Categorie: erger

berichten zonder categorie of over gematerialiseerde ellende of over literatuur of erger

Schemerleven

Schemerleven

In mijn bestaan legt
het licht het af tegen de
gematigde grijsheid
van de schemering.

Op de tast
en de tenen
sluip ik door het leven,
zachtjes als een zuchtje

zoek ik mijn weg op het
gehoor,de ogen knipperend
en tranend vanwege kleine
lichtstreepjes

die de gordijnen
en de zonnebril
niet konden
tegenhouden.

Ja,ik lijd onder mijn
lichtgevoeligheid
meer dan onder kille
op-en aanmerkingen

van mijn medemensen.
De klappen van de
samenleving
deren mij niet,

heb altijd een
zakdoek
in de buurt

voor tranen en bloeden.

Zeef Mijn Ziel Niet !

Zeef Mijn Ziel Niet!

Er zit een code gekerfd in mijn
donkere ingewanden, die onder
zekere omstandigheden
mijn lippen doet pruilen,
mijn water breken.

Een kracht, alleen met
fluwelen handschoenen en zijden
blinddoek te benaderen,

kabels strak, touwtjes vieren,bloedgolven
in de binnenlanden!
Loszwierend sterrenstof en ander puin,
behorend tot de kringloop van mijn
verdronken leven.

Ach, zo glinsterend te zijn, een lichtroze
windhoos!

Laat mij maar wegwaaien, doorkrampen,
uitspoelen, ik
ben niet te redden, wat had je dan
gedacht?
Mijn smorende geest laat zich niet
de hand aan zichzelf, noch
geprakt door een theezeefje!

Zij is wat zij wezen moet,
puur en ongezoet,
een enkeltje
naar haar eindpunt.

Diarree en angsten

Stel de temperatuurfilter in zoals jij dat wilt!

Je eigen dromen zijn het mooist

the voice is over in hard roze

er is toch geen beter gevoel dan dat?

 

techreuzen worden van drie kanten bedreigd

digitale drones klinken en proosten

in willekeurige bistro’s

 

wat dacht je van een warme zonbestemming

waar het van de winter min. 20 graden is?

huistaal

zwaarbeladen pereboom vol gele metaforen, vol ooft
dat zwavelt en gist en geurt in het ochtendgloren
vaarten vol onverlaten raar in de bol geschoten,
paradijsvogelachtige, in zachte draaiingen verwachtige,
dienster van het neerslachtige, geurend-machtige
droomgrage vooruitsnellende dadengrage zuidenstroom
morgendivan vol frambozenhuidig fruitige vruchtverschuifsels
doorluchtig wuivende traagschreidende
autoriteit van tortelduiven op het plein
speel-mee met de eerste klanken carpe diem:
naijverige vroegte bij de karpervijver, schemer
verterende gemoedelijk
naast de eeuwigheid gezeten.
Meeuwengekrijs op honderd meter
tegen de platgehouden horizon
dauwlandschap parelend als een hemel vol vissenogen
hel zich uistrekkend onder wereldbogen
in het licht der onbedrogene gelijk
ijsschotsen drijvend naar de nieuwe wereld
de nieuwe dag in matgouden dageraden aangedragen
door vensters verbreid
tijdscherpe wekkervreugde, heugdelijke opsta-stemmigheid,
eerste zonlicht, liefdesvirtuose
la vie en rose
jij zachte kleinseptimeklank
prachtig-ranke lijstermime
maxime van meerkleurigheid
danken wil ik als eendengeklater, jij grote ogenschijn
in opengeslagen wijdte, reikhalzende honingraten
wang aan wang langs de gaande stroom
gelaten dromend in het koren staand
fluweeldoorvlochten wandtapijt, bekleeddwaardig geelgespikkeld
bravoureuze grimgram, beetgepakte stoere mannendroom,
mozaïek van spiegelstenen vol matoranje traankristal
zelden nagemaakte tsarenfladderaar van ingelegde
bladgoudkrullerijen en onverhulde boezemrijen
voorzichtig rijmende allesprobeerseres
drijfzand trotserende vrijgeleide
van nachtelijke rijkgekleurde wijkendheid
zinnelijk bezonnen leidraad van overdadige openhartige
tomeloos zarte gegenwart-verwachtige –
speel! met onze magere melkige betekenissen
verdwarrel over alpenvelden de bloesems
voel je een rond rotsblok verdwaald in de tijd
tussen water dat circuleert tussen
blaasbalgen die groeien tussen het wier
of in wilgen flapsig-wakker meisjeslachen
sproetenwangetjes half onzeker beschreven
springveer van opgewektheid abacus met rode kralen
kolkende regenzeeën laaiend zingend in eindeloos
liefgekozen verhalen,
roodbloeiende middelgebergte-bloesem
langs het pad dat zich naar boven kronkelt
jij nooit vergeten lelietje-der-dalen
steeds ontluikend, als de lentenatuur
als een wonder, spring op en maak ons deelgenoten
stuif ons aan de grenzen van wat zegbaar is
stuif ons aan de poorten
aan de poorten waar we met een knipoog
aan het moeilijkste manen:
de cirkel van vooruitgang in onze eigen borst te sluiten
dadelhuid, gerimpeld in de droogte van de zon
vochtverloren alabaster, mooie overrompeling
jij authentieke, laatverstane krans
kromdraaiige beeldenbestormster wormstekig
schuins beziene overall reformers
vormvolle avondjapon-blossoming ja-flierige
buitenfluiters, gaandewegs beeldgietende vrijbuiters uit
overtuiging, grandioze show vol hokuspokus echoloot-locus
van lieverlee verzakt met de zeebodem waar
triljoenen biddenden, voor hun liefde gewillig
willenden, wolpootjes samengebonden blondage
de heremitage met guitig opgestoken beeldschoon haar
lariefarie flikkend flakkende
snikkend snakkende hakkelaar
veel blijgebleven blaggeraars
de duur voorbij in een
vallée sans règles
waar brokaten sneeuwkristallen
in ijsgrotten blazen
uit de kars van vandaag draalt morgen
weer een dag, hemelser, flikflooiender
met de wijkende tijd tot de dood
een dag geurend naar kamperfoelie
en zachte lavendelbloesems, en we gaan
gezichten herkennen in witte stoom
we heffen een loflied aan op de bomen
naast de oudste olijfboom, en we vangen
de zon in sluiers op op ronde bruiloften
in luisterrijke dalen, doorstraald door
saudade’s kleindochter, haar vele gezichten
wemelend als rijp dicht aan de grond
dicht op onze zware tongen, en zo gaan we

min of meer uit: TongRiem.

Tegen de verveling

verveling verveling vervelling verveling werveling verveling verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling verveling verveling verveling verveling verwelling werveling verveling verveling verveling verveling verveling erfdeling verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling ververling verversing verveling verveling verveling werveling verveling verveling vervelling werveling verveling vervelling vervelling verveling werveling verveling verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling verveling verveling verveling vervelling verwelling werveling verveling verwensing verveling verveling verveling versterving verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling ververling verversing verveling verveling vervelking werveling verveling verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling werveling verveling herverdeling verveling verwelking verveling verveling vervelling verversing verveling verveling verveling verwelling werveling verveling vervelling verveling verveling verveling erfdeling verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling verlenging verversing verveling verveling verveling werveling verveling verering verveling werveling verveling verveling vervelling werveling verveling verheffing verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling verveling verveling verveling verveling verwelling werveling terechtstelling verveling verveling verveling verveling verwerving verveling vervelling werveling verveling verveling vervelling verveling vervelling verwensing verversing verveling verveling verveling werveling vervelling verveling vervelling werveling verveling verveling veredeling verveling werveling verveling verveling verveling verwelking verveling verveling vervelling vervelling verveling verveling vervelling verwelling werveling verveling kerfgeding verveling verveling verveling erfdeling verveling vervelling wervelking verveling verveling vervelling vervelling vervelling verlenging verversing verveling verveling verderving werveling verveling herverdeling vervelling werveling verveling verveling verveling vereffening werveling verveling verveling

winterkost

Winterkost

Vanmorgen kocht ik voor de vogels een Aldi winter assortiment
Het had gesneeuwd vannacht, de stad was wit
Op mijn balkon reeg ik de vetbollen aan een koord 
Binnen op een stoel wachtte ik op de vogels

Eerst was er het roodborstje, daarna kwamen de mezen
Ook mijn merel smikkelde van de lekkernij
Maar 2 houtduiven stuurden hen weg en vraten alles op

Vanavond eet ik houtduiven met gesmoorde suikerbiet
Ik heb ze gestript en hun borstjes gebraden
Gevuld met paddenstoelen, broodkruim en sjalot

Van de karkassen trekt zacht de soep voor morgen

Dat je uitleg krijgt over het verschil tussen etiquette en etiketten

Dat je uitleg krijgt over het verschil tussen etiquette en etiketten

Soms word je voor ezel of zeur
Uitgemaakt, omdat je het verschil
Niet ziet tussen etiquette en etiketten
Dan word je moe en denkt, pfff
Moeten we elkaar dan alles uitleggen?

Voor mij geldt toch enkel regel 1:
Twijfel nooit aan eigen gelijk
Voor hen geldt bovenal regel 5:
– mensen zoals ik –
Moeten maar gewoon gewoon doen

Marc Scheepmaker, je vroeg mij
Over intelligente mensen op Facebook
Wat doen ze er eigenlijk nog?
We weten het niet meer, Marc

Ik kan alleen voor mijzelf spreken
Het denken volledig vervuilen

Om de pure schoonheid te filteren
En te pureren tot een gedicht hier

Dat konden wij als de beste, hè
Ons zuiver ondenken beviel ons wel
Maar je hebt gelijk, het kunstje is gedaan

Nu jij weg bent met een gebroken poot
Een algehele depressie daar bovenop
Is er eigenlijk geen kloot meer aan

Met burgers kun je argumenteren tot Sint-Juttemis
De duffe Domheid regeert immer
Geen ezel die er iets van zeggen kan

Zij leve hoog in hun Trump-towers
Domheid, prietpraat, kil en kul in de gloria
Hoera hoera, Gotham City global forever!

contactmetamorfose

Beginnen de Chinezen bij triptieken werkelijk met hun stokken te zwaaien?
Zwaaien ze werkelijk met hun stijve stokken?
Doen ze dat?
Bij blote zwaardvechters wiebelt alles
Heel organisch, bijna bio-dynamisch-organisch
De Chinezen slaan bionisch met hun zwaarden van lapis Lazuli

Er is nu sprake van contactmetamorfose

Hoewel Lapis Lazuli voor komt in China en Chili
Ligt Lazalum niet in China of Chili maar in Afghanistan
In Lapis lazuli kan Augiet, Diopsiet, Enstatiet, Mica, Hauyniet, Hornblende,
Geyeriet (een zwavelrijke variëteit van lollingiet)
en Noseaan ziten

Noseaan en Lollingiet

NOSEAAN EN LOLLINGIET

HORNBLENDE

NA LI

CONTACTMETAMORFOSE

uit ‘ het dagboek van Anke Veld’

28/01/2019

vast in taal. ik praat, ik schrijf, jij hoort jezelf, je eigen falen, wat ik ook zeg. ik denk aan die toren toen, van Babel, de spraakverwarring. ik zie die hele volkeren splijten.
het zit m in de woorden, dat denk ik dan, het misverstand. en ja begrip is vrede, onbegrip een oorlog, met vijanden en al.

voor begrip is luisteren nodig, en lezen. de woorden zoals ze er staan, zoals ze klinken. ja onder lagen stem, stem die veel verduistert, het stralen ook, van ogen, gezicht, mimiek.
hopen emo, stiekem opgeslagen in rimpeltjes en tikjes allerlei. in vlekken, littekens, een stuk minder of andere huid. dingen die ontbreken ook, niet rustig zijn.

ja taal is hopelijk het communiceren met woorden, elkaar helpen en onszelf, met dingen die ons gelukkig maken.
zoals sommige woorden, zoals met liefde, begrip.

luisteren is woorden aaien, ernaar kijken, alsof je die wil kennen, zoals ik dacht dat ook liefde was.


omzeg ik een zin, de woorden blijven bij de woorden medelijdend staan.

roer: ik tast mijn roeren aan en ik bekijk de spatel die ik heen en weer en heen vergeefs beweeg. waar ben ik?
licht: ik strijk het licht in kleuren uit, gestolde plaatjes van het duren van de weigering. zij houdt van Hem, Hij wijst haar af, ik hou van Haar, zij walgt van mij.
doof: ik uit de woorden die als motten in mijn keelgat slaan. ik walg, ik stik, ik slik. houdt Hij van Haar?
blind: ik zie een lijf dat leeg zijn liefde biedt aan mij. wie zijn wij, en waar?
daar: een voorwerp van verlangen gooit mij van hoog de gebaren van het falen in de open hand. ik vang een slipje met haar geuren.
er: mijn mauve stilte donkert er tot blauwig grijs. zij neemt mij in de mond.
ach: hij zoekt het spreekgestoelte. ik grijp zijn benen bij de haren vast.
ja: ik kom in haar, zij jankt, ik duw haar van mij af

ik spartel op de vloer.

de gebeden bleven steken in een lus van onbegrip.
mijn lichaam drukt zich nu volledig uit en af in de muffe kamerlucht. de walm is onuitstaanbaar: verschaalde lust en weemoed, zweet en drek en dan de onvermijdelijke maalstroom van verdriet, de alsem van de pijn, de lijkgeur van de nietigheid.

o nacht: ik voel de Zon al razen, ruik het solfer van Zijn dageraad.

27/01/2019 – dagboek data

 

#236

#236

 

Het ligt niet in de aard van mijn heilig
surrealistisch huisdier om tevreden
voor zich uit te staren, van alle kanten
loert gevaar en de monstertjes zingen

een treurlied over vaders versleten
duivenhok waar kwetsbaar en verlaten
de oude vogels dansen als ratten in
de val nu de zomer voorbij is en

ik hier weg moet zit het gruis tot diep in
mijn haarwortels, nog groen valt de nacht die
ruikt naar vermoorde bomen, ademloos

wachten de ongeborenen en verdwijnen
te vondeling gelegde eendagsvliegen in
september uiteindelijk in de troost van pijn

6/01/2019

uit ‘het dagboek van Anke Veld

“fuck the future: wat niet is, moet komen.”
Anke Veld 1/05/2021

 

ik lig in bed, ik waak, ik woel, ik vind geen aarding
in het draaien, keren dat ik doe.
er is een beeld van jou dat door mijn wezen jaagt, 
het laat niet af, het houdt niet op.

jij ligt in bed, ik duw en streef en sterf in jou.
jij kreunt omdat je niet meer kan,
je stamelt ‘nee’ en ‘nee dit kan niet nee’,
dus ik ga nog meer in jou tekeer.

en dan

de nekslag achteruit,
je drukt je achterhoofd de kussens in,
dat zachte wil niet kennen deze kracht van jouw ontluistering.
de aarde wijkt, de zeeën splijten,
monsterbaarlijk is geheel jouw lichaam
dan gebeurtenis, ontwaken:

je slikt en

in het bulderende suizen van het stille punt
omvormt zich tot kolos, kadaver en geraamte van de tijd
het woeste beest dat in je hals als honger leefde, de mastodont
die slokt, en slokt in de verpletterende zwaarte van zijn reine git
en die mijn snokken vreet, mijn spasmen, en die de kamer eet, en die heelal en jou verpulvert en vergeet.

uit jouw lichaam dan stijgt langzaam op
versplinterd licht
het zilveren zingen van gods glinstering.

 

Wat een meubilair

Voor Harmen Verbruggen 

 

Het smoelenboek lees je niet op een stoel,

ook niet bij de massage. Noch onder de massage.

Ik heb het toch eens geprobeerd,

zo onder de massage.

Ik kon geen woord uitbrengen.

 

Het smoelenboek lees je niet op de plee.

Was het maar een boek.

 

Facebook is a tool, not a massage

Facebook is a tool, not a massage

 

Vanmorgen vroeg ging mijn vrouw
naar het RIJKS MUSEUM.
Toen zij vertrok wist ik wat me te doen stond.
Ik schilder ‘s morgens het trapgat.
‘s Middags doe ik de badkamer.

12 Uur was het trapgat klaar.
Ik dacht na twee boterhammen
met Langres stinkkaas:
Wat leer je nu van lakken?
( jee)
Je zet altijd alles in hoogglans: JA
Lak is een uitroepteken in verf: JA
Zet dat dan minstens in perspectief: JA
Alles voor de mensen: JA

Een beetje hier, een beetje daar.
Dat is allemaal heel abstract voor 
ieder die het trapgat niet snapt.

Na 4 uur lakken was de badkamer klaar.
Precies vijf uur ging ik de keuken in

omdat er ook gegeten moet worden
wanneer de vrouw thuiskomt
uit het RIJKS MUSEUM.

Ik was daar één keer.
In het Rijksmuseum.

Toen ik zeven was.
Heb toen alles gezien.

Ik vroeg mijn vrouw vanmorgen
wat foto’s te maken.
Van Bethsabe zeker vroeg ze, 
Ja van die graag zei ik.

 NB: een hele rode kool is een pan vol.
Een halve rode kool invriezen gaat niet.
Wanneer je gehaktballen draait
leg ze dan nog even in de ijskast.
Dan bakken ze daarna mooi rond.

aan het einde van het jaar

Aan het einde van dit jaar
we leven 29 december 2015
in de tijd na de rechtszaken
zal ik geen gedichten meer schrijven
over verongelijkte agressie van hoentjes
of zwanen die in lauwwarm water onversaagd
heen en weer dweilen als uilenballen.

Niet over het gebrek aan humor van de reiger
die traag opvloog toen ik hem 2 jaar geleden
een sneeuwbal voor z’n arrogante kop gooide.

Of over luizenratten die immer aan je poten vreten
gelijk hardnekkig haatdragende collega’s
die aan het eind van ieder jaar
-kil en kul is hun advies en devies –
met hardliners als interpunctie
je de hemel in prijzen al dan niet dood.

Dat hen dat niet goed af gaat doet deugd.
Hoe dan ook, de master himself,
Herman Langgraf zei over dit alles
al in 2014 28 december om 11 uur ‘s ochtends:
‘Onzin is onzin naar mijn mening, BV’

AVONTUUR IN DE NEDERLANDSE CULTUUR

kwastafveegconjunctuur, piemelcultuur, avontuur
kwastafveegconjectuur, piemelcultuur
piemelcultuur, avontuur

AVONTUUR!

Gaan jullie mee?

Het jaar sluiten we af nu.
Het was een goed jaar en een slecht jaar.
Er gingen veel mensen dood by the way.
Who cares…

DAAR GAAN WE

Oh betweteren, oh bedwateren
Where is all the fun?
Je betwattert er haast van in je adellijke kak
Betwitter jezelf maar raak kakmajoor
Die Deutsche wasserbummen komen heus wieder!

Die Iremdepirem kanelidekanoli,
Ova Sephyria: Wo bist du?
Und mijne Herre Trump-Pie
Wie heeft ‘US ‘ zo gebakken?

Het is de wind in het internet m’n kind
Het giert en klikklikt: ‘US’ – ‘US’!
ES IST genau SLUSS MIT den ‘US’  JA!
Jaloerse Zephyrus , Zephyr yourself lekker, JA!

Zephyr laat daar toch weer een stinkend windje
Alles valt te ruiken mits uitgerust met goede neus
De gierputten staan al wijd open my dear

Terwijl wij onze Z – gedichten zoeken
Luisteren we naar Juggernaut
Nu willen we het horen ook:
Wat doet Irem de pirem met haar wasserbummen?

Vroeger toen we nog punk waren
aten we kaasfondue op het dak
en draaide Satie achterstevoren
om te horen of nihilisme voor of achteruit anders klinkt

Zullen we vandaag nog een taart bakken?

Woorden die galmen of walmen is niet mijn ding
Woorden zijn als messen:

Dit jaar zal ik geen gedicht meer schrijven
over verongelijkte agressie van hoentjes, of
zwanen die in het koude water onversaagd
langs dweilen als uilenballen,
het gebrek aan humor van de reiger die traag
opvloog toen ik hem een sneeuwbal
voor z’n arrogante kop gooide.

Of over luizenratten die aan je poten vreten
als hardnekkige en haatdragende collega ‘s
die aan het eind van het jaar
– kil en kul –
met hardliners als interpunctie
je al dan niet dood de hemel in prijzen.

Ach senliches leiden

O verstikkend lijden
mijden strijden scheiden wekt mijn wee
beter nog verzonk ik in de zee
fijn aanminnig wijf
uw lijf beklijft verdrijft naar josafat
hart moed zin & rede even mat

ons scheidt de dood
nu uw gena niet baten wil
de nood is groot
mijn zuchten berg ik stil
uw mond zo rood
vergroot mijn lust & zwijgt & blijft zo kil
einde peinst & grijnst ik gruw & ril

~

Mijn hart schreit schril & klein
verdrijft verkwijnt verdwijnt tot mijn verdriet
uw min biedt niet dan pijn in mijn verschiet
gelijk te zijn aan de dolfijn
diens lust voert naar de diepste oceaan
ontvlucht de storm & zie hem vliedend gaan

van zonneglans
die hem verkwikt zijn geil gemoed
omklem die trans
met al uw vrouwlijk liefste goed
geef hem een kans
niet kerven sterven derven hertengloed
zo ver van u verga ik nu & bries & woed

~

Mijn hoofd is dwaas omkranst
met klagen vragen dragen uur na uur
duizend jaren brandt mijn liefdesvuur
mijn jammer een sintvitusdans
’s nachts smacht veracht mijn eigen kracht
verstrikt mijn hoop gans kansloos in haar macht

geen die mij troost
al is mijn lijden twijfloos groot
mijn hart verbloost
van zelfbeklag kleinzielig & ontbloot
och word ik ooit verlost
het treuren beuren sleuren dat zo knaagt
gekte grijpt & knijpt blijft onversaagd

~

 

Oswald von Wolkenstein, Ach senliches leiden, 1432
tweede proeve van vertaling

https://www.youtube.com/watch?v=zVBUNLEOKkk

het lied klinkt vanaf 6:33

Spasiba

Spasiba
 
Soms heb ik blaren op mijn ziel.
Beter gezegd, blaren op mijn spleen.
Die loop je er dan af met een ochtendwandeling.
Dat voelt goed, dat prikt door!
 
Dan is het warm, intens warm, heet zogezegd.
Ik hoor de muziek van Berio, ‘Majakovski hangs in the clean air’
De brandweer passeert loeiend om verre bosbranden te blussen.
Ik heb al veel gedronken, mijn hart pompt hoorbaar in mijn hoofd.
De keel voelt nog niet, maar komt na de sigaar.
Links tot het oor, het linkeroor, de linker keel, strot-te-hoofd.
 
Een wals van Berio is een wals, is een wals, is een wals.
Alles eindigt, maar evengoed, ik ga tekenen tekenen.
Keep going, keep going… spasiba!

Inspectie van het hart


Inspectie van het hart na een avondwandeling:

niet vergeten, goed onthouden!
Het pompt uit zichzelf ook met wat tegenzin,
op reis naar het vergeefse dat niet wil.
en ook het grote van vreugde en verdriet van de vreemdeling,
die ik ben voor mijzelf

Bestrijd zaken zoals vrees en zweterige gedachten.
Alles is zwanenzang, onthoud dat goed!
Gooi vol dat lijf en drink tot je niet meer drinken kan.

Een pandemonium is een draaiorgel in een veeg lijf,
vol reine verzen tolt de pijn die zingt voor even
een smadelijk lied, want als het even kan,
als het dan toch voor zolang het duurt even kan,
doe dan zoals een vogel die stijgt in de lucht,
steeds hoger, alsmaar hoger, alsmaar hoger.

Stelling

opinie geuit in de sociale media over de subsidiecriteria gehanteerd door het VFL inzake auteurslezingen:

“voor mij heeft het minder met de centen te maken dan met het principe: men subsidieert op basis van achterhaalde criteria en miskent daardoor niet alleen auteurs die minder mainstream werken zoals visuele dichters, maar men miskent ook gans de realiteit van het schrijven en belemmert daardoor eerder een gezonde doorgroei van de letteren in een gans andere, totaal omwentelde schrijfomgeving. Uit angst voor de instorting van een oude orde die al decennia niet meer bestaat, belet men de ontwikkeling van de nieuwe mogelijkheden. Als je zoiets doet met middelen van de belastingbetaler dan ben je of je dat nu beseft of niet, want dat voordeel van de twijfel gun ik hen van harte, bezig met volksbedrog in functie van geheel contingente financiële belangen en niet met het bevorderen van de Letteren.”

Nocturne

Nocturne

Gott meint es gut mit jedermann,
Auch in den allergrössten Nöten.
Verbirget er gleich sein Liebe,
So denkt sein Herz doch heimlich dran.

Cantate BWV 188

 

sluierwege slaapt
haar blikken sneeuw
tikt het ik in binnenik
oogst of oogt noch oorlog
heur stiekeme geeuw

hoe weet de oehoe
hier de leeuwen
van mijn misverstand
ik ben er wel maar niet
van alle eeuwen

eens per hartslag
zal ik waken
dertien omloops lang
uw ziel en heil
zal ik drama slaken

van de verre lila kim
steek ik over naakt
hopend op uw telescoop
zoek hand in hand
de ster die immer waakt

neem mij dus louter ‘s nachts
ik ben in lood gehuld
indigo licht ik op
wanneer uw vingerspreeuw
mijn liefste zucht vervult

 

 

 

 

ill. Wiebe Bloemena, 1963, 2009

 

 

Xenakis en Ikea in één zin is leuk qua klank

Xenakis en Ikea in één zin is leuk qua klank

Waar zijn de schoonheden gebleven?
Is de revolutie al begonnen?

Vroeg een Russisch ogend meisje 
mij out of the blue toen ze uit de Mac Donalds
kwam met een zak frieten en
tegen mij aanbotste op de Coolsingel.

De wind waait dwars door mijn huis
Speelt met de scharnieren van mijn deuren
die knarsen en piepen vertraagd
samen een vertrouwd winterlied.

Eerst de wind dan de deuren. 
De kachel loeit en het dak kraakt.

Gister brak ik mijn koffiepot, 
ik moest er vannacht uit,
omdat het binnen begon te regenen,
maar kreeg vanmorgen de uitgewaaide geiser weer aan.

Reglement voor ‘t scheepsvolk

Reglement
voor ’t Scheepsvolk

 

ieder man een volk dat scheepgaat
laat zich voeden met ’nen zilten droom
weggaan & weerom weer weg no home
de buik niet scheurt & lopen laat
waar vrouwlief wacht & wacht
wacht tot de weerkomstnacht

in deze vademen verdrinkt geen vlag
geen vlinderslag zinkt zingend dingesdag
de haai gemist de boot verkist
het heerlijk sissend zeemansgraf

– voor wie aan armoe sterft
is dood te groot te sakkerlood

 

 

Zondags.
½ mutsje Genever aan ieder man

 

het tere licht gutst in de vingerhoed
koopt koper voor de mannenmoed
de muts de smokkelwaar
gemaakt van droom & adelaar
wie arend is & aarde omnivoor
kom om & om ivoor voor wederhoor

godlof om ’t schom’lend vocht
dat stilaan brandend alle zwansen
in den nijv’re blik doet dansen
om wat de zee vermocht – verzocht

 

 

Maandag.
Peper, Mostert, Boter, tot sous maaken

 

zo eenvouds stille ingrediënten
smaakt ruwe bolster zoet & goed
stokvis & emmers erwten venten
die topkok tovert uit zijn hoed

maar niet aleer de jaagster met het koele hart
zich groot maakt in ’t alom bespikkeld zwart
die ieder man graag vreezen doet
voor heur helse honden & de knoet

 

 

Dingsdag.
2 emmers Witte Boonen voor ieder 100 man

 

hier met die emmer! begot
wij zijn met vijftig & niet zot
de maankleur is ons lief
het is een dag voor domme dingen
om schootsruim uit te zingen
veel vrouwenvingers alsjeblief

het wit van bonen opgesmukt
voorzegt het muizig mutsjelief
’t is u gelukt & afgerukt
dat aanstonds spreken zal
& heerlyck opgeleukt mijn waterdief
mijn logboek siert & steekt van wal

 

 

Woensdag.
40 Pruimen of 20 Corenten ieder 100 man

 

bij elk paar pruimen wordt gesteld
dat één corent wordt neergeteld
op zee zal elke golf zich schamen
voor eigen schuim en amen

dit komt doordat de spoeling
eens zo dun is als verhoopt
& elke zuivere zilthapmossel
slechts waan is & gedroomd

’t is deez’ corente duivelsdag
dat alles zich verliefd verknoopt
& elke vale meisjesmossel
zich verpopt: als pruim zich toont

 

 

Donderdag.
Vleesch ieder man
om alle ongelukken van ’t koper voor te komen

 

centurion kom aan kom kees
vetmest de aarde in ons lijf
verwaan verwen verwees
totdat we hijgen bij het wijf

als venus bloeden moet & doet
& van de honderd nog slechts tachtig resten
wij slobb’ren strijd & bloed & goed
& naderen het wuivend westen

 

 

Vrijdag.
½ Spek voor ieder man

 

de bek staat open is gebroken
maar ’t zwyn zal ons doen koken
haar veile vet is onze kracht
haar lillend vlees zo rijk zo zacht

’t schuim schudt schalks haar lend’nen
& reken reken reken maar
dat we de steven zullen wenden
bij ’t glimmen van heur hoerenhaar

 

 

Saturdag.
tot Grobbezak, met Wyn, Zuiker, Tamarinde, na ’t behooren
½ mutsje Genever voor ieder man,
en het over gebleeven eten

 

& vrouwlief wacht
al tot de weerkomstnacht
wat over is dat is gebleven
rest slechts ’t zingend beven

van al wat zoet en zoutig is
langs venus’ vrome dreven
& goed & goud de nis
waarin ik kom tot leven

het mutsje spelt mij uit
wat wacht als haar & huid
ik doop mijn ruwe snuit
in ’t zachtzilte van de bruid

 

 ♣

 

 

I Corente 13:3

 

ill. Anon. VOC-schip De Noord Nieuwland, 1762

 

 

 

 

 

 

 

Alle paragnosten hebben een luisterend oor

 

 

In een veeleisende omgeving

genereert een patiënt gewoonlijk

een terabyte aan gegevens

 

voor diegene die het vergeten zijn

in ons gesprek

komt de informatie vanzelf

door middel van automatisch schrift

krijgt u altijd een eerlijk

en positief antwoord

 

de psychologische voor- en nadelen

van uw relatie tot de ander

belicht ik in detail

 

in een negen weken durende studie

die de koers van

uw leven zal veranderen

 

we kunnen als u dat wenst

ook een voorspellende legging

voor u doen

Schikt het u?

 

Schikt het u?

    – de Moiren spreken

 

Clotho:

Ik weet, u heeft nergens om gevraagd
maar aanvaard deez’ zilveren draad –
Uw heil en ongeluk hangen ervan af
u ziet mij niet, maar ’k weef uw straf.

 

Lachesis:

Dat denkt zij maar, daar aan ’t getouw
ík ben uw engel, blijf u eeuwig trouw –
Uw kameraad ben ik, bij elke dapp’re stap
nee lach maar niet, ’k ben verre van een grap.

 

Atropos:

Ik ken die grootspraak: cynisch, valse hoop
eeuwig? waanzin. ik ben uw laatste knoop –
Uw grootst geschenk ben ik, uw snelle mes
u bent geweven, ik haal het uit – dé levensles.

 

     ~

 

 

 

 

ill. titelpagina Lucas Cranach der Ältere, Das Parisurteil (detail) 1530

ill. hieronder Salvador Dalí, El Mundo, 1984

 

 

Salvador Dalí, El Mundo, 1984

 

 

 

 

je brein wordt sterker wanneer je hem aandacht geeft

je brein wordt sterker wanneer je hem aandacht geeft

Omdat het zulk mooi weer was gister
en omdat ik eergister op de radio hoorde dat mensen
– ik reken mijzelf tot de mensen –
te weinig met natuur en de overgang van
jaargetijden ‘doen’ en zodoende losraken van
hun zoogdierzijn, ging ik uit fietsen op mijn Makita

Hoewel ik veel ernstige schilderblessures heb 
– mijn rechterknie protesteert al maanden –
– als  linkshandige schilder kniel je met je rechterbeen – 
– de rug is sowieso al sinds mensenheugenis kapot –

Zat ik met de kracht van enkel mijn linkerbeen
al snel in de maalstroom die me in 1 kwartier 
op 10.000 meter hoogte bracht 
en mij naar New York voerde
Dag dag, New York!

Ik zwaaide nog…

Daarna fietste ik weer naar huis

De geluiden van de tijd, de geuren en kleuren 
die je allemaal ruikt, hoort en ziet op zo’n uitje
nou, die radiodame had helemaal gelijk!

Eenmaal thuis was ik moe
ik moest eerst diep slapen
om daarna dingen te doen 
die een schilder nooit durfde

De pitch van Nimrod

De pitch van Nimrod

Deze gebruiksvriendelijke boekenkast
Met slechts één plank – mèt FSC keurmerk
Vormt een Ikealoze wand van liefde voor het boek.
Wildvreemde boeken leggen wij netjes in steenverband
Om met elkaar te vrijen opdat het woordsap tot u komt.

U wilt een boekenkast als een orgie, een citadel van taal?
Een die tot in de hemel reikt en in tongen spreekt?
W
ij leveren het totaalpakket van uw leven.
De kast der kasten is één grote Babylonische spraakverwarring!
De Nimrod is als een Zauberberg van het lezen,
Geheel op de hoogte van al uw genoten denken.

Een woordkraantje bestelt u voor 299 euro
Zinnenkranen kosten 599 euro
Wij bieden u speciaal eenmalig ons luxe totaalpakket:
Alle kranen inclusief gratis installatie door onze vakman
Voor slechts 999 euro heeft u ze morgen al in huis!

 

Enkele bedenkingen, duaal, desnoods

Enkele bedenkingen, duaal, desnoods

 

            I

 

kunt u zo gereformeerd mogelijk door die klei lopen?
langzaam vaar ik op haar toe, ik kus de zeep bezopen.
haar tong elektrocuteert beide dijen mijn, ik hoor haar hijgen.
mensen die lelijke muziek maken moeten de doodstraf krijgen.

met zo’n vervaarlijk vrouw mag je je gelukkig prijzen.
tenzij je doodgaat natuurlijk, zonder af te grijzen.
schik een beetje op, meneer, laat me mijn droom begaan.
je beeft, want als de sterfte leeft, heb je er niets meer aan.

doorroeien, matroos, hier is het zeil, uw geil is veil.
gereformeerd? moi? & klei? waarin huist uw ijlend dweil?
een oeverloze levensvraag. als isis zoekend langs de nijl.

zo ben ik dan ook weer wel, gij onbesuisde blaag.
nu in de aanbieding: de exclusieve bottenzaag.
ei, ei & ei, de queeste is onbarmhartig vaag.

 

 

            II

 

hier is mijn touw, uw zweep, o lieve leep.
’t is gauw gedaan, met tape & sunlight zeep.
gereformeerd of niet, immer een reet in ’t verschiet.
lik mijn hooggesloten schoen, toon fatsoen of niet.

uw sluier maakt u geil, & tot mijn plezier, bezit.
ocherreme, schriel balkenbrij, laat zien uw slappe lid!
en als ik uw fier fameus flamoes eens likken zou?
geen corset zo nauw, of ’k sla uw billen blauw.

u maakt mij bang, is al wat ik vandaag verlang.
daar verderop, uw borsten groot & bloot.
waag ’t niet, gij worm, of proef mijn balzaagzang.

ik handel naar wat ik zie, u bent zo goed als dood.
waterpomp & tang, verboden zuignap, slecht behang.
koop ons waspoeder, slik ossengal, bederf als schroot.

 

 

            III

 

uw ogen zijn als dadels, gevoed met droesemgif.
zeg nog eens zo ah, uw lippen zo vaneen, zo grif.
lui als de leliën des velds, uw halfslachtig opperdoes.
eens als de bazuinen klinken, sla ik u tot vogelmoes.

er was een paap, een pruimensnoeier, een waar priaap.
het kerstnummer staat ruk overeind in vleesloos gaap.
och dat gij mijn broertje waart, ik sloeg u lam & lens.
nee, dan het steig’rend paard, dat zet mij in de hens.

o mens, beween mijn zonden groot, & zing voor mij.
melk, goed voor elk, liegt van liefde, dwaze sjankerzot.
bijt, sla, trap, vernietig mij & snik me bach zo blij.

dan sterf langszij & verzucht nog eens er is geen god.
allerhande troetel mij, meng pijn & smaal daarbij.
ik ril en zie niets meer – is genot triomf, triomf genot?

 

                        ~

 

 

 

 

 

 

 

Frederick Carl Frieseke, Nude in Dappled Sunlight, 1915

De leefclub

De leefclub

 

I

 

Want ja, wij willen maar wat graag zijn
de machtige magiër, die met zijn megalomane manieren
de meervoudige merites van dit ondermaanse manipuleert,
of de wijze, want wijs lijkt zij, vrouw die in de speciaal
voor haar opgerichte tent de haar toegewezen bezwarende
boekrol beduimelt die zo te zien haar erfgoed is – de enige hier
die terecht een sluier draagt, van huis uit.

En neem de van godweetwat bezwangerde Venus, die uit het water
oprijst, of erop troont, als was het haar terrein: de kracht die
in haar arrogantie huist beweert bergen tot bewegen te bewegen,
mannen tot minnen te manen.
Ook haar eega verschuilt zich niet – stoer en stompzinnig zit hij
neergezegen, heeft zich verkleefd met de stabiele zerk
van zijn materieel vermogen. Natuurlijk ziet hij de dood niet,
die hem vanavond halen gaat in Ispahaan.

En dan is er de geleerde, de goeroe die zijn bijoogmerk verbergt
achter zijn baard of zijn betweterig tonsuur – hij heeft, beweert hij,
onmisbare info, van hogerhand. Dus huiver en luister – er zit
niets anders op.
Voor wie niet kiezen kan, hebben we hier de dwingende tweesprong
van Amor geïnstalleerd, zo u wilt met pijlenregen. Daar
komen lastige kinderen van.

En het allerstoerst is natuurlijk onze huis-tuin-en-keuken-Hell’s-Angel,
zwaar gemotoriseerd en bedreven in het snode plan. Knipoog
naar Apollo. Niet dat hij ver komt – te veel spaken steken er
uit zijn dwarse, steenzware, zo niet leilompe wielen. Hij
roept maar wat, de modebewuste new-age-yup.

Waar blijft Salomo, vragen we ons af. Iemand moet hier toch wijzen
op het moederschap? Ah, hij heeft zich vermomd als een zij. En om haar
overijverig steven te staven, toon zij ons haar mooiste keukengerei.
Wég van hier. Op naar andere, dieper gelegen regionen! Geheel
abusievelijk heeft onze blinde vriend zijn potsierlijke zandloper
verruild voor een wat onstandvastige en sowieso hier en voor hem
onnutte kaarsvlam – die telkens uitwaait – want tochten dat het hier kan!

Enfin, op deze noordelijke bergrug – onvindbaar op de kaart – heeft
Moedertjelief haar toestel geïnstalleerd – een wankel en onmooglijk
staketsel dat volgens haar, en haar drie onafscheidelijke speeltjes, ge-
groepeerd rond de wat uit het lood staande spil, een geolied perpetuum
mobile moet voorstellen. Stel je voor!

En bij deze club, dit stelletje ongeregeld willen we horen! Het
inschrijfgeld, zo vernam ik uit bedenkelijke bron, komt geheel
ten goede aan de eerste de beste flapdrol die het geheel,
de zin, de toedracht weet te doorgronden.
Mooi meegenomen.

 

II

 

Hoe anders ligt ’t bij de rest! Die motorpipo van zonet heeft z’n wrakhout
verpatst, en gaat nu gewapend met honkbalknuppel de arena in. Daar
zal hij de toegestroomde goegemeente verbijsteren met zijn dressuur-
en slagerskunst. Hic sunt leones.
Het loopt niet goed af – dit wordt een lynchpartij van het zuiverste
water – vreemde vruchten dragen de bomen hier!

Maar we zien hoe ’t komt: die ene lange met z’n zeis is debet aan de
nu glashelder aan het licht gekomen alomtegenwoordige en niemand
ontziende maatregel. Deze douanepost kom je niet levend en schoppend
voorbij. Even goede vrienden.

En zo zit het dus met de meeste anderen, of ze nu wat onnozel
staan te emmeren met hun vleugels van was en een blik van
kijk mij nou de feestartikelenwinkelier uithangen, of dat ze
de algehele wanhoop nabij uit de rokende architectuur van de
megalomane skyline springen, vliegen, zich laten vallen, dwarrelen,
iets is er, iets zijn ze vergeten – de bokkepotige jandoedel die
ze grinnikend zijn welgemeende mores leert. En waar
kennen we die vrucht van, daar in zijn obsceen glimmende
schoot?

Maar er is licht.

Onze bakvis heeft hiervan iets opgestoken – en dat is ha niet
heur haar – als een volleerde volbloed centerfold
poseert jarig jetje bij het staande water. De goegemeente bloost,
daar zij haar water loost. En dat is de schuld
van die ster! (Die krijgt nu eenmaal altijd de schuld.)

Nu ook de andere hemellichamen er zich mee lijken te gaan
bemoeien, schiet de fabuleuze kakofonie van de fauna door de ether.
Links het wild, rechts het gedomesticeerde stemgeluid van wie beter
ruiken, jagen kan dan zien. De grijnslach van de echo heeft dorst.
En bloedrood is het hier.

De muur, speciaal opgericht voor het onnozele danspaar dat
ongenodigd voor de nodige stemmingmakerij moet zorgen, is er
om omheen te gaan, om de zon te ondergaan en te zien ondergaan,
dat is buiten kijf. Daarbij zingen de doden dan zwijgend hun volkslied,
De grap van God.

Nee, echt grappig is het in het ondermaanse pas als de flierefluiter,
de paljas, de pruimensnoeier, de bacchant, de lelie van het vrije veld,
de natuurwetten tart en een staaltje levensgevaarlijk bungeejumpen
in petto heeft voor wie hem een cent geeft. Aan de rand van de af-
grond, daar is het goed toeven.

Hoe anders in het starre wereldbeeld van het kompas, de radar die
de raderen in het oog houdt, stuurwiel van het heelal
– is dat hetzelfde als het universum? – misschien zelfs wel het Al.
Waar typjes als Kali, Maya, Sofie, of hoe haar wellustig ouderpaar
’t gedrocht ook genaamd heeft, Inanna,  Lilith, met haar slangen speelt.
Eurynome. Hier staan zelfs de wielen stil,
ook al zijn ze met z’n vieren. Want er is niks te vieren.
De wacht is op de vroedvrouw van het woord.

En dat er iets te vallen valt.

 

 

 

 

 

ill. Salvador Dalí, Templanza, 1984

 

 

 

 

 

twee meeuwen

Twee meeuwen

Boven de Maas op de noordkop van de Maastunnel
Vliegen twee jonge meeuwen in de storm
De wolken zijn 
leeggezogen de lucht kristalhelder
Blauw en s
tervenskoud tinkelt mijn oor

Ademloos volg ik hun luchtballet in de oostenwind
Versnellend in de maalstroom boven de rivier  
Om te keren waar de stad eindigt en het water zich verbreedt
Zij spelen een spel met de wind mijn kind
Het zijn broers denk ik, of broer en zus misschien

De hardheid van het stuitende zonlicht op het water

Het voortjakkerend winterblauw doet me tranen
Terwijl ik de twee meeuwen probeer te volgen.

Keer op keer pakken ze tegelijk de wind vol en sjezen
In volle vaart terug om weer tegen de wind op te gaan
Ze krijsen als kinderen blij die van hun glijbaan roetsjen
Hoge vliegkunst in een alsmaar aanwakkerende storm.

Zijn er slecht vliegende meeuwen, vraag ik mijn vrouw?
De één is beter dan de ander zegt ze
Maar meeuwen vliegen allemaal heel goed.

Als wanneer wie ooit

 

En als

de verschrikking God verlaat en hij zich alleengelaten
in de handen wrijft, zijn zelfverklaarde eenzaamheid
overziet als een afgebrand bos waar gisteren nog de
vossen slag voerden met de eieren van godweetwelke
amfibie, leggen overal op aarde vrouwen hun sluiers af
en mengen zich onder de beverige mannen van het
publiek terrein, terwijl de loper uitgelegd wordt voor
hun onthulde schoonheid, die zo oud is dat zelfs God
het zich niet heugen kan. Ze zijn vormvast en ontfermen
zich over de paar vossen die nog over zijn. Pas dan
zullen zij zich met hun mannen bemoeien. En ontstaat er

 

een heel ander weertype.
Pas dan.

 

Of wanneer

de piepende rollator van de gepensioneerde beul
vastloopt in het ijverige zand en de goede man zijn
laatste kaarten uitspeelt en inlevert, weet de moedwillig
blinde grootmoeder van het recht het licht op waarde
te schatten en stapt samen met het verwende zoontje
van haar bastaard van de schaars begroeide rotsen. In
haar verdorde hand wordt evenwel een brief aangetroffen
die boekdelen spreekt over haar merkwaardige voorliefde
voor maanlicht

 

en alles
wat staat of valt.

 

Maar wie

zich hult in ja en nee bedoelt zal de hand aan zichzelf slaan
bij wijze van straf en in hoger beroep veroordeeld worden
het heelal te overleven. Geeft niets, heeft niets. Als maar tijdens
het luchten de stilte stem geeft aan de donkere maar rijk
belauwerde spiegel van de liefde die tot aan het einde wordt
verstrekt. Het is zonneklaar: ze heeft alles in huis. En

 

de wind
werpt het laatste woord.

 

 

 

 

ill. Egon Schiele, Herbst Baum gerührt Luft, 1912

 

 

Abusievelijk Abc

 

Abusievelijk Abc

 

Alle geile zalmen zwemmen naar zee
dansende darren opwaarts de stroom
sip als een boemerang niemand zegt nee
            de wetsteen is wet waar zonder schroom
            boekdelen lallen van bronst onverlet
            in de alom tierende vroomzieke droom

 

Braak liggen de gronden voor wie kust
van de dageraad de aars met z’n baard
ah zie de moede koe hoe zij troostrijk rust
            haar kop op de kont van haar zus
            & langs alle waarden naar hun aard
            het schaap haar eigen schaduw baart


Chef-kok baldr aanhoort zijn gerecht
alles van aarde liegt & ijlt het is
wat men dregt & wat u zegt net echt
            vrijmoedig u leest hier op de plee
            de aan hitler toegeschreven goudvis
            eerlijk erfgoed – t zit m niet mee

*

Zo speelt in haar zelfvoldane spelonk
de nijvere arbitrix
met haar goddelijke vonk

 

 

Herinnering aan Marsman

Denkend aan Holland

zie ik brede wegen

traag door oneindig

laagland gaan,

rijen mensen ondenkbaar dik

lang in files staan,

politici die ijlings populieren ten tonele voeren,

fier pluimen op eigen hoed zetten,

om aan de einder amechtig

nog éénmaal tegen elkaar op te gaan.

En in die in asfalt dooraderde ruimte verzonken,

boerderijen, megastallen verspreid door het land,

boomgroepen geknot, verlaten dorpen,

vermolmde kerken en steden vol wolkenkrabbers

in een immens verband.

De lucht hangt er laag

de zon wordt er langzaam

in veelkleurige grijze

roetdampen gesmoord,

en in alle gewesten

– van gewest tot gewest –

wordt de stem van het volk

met zijn eeuwige rampspoed 

gevreesd en gehoord.

Wat doet een schilder op een regenachtige zondag

Wat doet een schilder op een regenachtige zondag terwijl Berio op repeat door het huis schalt: in een half uur met groot plezier en zekerheid 7 schilderijen vermoorden. Zonder moord geen leven, zonder fouten niets nieuws; met dikke verf ongericht contrastwerking ophogen, bezadigde frivoliteiten uitbenen op zoek naar bot, geen vorm of kleur mag zichzelf blijven, ze moeten veroverd worden. We moeten hard zijn voor de vormen en kleuren.
Zelfs naamgeving van de dingen ondermijnt de essentie van het bestaan volgens Wessel te Gussinklo – ik hoorde hem vanmorgen op de tv naar aanleiding van zijn boek ‘zeer helder licht’ Ik las ooit een ‘verschrikkelijk’ boek van hem, maar deze moet ik weer lezen. Wat een man!
Die kleuren en vormen willen van alles zijn maar ik sta ze dat niet toe. Ik haal ze links en rechts in op zoek naar het daar en hier dat zich in het niets ophoudt. Alle betekenissen moeten bevraagd en uitgehold worden; zachtheid moet hardheid, warm moet koud. Genadeloos licht zoek ik, ijslicht in de ene en denklicht in de ander of andersom. We zijn op godsdag goed bezig maar onverbiddelijk, ja! Ik heb enkel middeleeuwse schilderijen in mijn hoofd met wat moderne spoken: Berio is hun spreekmeester vandaag: hij draagt mij op: ‘geen halfwassen esthetisch gekukel, ezel, zoek de finesse aan de randen van je domme weten; daarvan heb ik een voorraadje voor je klaarliggen. ‘Zoek het in de overdaad van niet weten.’