorhoofd,
Het licht zich zien wijzigen in vuur
Of brakende vlammen, of in het niets.
        Maar – zij zijn niet alleen.
        Alles eerder dan dat. Sprakeloos
Van bewondering, van verbazing, van
Nagenoeg mystieke vervoering zit de tweede
Man, het manspersoon, naakt tot op
Zijn nuchterste contouren, ernaast,
En doet zijn oog en zijn wenkbrauw
Tegoed aan het mild verblindende paar.
Zo’n eenheid…
        Hij vlijt, als een vlinder,
Die een jasmijnbloem kust, maar minder
Vrijmoedig, zijn hand op zijn boven-
Been, slaat niet, zoals het hem
Te moede moet zijn, van louter verbazing
Er hard mee, leunt op zijn andere
Arm, en zijn diepste verlangen
Is niet gesitueerd in zijn kruis,
Op die bloemige plek is ‘t rustig,
Maar het gaat uit naar de tweeëenheid,
Die hij waarneemt, en in begrijpelijk streven
Er een drieëenheid van te maken,
Geeft het manspersoon, zo’n mens toch,
De dichtstbijzijnde van het primordiale
Paar stiekem een voetje, raakt hij
De zoom en de teen van de heer, die
Op handen en voeten en zijn gestrenge gelaat
Na in zijn ornamentale, monumentale
Plooien schuilgaat.
        Is hij nu deel van het mysterie?
Vormt dat een trio? De tijd zal het leren,
En in de tijd kan zo onmenselijk veel
Gebeuren, evenals in de ruimte. 

~ Pé Hawinkels, De tuin der lusten (fragment linkerpaneel) ~

 

 

mAtrix [metafysika uitgelegd aan onze goden]

 

“mAtrix” uit metafysika uitgelegd aan onze goden. werk in wording. het werk bestaat uit 2 delen van elk 2 afdelingen, elke afdeling bevat 6 teksten. “mAtrix” is de oogspil… dat de twee delen scheidt…

[opmerking: deze post is veranderd, het weerspiegelt de laatste schets; 14 maart 2018]

[wederom een update: 17 mei 2018]

Winter, en het licht is promiscue

 

Winter, en het licht is promiscue
de lange armen van de aarde
ontvangen stil het residu
van sneeuw en kinderhagel
veel te traag voor een revue
voor een schedel die zich schaamt
volstaat een hoed of paraplu
neerslag en de wereld is te warm

Winter, en het plaveisel glimt
en lacht ons glansrijk uit
geen buitje dat het van ons wint
geen stug bevroren ruit
       elk dreinend, spelend kind
       is stiekem bruid en buit

 

 

Over de onhandigheid

 

Over de onhandigheid

over de onhandigheid van het lichaam van paarden is nog onvoldoende gepubliceerd (hippisch)
het hoofd geheven aardbeien plukken voor teenagers (tieners)
als het mooi weer is gaan we ’s middags varen en zo niet dat hebben we afgesproken dat we daar dan contact over hebben (ze wordt 86)

kijk, moet je luisteren (wijzigen in ruik, moet je voelen)
en dan gaat het over een wandtapijt dat je niet mag aanraken (opeten)
ergens worden glasbakken geleverd als ging het om een overschot aan drankenmansgrappen (manschappen)
ik weet niet waar (betekent 2 dingen)
larmoyant zijn is de vijand van de poëzie (o)

een karavaan caravans is al eerder opgemerkt (venus always rings eightfold)
er klinken liederen van oevers en torens (de bergen ruisen)
ik ben inmiddels overleden (^—)


moraal:

achter grendel en slot
sterft men al net zo zot

 

 

Berglied

 

 

 

Berglied

 

Mijn flinterdunne flanken zijn van ons. Onze voeten
staan alom, dag en nacht huilen we. We ruisen zuiver
ruisen zilver en zoet ons huilen. Dat is het sijpelen dat je daar hoort.

Wie omkomen komen in ons om. Welgemanierd staan wij om hen heen
in goedgekapte struiken en bossen. De brandgangen leiden daarvan af of zwijgen
ons open. Ze zwijgen in elk individueel geval.
Het gonst er naar behoren. Wie in ons omkomen komen onfeilbaar om.

Vraag het de luchten, het vee. Waar wij ruisen, sijpelen, zuchten, rinkelen zij. Mijn
flinterdunne flanken zijn van ons. De brandgangen leiden daarvan af. Vraag het de wachters, de zee.
Onze voeten staan alom. Onze voeten zijn schreefletters. Ze zingen zacht. Doen er
hun zwijgen toe.

Ook het onpeilbare, het rotsvaste is van ons. Uit beweging geboren verstarren we.
IJskoud. We staan, liggen, zitten de tijd uit. Overhuiven u, overleven ruwweg.
Er zijn er, zeker, die in ons omkomen, maar ook zijn we dansvloer, stijgbeugel, wordt
er afgeleefd en gebeden.
Wat klingelt is toegevoegd. Vee, gelovigen, dat soort dingen. Wij sijpelen.

lied is lied

op de wijze van “life is life (nanaana nana)”

 

Je siddert en je wereld is een gruwelbel.
Er zit een engel tijd en opgehoopte nijd
te braken. Ik hoor zijn vleugelveren kraken

in het opgeborgen razen van je bloed.
Zoek je toch een lied van fuck en laat je naaien:
hoe laks je bent, dood die zomaar in je mag!

De wereldlijke haast verpakt je in je kak,
te schrikboksen sta je in je beenderzak.
Sta! Stop! Veeg het mos van je kletterende dak!

Wrijf de etter uit je oog! Bekijk die blauwe ruimte!
Pak! Veeg! Laak! Maak! Schud! Verstoor! Bestier!

 

[bws_pdfprint display=”pdf”]

De geparfumeerde tuin

De geparfumeerde tuin  

– naar Kaikhosru Shapurji Sorabji —
                         

mama magma zwoegend zeewijf
roept om respijt in het rooibos
bladerend in de prehistorische dakgoot te blind & te geel
laatste kleur voor deze bijna-blinde

o stollende hel en kiezels wij oogsten
god’s stakkerend vuur
maar omhoog is de val omhoog
haar stervende guirlande grammatica

onder melkweg bedolven sluimert de rillende
seconde van de rubedo roeiriem m’n rossige rakker
en bevliegt al het dure het geplengde magenta –
keurmeester alarm! ostinato.

suja zalfput zomphalm zonderlingham suja zotteke zoet
ook wij in de diepten doen aan mi-li-eu
gutkut het schoone scheiden van afval in haar hof
so what want heb je dit: [ ] wel eens gezien?

aldus bezweek de puntige patriot van het heelal
maar niet vooraleer de melkweg van leesbare
spatjes te hebben bespogen takjes aan het voorsteven
van de glimmende bruid

het gespalkte al de kreupele kruimels de stijve oevers
van de jammerende jungle spuiten hun keukenmeid over de kling
niets valt er te halen alles is licht
in het schrijvende schrijvende waterding

nu nog de gekko zevert zij en weer stolt vooralsnog
een zwakkere zon tussen de eiken
de gekko levert het verschil tussen leep en leip
rilt op de rille van het smeltende grind

wie zoent mij de wereld
wie zingt mij de wereld
wie zeeft mij de wereld
poppenspel van zever en rijp

 

 

Kaikhosru Shapurji Sorabji, Le jardin parfumé 

https://www.youtube.com/watch?v=kGjgsww2Kfs

Uit de verslagen van Chton

Uit de verslagen van Chton[i]

 

 

…lverwege dribbelt                het miergespuis                                  [=>bebrild]
convooigewijs uitgerust onlesbare […] drift

graven graven

verzwolg bevroor in de soepzooi
die wij op weg is te zijn
             wij is stroomzout ijsbrij

kookvocht

in kringel krimpen ontploffen

tikkeren

puffen

geil geiseren getijdentijd
spinnen in de spanne
             kosmococon? wij is kosmococonkok!                                   [-klok(?)]

[…]

half ondermaans is wij regenboogwit
aapjes dwarrelend
                                          pasgeboren sneeuw

[…]

in de lichtloze zwijgtijd

ooit

wij is altijd ooit

[…] en alles stroomt maar
versteent                     sluit in
tot pulver purperschrik

ons amber is miljarden karaat
wij braakt van de kaart […] oerbos                                                   [het krakend]
takken vallen wuivend om
al het houtige

blijf nog maar liggen even
[…]

na ons de mierenmens
na de mierenmens
de likkende zee

[laat] likken de zee
voorbij de vluchtroutebewegwijzering
van dom huisvestende mieren
aan ons gasstel zonder personeel

wij staat […]
wij geselt […]
wij spuugt […]                                    [vuur]

daar bij ons grienende haard
lavahaven tot ha…

 

 

[i] [largely] illegible petrefact xyloscript

 

LAIS

Zie wat ik zag toen ik weigerde te zien.
Hoor wat ik verzweeg toen ik weigerde te spreken.

Niets van jou is ooit daadwerkelijk beschreven.
Niets is van jouw lichaam ooit naar waarheid verteld.

Jij weet niet wie jij bent.
Jouw lippen sluiten niet jouw mond,
jouw ogen zien niet wat je ziet,
jouw hand heft niet een van jouw handen op.

Jij splijt de wereld. Jij
bent een diepe aarden mond.

De goddelijke tongen vlammen
aan zichzelf verwrongen gebonden
rond het uit hun hemelen
verdrongene.

Jij wint. Jij won. Met
vloek en krijsen zullen
eeuwig de goden
zichzelf moeten dwingen

om jouw naam
bij elke mens in
te branden.

Uit vuur
vuur.