Tag: lied

Een greep naar de wolken

Maak ons geen air wijs

alsof je de muziek kent

niet de tekst van het lied.

 

Laat de daver maar

de bovenhand halen

op de trein, de sporen

laten de rozen geuren,

de veestapel in kralen

mag van zich laten horen.

 

Laat je alvast maar bekoren

door het galmen van het koren.

Wie denkt koortsig hooi te stapelen

mag van een strooien dak tuimelen.

De vogel hoort thuis in zijn leeuwenschik.

 

En hoor hoe wijs

het lied zingt van de aarde.

Het grasland van weleer

 

Het grasland van weleer

 

‘Kille nachtwind verdwijn dit is niet
jouw domein’
Je kon een vogel horen roepen in de lucht
Mistig ochtendgefluister en zacht geritsel
weersprak de doodse stilte die hing alom

Hoor de leeuwerik luister naar het keffen van de vos
bij zijn hol
Zie het water opspatten als de ijsvogel erin zich stort
En een rivier van groen glijdt ongezien onder de bomen door
stroomt vrolijk door de eindeloze zomer koersend naar de zee

In de kalme uiterwaard vlijde ik me neer
Overal rondom me daalden gouden zonnevonken op de grond
Me koesterend in het zonlicht van een lang vervlogen dag
voerden weerklanken van wat was de kamer in van mijn flat

Hoor de leeuwerik luister naar het keffen van de vos
bij zijn hol
Zie het water opspatten als de ijsvogel erin zich stort
En een rivier van groen glijdt ongezien onder de bomen door
stroomt vrolijk door de eindeloze zomer koersend naar de zee

 

 

Roger Waters

 

 

 

Mijn jas is niet van zilverlicht

 

mijn jas is niet van zilverlicht
al het serene, sonore beneemt het zicht
je moet wel gek zijn om je te dompelen
onder in de zon, en te verschrompelen
ten overstaan van algehele uitverkoop
al loopt het volk als vee te hoop

voor de val vrijmoedig van ikarus
omwille van een veel te vuriger kus
dan van de maan, schattige schroothoop
in ommegang tweedehands vuurdoop
van goud zij ruimhartig zilver maakt
en al mijn omstrengeling lichtjes staakt

te kniezen kiezen is er niet
brand of kilte je verschiet
en het verzilverde krediet
verwarmt je hart – graniet

          dwaal of blijf alleen verdriet
          zingt het ware liefdeslied

 

 

 

Aldus uw struikelende bruid

 

 

snorkel dichters
vent uw katjes uit
show uw kroost
en vier uw fruit

haat uw haat
en schiet uw kluit
wees te laat
wanneer de buit

van vrienden wordt verkocht
waar de noodklok luidt
eet men varens
drinkt beschuit

kucht u nog wat na
geen nood het kost geen duit
voor wie liever grienen blijft
is er immer nog wat fruit

Woudlied

 

Woudlied

 

 

stronkel niet

het woekert van welig en welste over de vloer
dripdrapt van druiphars en gekeept is het stammental
om schorswater vogellijm ochtval en voorvocht
(het meeste is melk)

er dwalen verdoolde stammen van boogpijl voorziene componisten
ooit achtergelaten door euvel paalplassende poelproducenten
er klijven behaaide walmzwalpers en vooral in de dalmtijd
actieve wamtasten vaak vingerend wetend van prooi

stronkel niet

de goergrot is geopend van negen tot tien en daarna
van tien tot zo verder

we zien er liaanfrisse duikers naar vlindervlammers
en de befaamde rankrijmers uit de eervoerige era et aria
ook maakt men kans op het schieten van een eenvoudige zwalmzwezerik
en een behendig geprukte nebulium elders ondenkbaar

één soort leeft niet op stokjes maar is evenwel
te bezingen tussen vijven en zessen
het betreft een onzinglijke zoenzus met blindslaande tandenrij
– in geval van glimlach – blooswekkende boezem en valdiep vagijn

en mij daar blij & belangeloos bij

stronkel niet

 

Berglied

 

 

 

Berglied

 

Mijn flinterdunne flanken zijn van ons. Onze voeten
staan alom, dag en nacht huilen we. We ruisen zuiver
ruisen zilver en zoet ons huilen. Dat is het sijpelen dat je daar hoort.

Wie omkomen komen in ons om. Welgemanierd staan wij om hen heen
in goedgekapte struiken en bossen. De brandgangen leiden daarvan af of zwijgen
ons open. Ze zwijgen in elk individueel geval.
Het gonst er naar behoren. Wie in ons omkomen komen onfeilbaar om.

Vraag het de luchten, het vee. Waar wij ruisen, sijpelen, zuchten, rinkelen zij. Mijn
flinterdunne flanken zijn van ons. De brandgangen leiden daarvan af. Vraag het de wachters, de zee.
Onze voeten staan alom. Onze voeten zijn schreefletters. Ze zingen zacht. Doen er
hun zwijgen toe.

Ook het onpeilbare, het rotsvaste is van ons. Uit beweging geboren verstarren we.
IJskoud. We staan, liggen, zitten de tijd uit. Overhuiven u, overleven ruwweg.
Er zijn er, zeker, die in ons omkomen, maar ook zijn we dansvloer, stijgbeugel, wordt
er afgeleefd en gebeden.
Wat klingelt is toegevoegd. Vee, gelovigen, dat soort dingen. Wij sijpelen.