Categorie: erger

berichten zonder categorie of over gematerialiseerde ellende of over literatuur of erger

partchpracht #507

algo: schrijf tijdens zonsop- of ondergang een lyrische tekst bij de LYRIEK-collage van de volgende dag en  muziek van Harry Partch
input 2: Revelations in the Courthouse Park Chorus 2
input 3To the God of Fire as a Horse, uit: Jerome Rothenberg (ed.), Technicians of the Sacred, ISBN 978-0-520-2+9072-3, p. 45

input 1 : LYRIEK collage #507

oha dida owha dida
o oh ah da weee

ook voor Lison pop  (0,35m hoog)  (bis)

drifting  drifting about

Eens waart ge als een zon in de lusthof van licht
zoo edel begaafd met de kennis des Heeren

jouw ogen vergissen zich niet
jouw ogen zien zoals de zon ziet
jouw denken is een verschrikkelijke opmars door de nacht
vol van licht en vol van vuur
dat uit je keel breekt als je hinnikt in de strijd

dit vuur komt van ergens
dit vuur komt uit een aangenaam bos
dit vuur is extase in het donker daar

gracieus verkleedkostuum voor meisjes van 5 tot 7 jaar
tot elke prijs hou de deur gesloten

zijn lichaam is enorm
zijn mond open en sluit als hij kauwt op de wereld
zijn heupen zijn rijk aan beweging
hij is een vogel die neerstrijkt op een boom

tot elke prijs hou de deur gesloten

i see two arms around me

(why why why?
why trouble yourself uselessly?)


De kleine man

Tijdens zijn leven gaat een broekdrager
tienduizenden keren naar de wc.

Tienduizenden keren opent
hij zijn gulp. Dat is in totaal, aangezien het een strook van
tien centimeter betreft, een kilometer gulp.

Een kilometer gulp wordt opengeritst in honderden toiletten
en vaak ook nog voor de seks.

De hoogste toren ter wereld is ternauwernood een kilometer
hoog.

Waarin de kleine man groot kan zijn.

partchpracht #505

algo: schrijf tijdens zonsop- of ondergang een lyrische tekst bij de LYRIEK-collage van de volgende dag en  muziek van Harry Partch
input 2: Dark Brother

u Donkerte ter ere
gaan wij niet steeds weer door de Gaanderij
langs de eindeloze rijen van de ramen
met de namen van het licht
dat ons ter dood wil nagelen?
schuifelen wij niet zwetend,
met van angst ontsloten spieren
in eigen derrie
naar de verscheuring die gij zijt?

u, Donkerte, ter ere
hebben wij niet de weg der wegen
duizenden malen afgelegd?
hebben wij niet ter uwer wille
ons eigen vlees verloochend en belogen?

uw Donker dat in eigen Donkerte
zichzelve zoekt: gij schuift in ons
gij zijt de vette slang in onze huid
gij zijt het brokkenslijm dat onze tong
ter tale roert.

in rode brand uw donker stijgt
en kust de zwarte hemelleegte.
kom dan maar, gij Donkerte,
kom en sleur ons weerom mee.

Come to me as you always came.

Staande en zittende uitdrukkingen

Ik ben een groot gebruiker van uitdrukkingen, die ik in stand houd, dan wel in stand opricht. Staande uitdrukkingen, ze staan zo mooi. Er zijn ook zittende uitdrukkingen. Tegen iemand die beter verdwijnt, kan je veel kanten uit: 

‘Ga weg.’ ‘Verdwijn’. ‘Wilt u hier even door de grond zakken?’ 

Bij mij gaat het steevast als volgt: ‘U kunt twee kanten uit: de boom in of de pot op.’ Beide zijn zittende uitdrukkingen. 

Oerbloed

Oerbloed

 

daar bij de buikborrelende poel
in dit moede ooit zijn we dampend mooi
samen grienend in het broeiend hooi

wrijf het druipzweet van je smoel
eet dan de gloeigranaat zonder pit
totdat je in je groei allengs verhit

bloed breekt uit smeltvlees breekt uw kracht
in zweemvolle kraters zijn we geboren
waar drijven de hete algen naar sterrenschacht

zoeken verkoeling maar zijn al verloren
al ooi en groen maakt wemel kokend zacht
aloude zomer heeft ons zoet verkoren

 

~

 

 

 

ill. Max Ernst, Arizona rouge

partchpracht #504

Input1: LYRIEK Collage #504

algo: schrijf tijdens zonsop- of ondergang een lyrische tekst bij de LYRIEK-collage van de volgende dag en  muziek van Harry Partch
input 2: Rotate the Body in all its Planes: Ballade for Gymnasts

de stank van god is
niet te harden nu zijn
rottend lijf geheel
de aarde dekt.

de schepping stond in volle rot te kwijlen
toen de engelschare op zijn teken al 
het Woord aansneed.

maria maria gij die in de ijsgalerij
de frangipanes van moreau verorbert:
verlos ons van ‘t shekinageil
en berg de kinders in uw hoenderhok.


de stank van god is 
niet te harden nu zijn 
rottend lijf geheel 
de aarde dekt.

van ‘s morgens al de zwermen vliegen in spiralen stijgen zwart
ten hemel en in dichte pakken vallen de maden van de daken.
vervloekt met lust te wroeten en te leven
de gymnasten zingen graaiend in de lagen spek:

rotate the Body in all Its Planes
rotate the Body in all Its Planes


Hồ Xuân Hương

Hồ Xuân Hương
Zeven gedichten

 

         Vruchtgebruik


mijn lijf een bungelende nangkavrucht
sappig vlees, de stugge huid geeft licht
mocht het u behagen, open me met kracht
niet te zachtzinnig, dat geaai zal slechts
uw ving’ren bezoedelen met mijn vocht

 

 

         Waaierzin

 

één oog diep genoeg voor willekeurig welke roe
lonkt u van eeuwen her vrijelijk warm welkom toe
vouw mij uit tot driehoek, er is onvoldoende huid
sluit mij aan beide zijden, is er weer te veel vlees, en hoe!

aan mij om dampende helden af te koelen waar zij staan
de kop van een heer af te schermen bij stromende orkaan
achter de bedgordijnen vragen we hem op z’n tederst
met al dat hijgen, hijgen in deez’ hitte, bent u voldaan?

 

 

        Schone slaapster

 

zoele zomerbries strijkt langs als nooit geweest
deez’ jonge vrouw vlijt zich in haar dromenfeest
haar haarkam losjes in heur lokken hangt
de roze doek glijdt geurig van haar lome leest

op hemelheuvels wenst dauw nog goud te schrijven
in de feeërieke beek schijnt de wilde stroom gestild
– bij die aanblik aarzelt de heer een warrig wijlen
ongemakkelijk, zou hij weeromstuits verstijven?

    

 

Jeugd

 

dauwdroppels bevochtigen haar rozige wangen
hij toont zijn manlijkheid bij smachtend maanlicht
zij streelt haar geslacht voor heuvelen en stromen
zelfs de eeuwenoude keien geven zich gewonnen
oordeel ons niet, ook mensen genieten hun jeugd

 

 

       Drievoudige kloof

 

een kloof, een kloof, en nóg zo’n kloof
wie dit schouwspel gutste zij geloofd
spookgrot met haar welige gewelf
rijk begroeide rotsen – wier bedekt haar alkoof

een straffe wind steekt op, verschrikt de dennentakken
droppels dralen aan de wilgenblaren, de bevend blakke
– gij deugdzame, vrome ziel, wie waagde nooit
week in de knieën, onstandvastig, in haar af te zakken?

 

 

         Nachtwerk

 

kous omhooggedraaid, de kamer gloeit al zacht
moeiteloos het weefwerk de lange lange nacht
voeten brengen diepte tot leven uit alle macht
bedreven vliegt de schietspoel in en uit
ruim of smal, groot of klein, het past altijd
lang of kort, het glijdt zo makkelijk zat
meisjes die het vatten voeren hem al nat

 

 

       Drijvende lekkernij

 

blank en rond mijn vormen, vrij van schroom
rijzen en verzinken ze als bergen in de stroom
kneed me hoe u wilt, ruw voor mijn part
– ik koester, voed mijn hart, een kersendroom

 

*

 

 

Hồ Xuân Hương is een legendarische Vietnamese dichteres, geboren ergens tussen 1775 en 1780 en gestorven in de jaren twintig van de negentiende eeuw. Aangezien haar complete oeuvre, 139 gedichten op de kop af, pas zeventig jaar na haar dood werd gepubliceerd, is veel ervan mondeling overgeleverd. Dit zijn bewerkingen van vertalingen uit de tweede hand.

 

ill. Đèo Ba Dội (Drievoudige kloof)

 

 

 

 

partchpracht #503

input 1 – LYRIEK-collage #503

algo: schrijf tijdens zonsondergang een lyrische tekst bij de LYRIEK-collage van de volgende dag en  muziek van Harry Partch
input 2: The Dreamer That Remains: a study in loving

de reus is nu niet meer de reus, zo verzekert ons maria, 
van de hernieuwbare uitgaven, de reus is de reus
van het opbouwende 
en hij eet geen kindjes – zo plots,
zegt men, als je  in het park gezeten
de borden leest
van wat je niet mag doen, plots
en onverwacht dat de droom komt, dan, toch

terwijl je het net helemaal juist deed

de droom van de dromer die de dromer blijft
terwijl de tijd toch lang al uit de ruimte is geschoven
terwijl er niets nog op het plein beweegt
terwijl het toch in orde is

o heer wiens lijk het ganse land berot
laat ons in innige coagulatie samen stollen
laat ons bloed dat van ontzetting gulpt
in uw slijmen glippen en verdwijnen

let us loiter together
let us loiter together

Lampje in der Sterren Dampkring

         Lampje in der Sterren Dampkring

 

Droom jezelf weg in een boot op het water
met blozende bomen en hemelse gloed
Iemand daar roept je, je antwoordt afwezig,
een meisje dat wemelt en groet

Glaspapierbloemen, zo geel en zo groen
verrijzen boven je hoofd
Speur naar de schat met de zon in haar oog
& wég is ze weer

Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Ah… 

Volg haar meteen tot die brug bij de springbron
waar hobbelpaardmensen te gek gaan op cake
Iedereen straalt als je de bloemen daar langsglijdt,
zo ijl en onwerkelijk hoog

Steekhoedenbootjes leggen er aan
ze voeren je dadelijk mee
Vlij je maar neer op die wolk achterin
& wég ben je weer

Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Ah…

Droom jezelf nu in een trein op een statie
vol kneedkleien kruiers met wapens van hout
Plots staat daar iemand, ze draalt bij het draaihek:
het wemelend meisje lacht stout

Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Lampje in der sterren dampkring
Ah…
Ah…
Ah...
Ah…
h…

..
.

 

 

voor Annet Schaap

ill. Odilon Redon, Zonsondergang

Hallo, zit daar iemand?

We zaten er heimelijk op te wachten op de plee, op een stuk over de urinoir, al dan niet van Duchamp, de meningen daarover lopen de laatste tijd nogal eens uiteen. Of minstens uit twee. Op de plee zitten we trouwens meestal te wachten. 

Het moet overigens niet altijd ellende zijn, het kan ook bevrijding worden. Zodat de grijns op ons gezicht ontdooit tot glimlach. 

Ineens zie ik dat het pleegebeuren hier modulair verwerkt wordt door de pleetechneutologie van wordpress. Het geheel laat zich voortaan schrijven in blokken. 

Moeten we ons daardoor ongelukkiger voelen dan we ons voordoen? 

Of juist gelukkiger? De pot op met deze vragen. We mogen verder niet klagen, anders krijgen we een enkele reis naar de klaagmuur, die tot nader order nog steeds in Jeruzalem staat. Trump is van plan hem af te breken en steen voor steen over te brengen naar Tel Aviv. Dat varken uit het witte huis in Washington is de enige die de zaak van de joden met voeten mag treden zonder voor anti-semiet te worden uitgescholden. 

Okee, genoeg stof voor de plee. 

het einde van de kunst? of duchamps urinoir als de wieg van de kunstenaar

het einde van de kunst? of duchamps urinoir als de wieg van de kunstenaar

het einde van de kunst staat of valt met de mens. het beeld dat de mens van zichzelf ziet, van zichzelf maakt of laat maken én het beeld van dat de mens van zichzelf heeft. dit laatste beeld is geen echt beeld, maar een gemoedstoestand, gevoel, overtuiging, wens en herinnering gemeen vervlochten met elke handeling. narcissus —die in zijn eigen (af)beeld verdronk— is de door zichzelf geobsedeerde europeaan. deze obsessie kent een brandpunt: hoe ver de mens natuur en materie naar zijn hand kan zetten, materie kan beheersen met vorm, een vorm die altijd van de mens zelf is afgeleid. materie moet door de mens kunnen worden gebruikt —nut, doelmatigheid— en liefst nog zoveel mogelijk op de mens gaan lijken.

europa heeft zichzelf vanaf de oudheid in zelf-reflektie gewiegd. daarom is duchamps mona lisa daarmee niet anders van werkwijze of aard dan ovidius metamorphosen, de metamorphosen zijn een feest van herkenning, de belezen lezer glundert van genot van hoe speels ovidius verwijst, citeert, verandert. de belezen lezer is nu een toeschouwer van een beroemd schilderij, dat door een beroemd kunstenaar onder handen is genomen. een spel met de traditie.

duchamps urinoir is niet anders dan homerus odyssee. verhalen van een volk, openbare symbolen verwerkt, verdicht. was de odyssee een heldenepos, duchamps urinoir is de intrede van de held als anti-held. het urinoir is de anti-mythe van de moderne tijd.

het urinoir is kunst die over kunst gaat, kunst als kunstkritiek. maar dat is niet het enige, het is ook de intrede van het alledaagse.

niet dat daarvoor het alledaagse geen plek in de kunst kende (denk aan de gelegenheidspoëzie van horatius, gedichten ter gelegenheid van gedenk- en feestdagen), maar het metaforische karakter, of zeg maar de symbolisering, is het urinoir vreemd. het urinoir staat niet voor iets, is geen plaatsvervanger, koerier van een boodschap, symbool voor het einde van de kunst, aktievoerder van de theorie.

het onbruikbare urinoir met handtekening is wel zeker een statement, maar vooral een nutteloze indruk, een anti-indruk, een teleurstelling, deerniswekkend. de handtekening moet het urinoir in het museum beschermen tegen deze kwetsbaarheid van het belachelijk vreemde, de handtekening is een bewaker, een onvervreemdbaar certifikaat van echtheid, een immateriële beschermheer van de materie. het urinoir lijkt niet op ons, wil ons niets zeggen, kan niet meer door ons gebruikt worden. de materie die we naar ons hand hebben gezet, heeft duchamp uit ons zelf-beeld ontvreemdt.

het urinoir is een uitdaging, niet een nieuwe norm of model. het urinoir is een wieg voor de filosoof, aangedaan door dat ding, beroert, in beweging gezet in konfrontatie met zo’n deerniswekkend, passief ding, schrijft de filosoof, met merkwaardige koncentratie en aandacht, om te getuigen van wat daar gebeurde.

ongeacht of de stelling dat moderne kunst theorie in aktie waar zou zijn, is de narcissus-mythe niet nieuw, kunst is van oudsher verwerking van wat voorafgaat; in direkte zin; herneming of citaat; in indirekt zin altijd herinnering met de eis van verinnerlijking. een klassieke werkwijze gedreven door poëtika, navolging, modelleren naar voorbeeld van de groten. zo kijken we naar onszelf; door terug te kijken en dat naar hier mee te nemen. alles verzamelen en naar huis meenemen.

de overheersing van de poëtika —althans van de schijn daarvan— kent in tweeduizend jaar tijd slechts enkele breuken; een werkje van een onbekende auteur, maar meestal wordt de naam longinus genoemd, dat over het verhevene heet, geschreven in de eerste eeuw na kristus. het verhevene duikt pas zeventien eeuwen later bij edmund burke en immanuel kant op. deze nieuwe aandacht —die meerdere bronnen kent— is onlosmakelijk verbonden met de komst van de esthetika, die de aandacht verschuift van de maker naar de toeschouwer, van regels, kennis en inzicht naar receptie, welbehagen en overweldiging. het woord esthetika komt immers van het griekse woord aisthēsis, wat eenvoudig zintuiglijke gewaarwording betekent, sensatie of gevoel.

deze obsessie van europa met zichzelf, gekoncentreerd in een schrijvend subjekt dat geobsedeerd is door hoe het zichzelf voelt, tegenover wat daar gebeurde, zoekt de mogelijkheid om al het voorgaande in één moment te hernemen en samen te ballen in een nieuw inzicht; definitief oordeel, resultante of resultaat.

de kunst van deze eeuw wordt juist door ontwapening en radeloosheid gekenmerkt. deze situatie kan “laffe” kunst afleveren, kunst die nooit af is, nooit tot voltooiing komt, omdat het zich geen oordeel, geen resultaat toelaat.

de eis van volmaaktheid is de eis van de poëtika, de esthetika kent geen bepaalde eis, is niet een stijl. een woord zoals esthetisering is een gruwel. het urinoir met een handtekening in een museum betekent niet de esthetisering van het urinoir, maar de onbruikbaarheid van een urinoir aan de muur van een museum.

het urinoir is onbruikbaar, gesaboteerd zou je bijna kunnen zeggen. deze onbruikbaarheid wordt door de handtekening veroorzaakt, de handtekening van een kunstenaar saboteert een gebruiksvoorwerp. de handtekening maakt het onmogelijk om het urinoir nog te gebruiken, het nut is eruit weggehaald.

als narcissus niet in een vijver had gekeken, maar in deze urinoir, zag hij slechts een urinoir. hij zou ogenblikkelijk verliefd worden…

de vernedering van het urinoir toont de verzegeling van het museum; de ziel wordt hermetisch afgesloten, onbeweeglijk bewaard als dood, bevroren, in afwachting, ja van wat?

de handtekening vernietigt de ziel van het urinoir. het urinoir is een opgezet urinoir, zoals een gorilla na de jacht als trofee in de hal als kapstok dient, lachwekkend, ontzield, tot menselijk gebruik gereduceerd. daarmee bedoel ik: gereduceerd tot wat iets voor ons betekent, voor ons nut heeft. de handtekening betekent het in bezitnemen van het urinoir door een kunstenaar, die daarmee —vreemd genoeg— juist het ding of wezen van zijn nut voor ons bevrijdt! nutteloos is het slechts zichzelf, onbegrijpelijk voor ons, onsterfelijk in zijn geheim.

Pas de Français

Pas de Français

Écrire est un sommeil plus profond
que la mort,

j’ai les larmes aux yeux.

Je suis la poseuse tragique,
la Dame de Drame!

Je suis une poseuse
Poreuse!

Je suis vraiment
une Femme Dangereuse!

J’ai les larmes aux yeux,
des larmes amères!

Les larmes
d’armères mon amour!

Je suis l’enfant terrible,

la comtesse
de l’-eau de Cologne,

la sorcière
de migraine!

Je suis une vivante
de malaise
comme le bonbon mou

dans le soleil.

Comme le chien
nègre
j’ai commencé
là pleurer

et écrire et
crier!

Je bois du vin et de la
bière
et mon eau de vie
(oui!)

Je suis une héroïne
d’encre Chine.

J’écris,écris,
comme un chien mort,
je crie,crie
comme une sorcière de poésie
(oui!)

Je suis poète Maudit!
(oui!)

Poete maudit (naar: Pas de Français of: Geen Franse film)

Poète maudit

Vermaledijde zottin!

Huilend
schrijft ze zichzelf in slaap, tot
heel dicht bij
schrijft ze zichzelf,

dieper en dieper
diepst,

de tranen op het papier,
tot in de diepste
Slaap.

Die eindeloze
die Eeuwige!

Laat haar maar, deze lekkende
Lamaar, deze
Tragische Troela, de
Deftige Dame van het
Levenslied.

Laat haar
dit drama maar!

Haar tranen biggelen vloeibaar zigzag.

Tranen van strijd
tranen van nijd

tranen van verderf
tranen van bederf

en groen snot, dat ook,
jawel mijn liefje!

Zie toch deze
tegendraadse truttebol,

een koppijnkol!

Kijk nou deze lamenterende
levensvorm, deze

slobbersoppige aardworm.

Zie ze smelten
in de warme zon, gelijk een

bejaarde chocoladetruffel.

Met van alles te vergelijken
lijkt ze op niets, deze zwartgallige

zwarte zwerfteef die huilt
naar lantarenpalen bij zonsondergang.

En ja, liefje,
zoals een zwartgallige zwarte zwerfteef, zo
schrijft ze ook!

Huilend op de stoep
huilend in de goot
huilend naar de dood!

En ze vult zich,
ze vult zich af, het mormel, met
Zwartgalligezwartezwerftevenvergif,
jawel mijn liefje,
jawel!

Zuipen en schrijven doet ze
om het even,
bij het leven,
deze heldin,deze
Héroïne d`encre Chine!

Ze schrijft als wat ze is, een
stinkende dooie
Zwartgalligezwartezwerfteef,

krabbelende kol,
vermaledijde muts,
jeremierende jonge juffer,
lamentabel loeder,
poetische peuter,

een Vleesgeworden Franse Film, een
eerste klas

Poète Maudit!
(Mais oui, mon amour, je suis!)

Ad astra per alam

Ad astra per alam

 

neem me mee, o zwarte hippogrief
breng me naar je hemels nest
schaak me naar je licht gewest
‘waar dan ook maar niet hier’

nimmermeer het onbeweeglijk zwart
van het blok dat ons zo straf omklemt
vanaf de doodsklok mikten we met smart
op wolken voortvluchtig, onbestemd

leen mij je vleugel, vogellief
één maar – hoeven hoef ik niet
voer me naar het sterverschiet
daar wacht mijn stil verblijf

het onmetelijke stierf in onze duist’re blik
doof zelfs voor de roep van leeuwerik
werd een eens zo stralend immermeer
tot het doffe dwingend nimmermeer

en, zwarte hippogrief, vereer
de aarde met je gevonden licht
ze lacht je toe, zie, ze zwicht
ten afscheid immermeer

 

 

 

 

 

uit: Edgar Allen Poe en anderen, The Raven, Louter duisternis, Darkness there and nothing more, Stichting Spleen Amsterdam 2019

ill. Odilon Redon, Zwarte Pegasus

met dank aan Charles Baudelaire, Efraïm Mikhaël, Henry de Régnier & Odilon Redon. & aan Maaike Molhuysen

De geplande werkzaamheden gaan niet door

De geplande werkzaamheden gaan niet door

Maar inmiddels poedert zich de Dame
en bewierookt zich met Gods odeur.
Gerard den Brabander, Parijsche Sonnetten, 1947

 

Je nam me bij de arm – naar achter in
de tuin, waar tussen bladeren en struiken
de restanten lagen van het leeggeschopte nest.

Het was intiem – of was het dat? – hoe kon ik
weten dat wat je daarmee wilde tonen
de waarheid was, cocon van het verraad?

Geen bach, geen brood, geen rede
die een antwoord vormt – tegen
blind verraad is geen mens bestand.

De koekoek is in het land.

 

*

 

Gij hebt nooit echt in iets geloofd
bij u is liefde louter strategie
daaraan ontbreekt de lust & elegie
ge hebt nooit ergens in geloofd

Uw roeping? een straffe kille dirigent
een stoephoer die pijlsnel nâ de duivel rent
gij hebt nooit echt in iets geloofd
bij u is liefde niet dan strategie

 

*

 

De slang aan hare fabelborst
waarnaar de domme kleuter dorst
de achterbakse vrouwpiraat
zijn plek opeist met leuterpraat

Zoals zij in de leugen trapt
die zelf zo blij vertelde
als was ’t voor de min & grap
– had verder niets te melden

Dat je stikt in je verraad
wegzinkt in rotting & verderf
om wat je hebt geflikt vergaat
Schenster, wijk. Vloek god & sterf

 

 

 

 

De parabel van de grote man

Al ben ik zo zwart als roet / ik meen het toch goed.” (folklore)

Een hele grote neger, zijn lengte bedroeg twee meter vijftig, kwam een winkel binnen. Hij vergat te bukken en stootte zijn hoofd in de deuropening.
De deuropening liep niet onaanzienlijke beschadigingen op en de grutter die de winkel met hart en ziel uitbaatte voelde dat hij een oplossing moest verzinnen voor het hele grote neger probleem.
“Verboden voor hele grote negers” stond er een week later op een bordje boven de deuropening.

De broer van de winkelier was ook reusachtig groot.
Hij mocht uiteraard de winkel betreden, maar moest andere klanten die het bordje was opgevallen herhaaldelijk opmerkzaam maken op zijn blanke huid, om hen in te laten zien dat het bordje niet op hem van toepassing was.
Dit was een tijdrovende bezigheid die de broer van de winkelier afhield van zijn eigenlijke werkzaamheden (hij stapelde kratten en hield de bovenste schappen bij).
De winkelier werd moe van de misverstanden, en zinde naar een oplossing.
Hij veranderde, na overleg met een bevoegd geestelijke, het bordje in het volgende: “Verboden voor negers”.

En de zomer ging en de herfst kwam.

Op een dag kwam een kleine neger, met een vriendelijk gezicht, de winkel in. Iemand wees de kleine neger op het bord. Deze knikte bedaard. Maar er had zich een mensenmenigte om hem heen verzameld.
“Kun je niet lezen?” riepen de mensen en ze wierpen rottend fruit.
De kleine neger keek naar de grond en verdween uit de winkel. De grutter schudde zijn hoofd en zette een kruisje in zijn kasboek.

En de herfst ging en de winter kwam.

De kleine en de grote neger kwamen elkaar tegen, en besloten een eigen winkel te openen. Omdat ze zich gekwetst voelden door het voorval in de herfst, gingen de meeste negers liever naar deze winkel, ook al was het aanbod er beperkt. De deuropening van de winkel was drie meter hoog, zodat deze ruimte bood voor groei en nog grotere negers. Dat bleek een succes. Er hoefden geen bordjes te worden geplaatst.
Desalniettemin meden blanken de winkel, alsof er duistere praktijken plaatsvonden. Sommige spraken er zelfs schande van.
“Zo’n grote deur, sprak men, dat is toch niet normaal? Daar woont de duivel acher!” zei de broer van de winkelier, die zich schuldig voelde omdat hij alle problemen had veroorzaakt.
Toen kwam er een dikke blanke man de winkel van de negers binnen. Hij was te breed voor de deuropening, die door zijn binnenkomst aanzienlijke schade opliep. De negers wilden een bordje plaatsen met de tekst “verboden voor dikke blanke mannen”. Er kwamen nauwelijks blanke mannen in de winkel, maar het ging om het principe. En omdat ze niet minder principieel wilden zijn dan de blanke winkelier, spijkerden ze uiteindelijk een bordje met de tekst “verboden voor blanken” naast de deuropening.

En de winter ging en de lente kwam.

De kleine neger en de dochter van de blanke winkelier werden verliefd op elkaar. Hun relatie trotseerde alle smeekbedes en dreigementen, en er vond een huwelijk plaats. Ze openden een winkel met een vier meter brede en vier meter hoge deur, waar met gemak een olifant door naar binnen kon. De mensen vonden dat zo’n cliché dat ze zich ervoor gingen schamen. Er was niemand die de nieuwe winkel met de olifantendeur betrad. Economisch gezien liep de winkel dan ook uit op een fiasco.

De andere winkeliers hielden dit natuurlijk nauwlettend in de gaten, want ze waren bang op soortgelijke wijze ten onder te gaan. Een voor een verkleinden ze hun deuren. Eerst ging dat met kleine stukjes van een paar centimer, maar al gauw onstond er een wedloop en waren de winkeliers ijverig bezig, hun deuren zo klein mogelijk te maken. Hun klandizie had geen andere keuze dan zich steeds verder te bukken. Deze gewoonte begon zich met het verstrijken van de jaren en de generaties in hun lichamen vast te zetten. Dit is de echte reden waarom bijna iedereen, ongeacht ras, geslacht of seksuele oriëntatie, in het dorp tegenwoordig een bochel heeft. En dat heeft met de seizoenen niks te maken.

Schemerleven

Schemerleven

In mijn bestaan legt
het licht het af tegen de
gematigde grijsheid
van de schemering.

Op de tast
en de tenen
sluip ik door het leven,
zachtjes als een zuchtje

zoek ik mijn weg op het
gehoor,de ogen knipperend
en tranend vanwege kleine
lichtstreepjes

die de gordijnen
en de zonnebril
niet konden
tegenhouden.

Ja,ik lijd onder mijn
lichtgevoeligheid
meer dan onder kille
op-en aanmerkingen

van mijn medemensen.
De klappen van de
samenleving
deren mij niet,

heb altijd een
zakdoek
in de buurt

voor tranen en bloeden.

Zeef Mijn Ziel Niet !

Zeef Mijn Ziel Niet!

Er zit een code gekerfd in mijn
donkere ingewanden, die onder
zekere omstandigheden
mijn lippen doet pruilen,
mijn water breken.

Een kracht, alleen met
fluwelen handschoenen en zijden
blinddoek te benaderen,

kabels strak, touwtjes vieren,bloedgolven
in de binnenlanden!
Loszwierend sterrenstof en ander puin,
behorend tot de kringloop van mijn
verdronken leven.

Ach, zo glinsterend te zijn, een lichtroze
windhoos!

Laat mij maar wegwaaien, doorkrampen,
uitspoelen, ik
ben niet te redden, wat had je dan
gedacht?
Mijn smorende geest laat zich niet
de hand aan zichzelf, noch
geprakt door een theezeefje!

Zij is wat zij wezen moet,
puur en ongezoet,
een enkeltje
naar haar eindpunt.

Diarree en angsten

Stel de temperatuurfilter in zoals jij dat wilt!

Je eigen dromen zijn het mooist

the voice is over in hard roze

er is toch geen beter gevoel dan dat?

 

techreuzen worden van drie kanten bedreigd

digitale drones klinken en proosten

in willekeurige bistro’s

 

wat dacht je van een warme zonbestemming

waar het van de winter min. 20 graden is?

huistaal

zwaarbeladen pereboom vol gele metaforen, vol ooft
dat zwavelt en gist en geurt in het ochtendgloren
vaarten vol onverlaten raar in de bol geschoten,
paradijsvogelachtige, in zachte draaiingen verwachtige,
dienster van het neerslachtige, geurend-machtige
droomgrage vooruitsnellende dadengrage zuidenstroom
morgendivan vol frambozenhuidig fruitige vruchtverschuifsels
doorluchtig wuivende traagschreidende
autoriteit van tortelduiven op het plein
speel-mee met de eerste klanken carpe diem:
naijverige vroegte bij de karpervijver, schemer
verterende gemoedelijk
naast de eeuwigheid gezeten.
Meeuwengekrijs op honderd meter
tegen de platgehouden horizon
dauwlandschap parelend als een hemel vol vissenogen
hel zich uistrekkend onder wereldbogen
in het licht der onbedrogene gelijk
ijsschotsen drijvend naar de nieuwe wereld
de nieuwe dag in matgouden dageraden aangedragen
door vensters verbreid
tijdscherpe wekkervreugde, heugdelijke opsta-stemmigheid,
eerste zonlicht, liefdesvirtuose
la vie en rose
jij zachte kleinseptimeklank
prachtig-ranke lijstermime
maxime van meerkleurigheid
danken wil ik als eendengeklater, jij grote ogenschijn
in opengeslagen wijdte, reikhalzende honingraten
wang aan wang langs de gaande stroom
gelaten dromend in het koren staand
fluweeldoorvlochten wandtapijt, bekleeddwaardig geelgespikkeld
bravoureuze grimgram, beetgepakte stoere mannendroom,
mozaïek van spiegelstenen vol matoranje traankristal
zelden nagemaakte tsarenfladderaar van ingelegde
bladgoudkrullerijen en onverhulde boezemrijen
voorzichtig rijmende allesprobeerseres
drijfzand trotserende vrijgeleide
van nachtelijke rijkgekleurde wijkendheid
zinnelijk bezonnen leidraad van overdadige openhartige
tomeloos zarte gegenwart-verwachtige –
speel! met onze magere melkige betekenissen
verdwarrel over alpenvelden de bloesems
voel je een rond rotsblok verdwaald in de tijd
tussen water dat circuleert tussen
blaasbalgen die groeien tussen het wier
of in wilgen flapsig-wakker meisjeslachen
sproetenwangetjes half onzeker beschreven
springveer van opgewektheid abacus met rode kralen
kolkende regenzeeën laaiend zingend in eindeloos
liefgekozen verhalen,
roodbloeiende middelgebergte-bloesem
langs het pad dat zich naar boven kronkelt
jij nooit vergeten lelietje-der-dalen
steeds ontluikend, als de lentenatuur
als een wonder, spring op en maak ons deelgenoten
stuif ons aan de grenzen van wat zegbaar is
stuif ons aan de poorten
aan de poorten waar we met een knipoog
aan het moeilijkste manen:
de cirkel van vooruitgang in onze eigen borst te sluiten
dadelhuid, gerimpeld in de droogte van de zon
vochtverloren alabaster, mooie overrompeling
jij authentieke, laatverstane krans
kromdraaiige beeldenbestormster wormstekig
schuins beziene overall reformers
vormvolle avondjapon-blossoming ja-flierige
buitenfluiters, gaandewegs beeldgietende vrijbuiters uit
overtuiging, grandioze show vol hokuspokus echoloot-locus
van lieverlee verzakt met de zeebodem waar
triljoenen biddenden, voor hun liefde gewillig
willenden, wolpootjes samengebonden blondage
de heremitage met guitig opgestoken beeldschoon haar
lariefarie flikkend flakkende
snikkend snakkende hakkelaar
veel blijgebleven blaggeraars
de duur voorbij in een
vallée sans règles
waar brokaten sneeuwkristallen
in ijsgrotten blazen
uit de kars van vandaag draalt morgen
weer een dag, hemelser, flikflooiender
met de wijkende tijd tot de dood
een dag geurend naar kamperfoelie
en zachte lavendelbloesems, en we gaan
gezichten herkennen in witte stoom
we heffen een loflied aan op de bomen
naast de oudste olijfboom, en we vangen
de zon in sluiers op op ronde bruiloften
in luisterrijke dalen, doorstraald door
saudade’s kleindochter, haar vele gezichten
wemelend als rijp dicht aan de grond
dicht op onze zware tongen, en zo gaan we

min of meer uit: TongRiem.

Tegen de verveling

verveling verveling vervelling verveling werveling verveling verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling verveling verveling verveling verveling verwelling werveling verveling verveling verveling verveling verveling erfdeling verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling ververling verversing verveling verveling verveling werveling verveling verveling vervelling werveling verveling vervelling vervelling verveling werveling verveling verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling verveling verveling verveling vervelling verwelling werveling verveling verwensing verveling verveling verveling versterving verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling ververling verversing verveling verveling vervelking werveling verveling verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling werveling verveling herverdeling verveling verwelking verveling verveling vervelling verversing verveling verveling verveling verwelling werveling verveling vervelling verveling verveling verveling erfdeling verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling verlenging verversing verveling verveling verveling werveling verveling verering verveling werveling verveling verveling vervelling werveling verveling verheffing verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling verveling verveling verveling verveling verwelling werveling terechtstelling verveling verveling verveling verveling verwerving verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling verwensing verversing verveling verveling verveling werveling vervelling verveling vervelling werveling verveling verveling veredeling verveling werveling verveling verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling vervelling verveling verveling vervelling verwelling werveling verveling kerfgeding verveling verveling verveling erfdeling verveling vervelling wervelking verveling verveling vervelling vervelling vervelling verlenging verversing verveling verveling verderving werveling verveling herverdeling vervelling werveling verveling verveling verveling vereffening werveling verveling verveling

winterkost

Winterkost

Vanmorgen kocht ik voor de vogels een Aldi winter assortiment
Het had gesneeuwd vannacht, de stad was wit
Op mijn balkon reeg ik de vetbollen aan een koord 
Binnen op een stoel wachtte ik op de vogels

Eerst was er het roodborstje, daarna kwamen de mezen
Ook mijn merel smikkelde van de lekkernij
Maar 2 houtduiven stuurden hen weg en vraten alles op

Vanavond eet ik houtduiven met gesmoorde suikerbiet
Ik heb ze gestript en hun borstjes gebraden
Gevuld met paddenstoelen, broodkruim en sjalot

Van de karkassen trekt zacht de soep voor morgen

Dat je uitleg krijgt over het verschil tussen etiquette en etiketten

Dat je uitleg krijgt over het verschil tussen etiquette en etiketten

Soms word je voor ezel of zeur
Uitgemaakt, omdat je het verschil
Niet ziet tussen etiquette en etiketten
Dan word je moe en denkt, pfff
Moeten we elkaar dan alles uitleggen?

Voor mij geldt toch enkel regel 1:
Twijfel nooit aan eigen gelijk
Voor hen geldt bovenal regel 5:
– mensen zoals ik –
Moeten maar gewoon gewoon doen

Marc Scheepmaker, je vroeg mij
Over intelligente mensen op Facebook
Wat doen ze er eigenlijk nog?
We weten het niet meer, Marc

Ik kan alleen voor mijzelf spreken
Het denken volledig vervuilen

Om de pure schoonheid te filteren
En te pureren tot een gedicht hier

Dat konden wij als de beste, hè
Ons zuiver ondenken beviel ons wel
Maar je hebt gelijk, het kunstje is gedaan

Nu jij weg bent met een gebroken poot
Een algehele depressie daar bovenop
Is er eigenlijk geen kloot meer aan

Met burgers kun je argumenteren tot Sint-Juttemis
De duffe Domheid regeert immer
Geen ezel die er iets van zeggen kan

Zij leve hoog in hun Trump-towers
Domheid, prietpraat, kil en kul in de gloria
Hoera hoera, Gotham City global forever!