Auteur: Adriaan Krabbendam

Adriaan Krabbendam (Tunis, 1955) is antiquary, profound sleeper, doctor of the unknown, coachman of relations between the chthonic and the restricted human role in disasters, beachcomber laureate, firm simpleton, now and at the hour of our death, factotum of cities and landscapes, world without end

Warner’s thuiskomst

 

Warner’s thuiskomst

 

 

Aan het einde van de straat stond, boven de huizenrij, de hemel te blozen alsof hij zich schaamde over het vroege uur waarop hij in dit seizoen begon te verkleuren. Vlak boven de gevels zag Warner in enkele seconden het helle blauw in zachtgroen veranderen. Daarboven ontstond langzaam maar zeker een hele waaier van tinten, oranje, violet tot diep purper – hij kon zijn ogen bijna niet geloven. Hij vertraagde zijn pas, om er zo lang mogelijk van te kunnen genieten.
            Het lukte: de straat strekte zich eindeloos uit in het groeiende donker, en in dit tempo zou het pas werkelijk donker zijn tegen de tijd dat hij zijn huisdeur bereikt had. Zo kon hij met volle teugen genieten van de genadeloze schemer, die vandaag besloten had zijn totale scala aan mogelijkheden in kleur om te zetten. Warner snoof diep de herfstlucht op, want ook van de geur koesterde hij grote verwachtingen. Dat laatste viel echter wat tegen. Hij vulde zijn longen met de penetrante lucht van de conservenfabriek, die zich vermengde met de uitlaatgassen van een ronkende autobus, die stationair draaiend op haar passagiers stond te wachten, ietwat scheef en half op de stoep geparkeerd.
            De verwachte geur, die van rottend loof en ijverige paddestoelen, waardoor hij elk jaar weer verrast werd, liet zich hier niet proeven. Dus stopte hij zijn verlangen daarnaar ergens diep weg, in de buurt van zijn nogal hopeloze verwachting op een dag vrijelijk de daarop gelijkende geur van het hem toegewijde meisje op te snuiven. Daar had hij een plek voor, even onvindbaar als gekoesterd. Maar vanavond waren het zijn ogen die hij de kost gaf. Ruiken kon altijd nog. En, wanneer hij zo goed mogelijk hetgeen er hier te ruiken viel wist te verdringen, zou de betoverende hemel hem alsnog de bedoelde geur in herinnering brengen.
            Ook daarin slaagde hij redelijk. Nog even, en de huizen smolten als was voor zijn fantasie, en liep hij recht het zich tot aan de einders uitstrekkende heidelandschap in dat hij zich droomde. Daar zou hij de vrouw tegenkomen die daar thuishoorde, haar geur en gedaante in overeenstemming met de schemerlucht die deze fantasie opriep. Hij zou op haar toelopen en zonder een woord te zeggen, haar omhelzen, hetgeen zij begrijpend en evenzeer verlangend zou beantwoorden in de langgerekte kus die hij tot in zijn stuitje voelde…
            Hoe lang was het nog naar zijn huis? Hoe vaak hij de afstand al had afgelegd, hij had de indruk dat de tijd die hij erover deed van het centrum naar zijn voordeur van keer tot keer aanzienlijk verschilde, een verschil dat vooral bepaald werd door de tijd die hij nodig had de ellenlange straat waar hij woonde uit te lopen tot aan zijn voordeur. Die bevond zich bijna aan het einde, voorbij de garage van de gebroeders De Vries. De een na laatste deur was van hem. Daarachter woonde hij, zo bleek telkens weer, wanneer hij in zichzelf goedkeurend mompelend de voorwerpen meende te herkennen die hij her en der in de ruimte geplaatst had, ieder voorwerp keurig voorzien van een met de hand geschreven labeltje.
            De kleurenwaaier was nu zo goed als verdwenen en had langzaam maar zeker plaatsgemaakt voor het diepe ondoorgrondelijke blauw dat vanuit het oosten de hemel veroverde, tegen de tijd dat hij de garage naderde. De straat was uitgestorven en op dit moment waren het alleen nog de afgemeten klanken van zijn voetstap die tot zijn oren doordrongen.

Op de stoep voor zijn deur zat iets, een meisje. Ze sloeg haar blonde krullen met één hand voor haar ogen weg en zei  ‘O, pardon,’ terwijl ze iets opzij schoof om hem de gelegenheid te geven zijn voordeur te openen. Hij wist niets beters dan een dof en veel te zacht  ‘Hallo’ en stak de ouderwets grote sleutel in het slot. Op het moment dat hij de deur opende om naar binnen te stappen, stond het jonge ding ineens overeind en was hem voor. Voordat hij er erg in had, was ze de gang binnengelopen, had twee blikjes bier uit de koelkast gehaald en zich op het ding met het label ‘Zitbank. Leer. 1989.’ genesteld, haar schoenen uitgeschopt en haar bekouste voeten over de leuning geworpen. Haar spijkerbroek knelde kennelijk een beetje, want ze liet het glimmende knoopje openspringen en schoof haar rits omlaag. Een keurig wit slipje, wist hij.
            Verbaasd nam hij tegenover haar plaats op een van de andere dingen en opende de twee blikjes, die met een plofje wat van hun inhoud over het ding dat de ‘Salontafel. Staal en glas. 1988.’ moest zijn verspilden. Hij stond weer op, want hij moest iets doen. Maar wat? Zijn ogen vragend op haar fijnbesneden gezichtje rustend, stond hij van het ene been op het andere te wippen. Ineens kreeg hij een ingeving en liep naar het bruine ding dat daar altijd weer hing en opende een van de rammelende, eh, hij opende het geval. Allerlei glimmende, doorzichtige voorwerpen grijnsden hem aan. Hij pakte er een en liep terug naar waar hij vandaan kwam. Onderweg bedacht hij zich, liep weer terug, en nam er nog een. Met de twee dingen in zijn hand wandelde hij naar het meisje dat hem lief bezorgd aankeek, knielde naast haar neer en zette de twee dingen op de ‘Salontafel. Staal en glas. 1988.
            Nu voelde hij twee armen die om heen geslagen werden, en er kriebelde iets in zijn nek. Dat moesten die blonde krullen van haar zijn, dacht hij, in een poging de glimmende dingen met het schuim uit de blikjes te vullen. Hij voelde hoe ze hem ergens vanachter kuste, en hoorde haar iets fluisteren. Maar dat verstond hij niet, want hij kon haar niet zien. Hij draaide zijn hoofd een kwartslag en ontmoette haar prachtige ogen, nu van heel dichtbij. De sierlijk lange wimpers, als een lange rij omhooggebogen vraagtekens, bewogen soms even heel snel op en neer. Hij merkte hoe ze hem kuste. Een verrukkelijk stevige en vochtige druk tegen zijn lippen. Maar hij raakte onderweg een beetje in de war, omdat hij iets op zijn hoofd voelde. Ze liet haar handen door zijn haar gaan. Ze kusten opnieuw, en nu voelde hij haar kleine, stevige tong langs zijn tanden gaan, zijn verhemelte zoeken. Hij sloot zijn ogen en zag weer de kleuren in de lucht boven de straat. Er klopte iets niet aan de volgorde, maar wat precies, dat wist hij niet.
            Opeens voelde hij iets in zijn hand, kleine krulhaartjes en iets vreselijk zachts, een beetje vochtig. Waar was hij? Wie was dit meisje?
            Van het ene moment op het andere zat hij met de glimmende dingen in zijn hand, waarin een gele, bruisende vloeistof heen en weer klotste. Hij gaf haar er een, nam daarna zelf een heerlijk lange slok uit de andere. Het was al bijna op.
            Toen hij opkeek, stond ze naast hem en liet haar broek van haar benen glijden, tegelijk met het witte onderbroekje. Ze had prachtige, niet al te slanke benen die, bovenaan, in het midden, elkaar weigerden te ontmoeten, omdat zich daar een klein, donkerblond bosje bevond, met een minuscuul klein donker riviertje. Het waren eigenlijk twee precies gelijke omgekeerde heuveltjes, zoals hij ze kende van de heide waar hij vaak urenlange wandelingen maakte onder de wolkeloze hemel. Hij keek vol bewondering naar dit vreemde meisje – hij wist niet eens hoe ze heette – dat licht wiegend nu ook haar losjes gebreide schapenwollen trui over haar hoofd begon te werken. Zo stond ze voor hem, naakt op haar zwarte behaatje na, en zei ‘Kóm’ met een vragend toontje. Snel nam hij de laatste slok van het gele spul, stond overeind en streek haar door haar haren. Zijn vingers daalden voordat hij het wist langs haar rug omlaag en frunnikten aan de sluiting van het ding. Halverwege tussen hun lichamen, hij geheel gekleed, zijn grote schipperstrui kriebelend tegen haar naakte borsten, zij spiernaakt, met lieve, vochtige ogen, kleine opspringende tepeltjes, van hetzelfde spul gemaakt als haar zich van elkaar losmakende lippen, waarachter weer het prachtige kleine tongetje verscheen, even de bovenlip likte en plotseling naar voren schoot, daar halverwege, ingeklemd tussen de tegen elkaar aangedrukte buiken, bleef het kledingstuk hangen, en viel pas op de grond toen hij haar optilde en weer op het ding legde. Ditmaal nam hij niet de moeite het labeltje te lezen. Dat kon ook niet, want zij sjorde aan zijn broekriem, probeerde zijn gulp te openen, en trok hem naar zich toe, omlaag.

Hij lag met zijn hoofd tegen haar borsten, of eigenlijk, in het zachte dal ertussen, en naar welke kant hij zich wendde, keek hij op naar de ontroerende glooiingen, elk bekroond met zo’n prachtig rood monumentje waarvan hij een rare smaak in zijn mond kreeg. Het vreemde meisje had hem helemaal uitgekleed en hij voelde hoe haar handen hem daar ergens onderaan in zijn vlees knepen, dat klopte en bonsde, een heerlijk trots gevoel: zij wilde hem, zij maakte dat hij zich sterk voelde, dat het speeksel zich in zijn mond verzamelde, dat zijn bloed op een rare manier door zijn aderen stroomde, alsof het de weg kwijt was, alsof de lange rechte straat plotseling veranderd was in een licht buigende laan waarachter het heidelandschap zich voor altijd uitstrekte…
            Het duizelde hem, en hij kon niet ophouden haar te zoenen en te likken. Hij wist het zeker nu, ze was voor hem, ze was voor hem gekomen. Haar beeltenis werd eindeloos weerspiegeld in het stille landschap in zijn hoofd.
            Zijn tong vloog langs haar hals naar haar oren, en trok een spoor omlaag naar haar stevige borsten waar hij kringetjes rond haar tepels tekende en even zachtjes beet in de weerbarstig overeind staande torentjes. Het vlees was daar zo anders – een plotselinge onderbreking van de het skelet omspannende huid, die overal mooi rond en strak over haar lijf gedrapeerd was. Hier heerste ineens de vreemde veerkracht die hem ontroerde tot diep in zijn buik. Maar hij trok verder met zijn tong, tastte haar ribben af, wandelde door het dal tussen haar borsten naar haar sleutelbeenderen, die hij kuste en waarin hij ook weer kleine beetjes gaf.
            Hij voelde haar adem sneller gaan, hoorde hoe ze kleine kreetjes uitstootte, en voelde opnieuw hoe ze in hem kneep, zijn trots deed oplaaien. Hij was alweer onderweg naar haar navel, en wist hoe voorzichtig hij daar moest zijn, zachtjes de vreemde, bittere smaak van die rare plek midden op haar buik oplikken, voordat hij zich nog dieper zakken liet. Haar handen waren weg, maar nu bevonden ze zich op zijn hoofd, dat al likkend afdaalde naar het bosje waarvan de geur hem tegemoetkwam, de geur waarvan hij zeker was, de geur die hij verwacht had in de lucht, die hem vertrouwd was, meer dan al de dingen die hem om een of andere reden omgaven. Hij verdween erin, liet zijn tong proevend door de gekke haartjes gaan, terwijl een doordringende, bittere smaak hem bedwelmde. Ergens ver weg, boven of achter hem, hoorde hij haar zuchten, woordjes fluisteren, terwijl haar handen onophoudelijk door zijn haren graaiden, zijn hoofd nog dieper duwden.
            Al kussend en likkend opende hij het riviertje, dat eerder een pasgeboren moerasje was, zo’n ven met grote, stilstaande libellen erboven zwevend, en kleine rode insecten die daar allerlei onbegrijpelijke dingen aan het uitspoken waren, waarvan je nooit wist wat ze van plan waren, een plotseling breuk in het door de zon drooggetrilde landschap waar de planeet heel plaatselijk een paar doorgaans goed verborgen geheimen van onder haar oppervlakte aan het daglicht prijsgaf.
            Maar voor Warner was er geen geheim. Hij kende de geur, de smaak van de zich openkrullende sleuf. Wat hij proefde was hem zo vertrouwd, en ook al kende hij de naam niet, kende hij de naam niet van het meisje, begreep hij niet wat ze hier deed – hij begreep wat ze hier zocht, en de smaak van het moerasje kende hij zijn leven lang.

Eerst liet hij zijn tong, daarna de vingers van zijn linkerhand, zo diep mogelijk in haar verdwijnen, en kuste de trillende kleine strandbal daar achtergelaten door een horde spelende kinderen, tot zij, steeds heviger bewegend, boven, onder, achter hem met lange halen schreeuwde, haar hoofd naar achteren wierp, haar borsten van links naar rechts schuddend, hem naar boven trok, totdat hij boven haar lag, over haar trillende lichaam uitgestrekt, oog in oog met haar huilende gezicht, kleine tranen in haar ooghoeken, dingen tegen hem zeggend die hij niet verstond of niet begreep.
            Ineens ontsnapte hem een heftige kreet. Plotseling werd zijn trots omgeven door de stevige, veerkrachtige greep van haar lichaam. Ze slokte hem naar binnen met het strakke spel van haar gespierde lippen, en hij kon niet anders dan bewegen, zijn bloedende, blozende trots diep in haar weggestoken, dan weer terugkeren, niet kunnen ontsnappen, opnieuw tegen de wanden van haar binnenste stotend – een vreemde, houterige dans die hij voor zover hij zich herinnerde altijd al gekend had, die hem lief was als de heide, als de kleuren van de lucht, als de geur van zweet en geil die zijn neusvleugels deed openvliegen, hem deed ademen alsof hij uren gezwommen had tegen de dwingende golfslag van de branding in de nacht.
            Hij was veranderd in een rare machine, een wezen van spieren en levensgrote raderen, zijn ogen in verrukking over haar hijgende, geopende mond, haar zich tegen hem op torenende borsten, de lieve, smalle schouders, de eindeloze golven krullend haar. Hij was een pomp, een boortoren, een stilstaande, helblauwe libel boven het moeras, en de samentrekkende bewegingen van haar voor hem niets verborgen houdende geheim overrompelden hem, deden zijn dans stollen in een onherhaalbaar verblindend moment, dat eeuwen duurde, waarin hij merkte hoe hij zich vol trots leegstortte, diep in haar, dat hem verdoofde, zijn bewustzijn zachtjes weglegde in een kast zonder labels, waar hij door alles en iedereen voorgoed vergeten werd en insliep in het langgerekte ogenblik waarin hij al zijn dromen leegspoot op het zand.

*

De heide strekte zich aan alle kanten rond hem uit. In een regelmatig ritme bewoog de aarde onder hem op en neer, kleine wolkjes stoom afblazend uit de poriën die zich overal tussen de struiken verborgen hielden. Bijen vlogen af en aan. Hij zat aan zijn ‘Bureau. Eiken. (Hout.) 1987.’ en beschreef een klein, okerkleurig stukje karton. Hij liep door de straat, die tot aan het eind met sneeuw bedekt was. Het geluid van de tram, die een eindje verder zich door de kou heen worstelde met van condens druipende ramen, klonk raar dof, gedempt, alsof hij door een kartonnen decor reed, vol kartonnen mensen op weg naar werk dat slechts bestond in het hoofd van de kartonnen regisseur. Hij schuifelde door het vreemde witte spul waar hij zo van hield, dat hem troostte in de kou. Opnieuw dwarrelden de droge vlokken uit het niets over het witte wegdek.
            Hoe lang hij hier al liep, wist hij niet; de straat was langer dan ooit. Net op het moment dat hij begon te twijfelen, zich begon af te vragen waar hij was en waar hij woonde – zou hij zich vergist hebben in de richting? dat was hem al eens overkomen, wist hij, al wist hij niet meer wanneer precies… – doemde het bord waarop de gebroeders De Vries hun vakmanschap aanprezen op uit het niets, nog maar nauwelijks leesbaar door de aanslag van ijzel en sneeuw. Voor zijn deur zat een meisje dat hij vaag ergens van kende te verkleumen in de kou, zeker verdwaald.
            Ineens was het aardedonker, maar om onbegrijpelijke redenen ontzettend warm. Het moest middernacht zijn, er was niemand op straat, en hier en daar knipperde een halfgare straatlantaarn. Met zijn jas over zijn schouders was hij, hartje zomer, naar huis teruggekeerd, had nog even wat gedronken in de stad, was aan de praat geraakt met iemand, hij wist het niet meer precies, een man eerst – of was het een vrouw? – nog wat gedronken, maar ten slotte was hij zeker weggegaan, want nu was hij ineens hier, hij was moe.
            Op de stoep voor zijn deur zat iets, een meisje.

            …


‘Warner? Warner…’ Hij sloeg zijn ogen op en keek in de mooiste ogen die hij kende. Nooit meer wilde hij iets anders, nooit meer dromen.
            Hij wist dat ze gelijk had, dat hij zo heette. Had hij geslapen, gedroomd? Verbaasd keek hij in het lieve gezicht. De tranen sprongen hem in de ogen. Wie was zij? Hij werd zich haar naakte lichaam gewaar, tegen hem aangedrukt, en onwillekeurig gingen zijn ogen omlaag naar haar borsten. Om beter te kunnen zien, moest hij zich oprichten. Het was het meisje van de heide. Hoe kwam zij hier? Hoe wist zij hoe hij heette?
            Ze trok zijn gezicht naar zich toe en kuste hem, eerst kort, eventjes, daarna nog eens, lang en diep, haar tong verdwijnend in zijn mond. Het was alles zo bekend…
           ‘Warner, ben je d’r nog?’ Het suizelde hem. Hij was verdwaald, lag hier spiernaakt met het mooiste meisje op zo’n ding… Hij begreep er niets van.

Ze wriemelde zich onder hem vandaan, legde hem op zijn zij, maakte het hem gemakkelijk, en verdween de kamer uit. Met een steek wist hij dat hij gedroomd moest hebben, dat hij alleen was in dit huis, vol met onbegrijpelijke dingen. Een rare, vertrouwde angst welde in hem op. Zijn hand daalde af naar zijn kruis. Het was klein en kleverig. Een paar prachtige borsten bungelden voor zijn ogen. Hij huiverde. Precies op hetzelfde moment hoorde hij hoe zij zuchtte. ‘Liefste, ga je mee?’ klonk het.
            Hij trok het meisje naar zich toe, snoof haar geur op, kuste haar de ogen. Het was geen droom. Bijna had hij haar gevraagd wie ze was en hoe het kon dat ze zijn naam kende, maar hij bedacht zich, zweeg, kuste haar opnieuw.
            Ze was, nog altijd naakt, naast hem op de vloer geknield. Hij pakte het ding dat ze hem aanreikte. En weer dronk hij van de tintelende vloeistof. Door het raam zag hij de zich wentelende sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen. Hij liet zijn hand langs haar lichaam glijden, wilde haar aanraken tussen haar benen, maar zijn hand stuitte op een klein stukje karton. ‘Zitbank. Leer. 1989.’ stond er in een warrig handschrift op neergepend. Dit is een zitbank; ik heb haar in 1989 gekocht. Nu lig ik erop, languit, naakt. Ik ruik naar mijn dromen.   

‘Welke dag is het?’ hoorde hij zichzelf vragen. Eigenlijk had hij haar willen vragen hoe ze heette, wie ze was, waarom ze zo leek op het meisje van de heide. Maar hij schaamde zich een beetje, omdat hij zo naar zweet rook, zo kleverig was.
            Ze legde haar hand op zijn kruis.
            Buiten scheen de zon, het was een hete zomermiddag, de kamer stond vol licht dat de dingen in zijn kamer een vreemde glans gaf. Kleuren dansten voor zijn ogen. Hij zakte weg in een droom vol heerlijk geurend vlees. Haar hoofd lag tegen zijn borst, en hij voelde haar tranen, een voor een, over zijn borstkas rollen.
            Hij wilde dat ze nooit meer wegging.

 

 

Amsterdam, 30 oktober 1993

 

 

 

After the Fall

If all goes well, a second sky will be born from the sea, the moment after you touch it.

When you will no longer be able to fly, you’ll have to hide in remnants of waves. You’ll find a passage in the ruin of your own reflection over the ocean.

My emaciated albatross of memories.

Facing wind that you have abdicated, you’ll find in the gate of foam, three havens of sea.

movement
expanse
depth

In clarity extensively brewed by waters, you will count off hours. All the oscillations that separate you from immobility and memory of the first shore.

You will wait longing for a time before the fall. Lulled by the sound of wavelets on your skin. Bringing fictitious light of flight to your dormant arms.

 

infinity of starry nights
we learned to close our eyes
eyelids like butterflies
we closed them and images came
days came
and again
we extended our wings over dry rocks
where uncountable years ago
we uttered our last cries
before sliding in a tangle of high transparency
surrounded by silence
losing sense of gravity and verticality
we were drifting
moving our wings and our adventures
no trace to immortalize our tearing
in this moment
in ocean
we flew over beds of shadows drawn by tides
we were looking for a figure
each other
someone to recognize
to offer a smile
and again eyes closed
coming images
days
and a fierce beam diffused across the landscape
through a slit on the liquid surface
our flight over fatalism caressed its gloom
and we slowed down our wings in an attempt to reach stillness
closed our eyes blind
never to see anything again
no longer to remember

 

Even if I am doomed to silence for the next 847 years, you will rear up out of the pool and I will try to imagine what was going on before this.

I will try to imagine how.
I once had a personal relationship to the world.

You’ll emerge long after dawn. I will be tired, miserable and funnily oblique with my crushed wings.

For you, on this morning, I will lit up the sky with stones.
For you, I will clear all gravel pits of their darkness, so that I get at least the visible imprint of your escape. Memory will become a secret of feathers. Nothing to testify elsewhere and otherwise of our life. No voice to comment our amnesia.
Our loneliness.
Our eternity.
Our love and our silence.

For you, I will unfold in a drizzle of light, as if to emphasize futility of either presence or absence. Fall inspired by the night of disappearance. Secrets that govern the kiss of sky and sea.
 
But I cannot tell you about them, you will have to wait for 847 dusty years.

Later, a grandiose bruised fire will stand reflecting the persistence of elsewhere and otherwise. And I will bend over dawns, mornings, middays, and afternoons. In twilights, we will mull an answer together.

When I will lie down on the last appropriate place, adorned with algae and pecked by birds, it will happen again, once or twice a day, that I will have the illusion of consciousness.

And I will open my eyes in surprise.

A flutter of birds will disband, afraid by this unexpected movement. They will try to fly in my deafening silence. Wings and feathers will stir the idea of sound.

Whenever I will open my eyes, multitudes will burst to the surface without penetrating my memory. It will be stopped as a cinematic still.
Forever on my retinas.

And I shall set rules of a sad game of idleness and melancholy.

A losing bet between myself and chance.

To win, I will have to capture in a single snap 554 seagulls exactly: no more, no less.

(It is a number I always loved for its musicality)

Nonetheless, it bore me no luck.

I will mutilate my gaze to make a grid with 554 facets, to assess my glance and the outcome of the game. But each time as I will open my eyes, the total number of birds will approach an ideal and harmonious value, and I will lose.

Whether during a sleepless night or after a dark limbed day, the original question will arise, and before long you will remain dazed by its alternative: “do we fly or fall?”

You will not cease singing thousands charms of your shining wings.
Your monologues will call for many heavenly creatures, as you will continue rotating and turning in an approaching crescendo.

Hoping that someone will suggest a method to continue spinning without first having to die drowning.

You will sing clear skies, and then create clouds out of your own breath.

You will smile knowingly as nothing ever prevents poetry, even when it encompasses loss of hope.

And it will push you to declare that the sky is beautiful regardless of its place in the landscape, and of your rushing out of the painting.

You’ll show all your beauty in the mire of a sub-dream.

against shores where equinox is a dying
sea we will place our anticipation for union of blues
we will strengthen secrets
appeared in nonchalance of dreams
we will imagine men and women
living on non-submerged lands

in a trembling voice
we will wish to invite them to witness
the moment of the kiss of sky and sea
but we will bite our lips instead
our mind becoming too confused to speak in words
it will deviate spiraling above the waters
hiding access to great depths
and then
our dead wings will return to the endless sky

 

I will open my eyes after the fall
or is it you
and we will see birds flickering in surprise

 

 

Marie Veronika Zorn

Tuesday, 9 August 2016

https://www.facebook.com/dreamorous.encore

 

ill. Luke Elwes, Floating World, 2011

 

 

 

 

Weg

Weg

 

 

Je hebt nergens om gevraagd. Je bent.
Voldoen aan ouderlijke eisen. Een vuil
gericht. Je was bestemd, voor welke bent?
Je was een slecht geslaagd gedicht.

Je maakte los, schilderde in zwart
vragen die gemeengoed waren, werden,
in almaar zachter wordend schreeuwen
in de nacht. Woorden waar van bloed.

Je zag de bomen huiveren, de populier
uit rijen weggerukt. Je kende
de omhelzing van het eenlingdier.

Niets was, niet was wat er wende.
Je hart was bij het hart van dichtvertier.
De eenzame, dood, het ongekende.

Je bent, je was. Hebt nergens om gevraagd.

 

 

 

 

 

 

 

Eindspel

Doden, gestorvenen
blijven altijd
nog een tijdje
leven.
Niet weg te denken
aanwezigheid.
De warmte van hun adem
hun stem hun bloed
blijft nog maanden
aan ons kleven
jaren zelfs.
Je voelt, je ruikt
hun denkbare aanwezigheid.
Ze besluipen je
met hun oogopslag
hun stemgeluid
hun huid.
Dom vergeten fruit.

Je blijft jezelf bedriegen
tegen weten in het lot beliegen.
Geen mens kan vliegen
zo monter kan alleen een vogel dat.
Ons rest slechts gras
zoden of een mat.
Schaakmat, en het speelveld
wordt niet omgedraaid.

I.M. Frank Starik

vloeken om je ogen droog te houden 
waarheen, vriend, waarheen zo snel?
jij ook, de lethe in, opgelost, daarheen?
moest dat nou, moest dat zo snel?

vloeken stopt wellicht ons dom geween
haalt de dood, de dood je echt zo snel?
vloeken om ons even in te houden
vriend, waarheen, waarheen, zo snel?

vliegen is een dier’bre kunst
slechts weinigen zomaar gegeven
maar je moet er wel voor leven

jij wist, het is een gouden gunst
sterven is een zoete kunst
maar je moet er wel voor leven

 

U bent erbij

 

uitspansel

 

hier is ’t
een uitgezochte
plek om te verdrinken
in al het eeuwige en brede

proef het geweld van de ruimte
tedere tiran met een navel als noodverband
het groots laaghangend zwart gat
voorzien van pluimage en gifdamp

u kunt er naar believen smoren
in de armen van opgeslorpt water
stemloos en smetteloos als de stront van uw lief
in de vetgemeste rivier uw ondenkbaar vertier
galm en geil de geheven vinger van de uit de rijen geplukte populier

het stinkt er naar pluimen en torens eenzaam gevorkte vlaggen
wijl de bodem onder u wordt weggeslagen
door per abuis geplaatste buizen
van poldermuziek zoekend naar poep

misschien bent ook u brandbaar
wie zal het zeggen fossiel bent u alvast
grijp maar de scheuren in uw brandkast
en zing naar believen van dampen veelkleurig
van het onversaagde dove gloren

boer bent u of boomgroep maar averechts
uw lokroep een uiterst kapotte tv en nee
vergeet niet uit te checken als u uitstapt
want het land is de grap met de vunzige baard
die u vanaf nu overal nastaart

 

 

 

foto: Wilhelminapolder, Michael Beutler, Polderpeil

 

 

 

A Poet’s Devotion

 

the ultimate origins of the root word *men* – I do not feel
that there is conflict between the concepts of “moon”,
“measurement” and “memory”, “mind” and I believe that
we are not dealing with three separate roots but with one
that has a number of shades of interrelated meanings
which further extend into regions of “future memory”,
“prophecy” and the concept of “fate”

a single root-sound can be the focal point in a constellation
of analogous symbols and abstractions

many philologists have noted the connection between
the words for “moon” and “measurement” in different
languages and even with the concept of time itself

the association of mind with memory is also intriguing
as in the ancient Greek word for “truth” – alethia
(literally a = not + lethe = forgetting) – simply stated it is
ultimately a synonym for Mnemosyne = “memory”, “remembrance”

***

I also believe that poets should devote more to exploring
the roots of the words they use to take full advantage
of their inherent “DNA” and their subliminal associations

that can help determine precisely the right word when
a number of options are open

not every reader will be able to consciously tap into the
ancestral echoes, but those who do will be grateful for
the effort that has been taken to ensure a continuity of
meaningful imagery and for the nourishment provided
by an experience of an archetype

thank you, Ιωνας Θεόδωρος

 

https://www.facebook.com/ionas.theodoros

 

 

ill. top: Minoan Geranos (“Crane Dance”), pottery fragment discovered in the ruins of Argos
ill. bottom: Laussel, Oldest Calendar, sand stone carving

 

 

 

 

Berglied

 

Berglied

 

Mijn flinterdunne flanken zijn van ons. Onze voeten
staan alom, dag en nacht huilen we. We ruisen zuiver
ruisen zilver en zoet ons huilen. Dat is het sijpelen dat je daar hoort.

Wie omkomen komen in ons om. Welgemanierd staan wij om hen heen
in goedgekapte struiken en bossen. De brandgangen leiden daarvan af of zwijgen ons
open. Ze zwijgen in elk individueel geval.
Het gonst er naar behoren. Wie in ons omkomen komen onfeilbaar om.

Vraag het de luchten, het vee. Waar wij ruisen, sijpelen, zuchten, rinkelen zij. Mijn
flinterdunne flanken zijn van ons. De brandgangen leiden daarvan af. Vraag het de
wachters, de zee.
Onze voeten staan alom. Onze voeten zijn schreefletters. Ze zingen zacht. Doen er hun
zwijgen toe.

Ook het onpeilbare, het rotsvaste is van ons. Uit beweging geboren verstarren we.
IJskoud. We staan, liggen, zitten de tijd uit. Overhuiven u, overleven ruwweg.
Er zijn er, zeker, die in ons omkomen, maar ook zijn we dansvloer, stijgbeugel, wordt
er afgeleefd en gebeden.
Wat klingelt is toegevoegd. Vee, gelovigen, dat soort dingen. Wij sijpelen.

 

 

 

 

 

ill. Balthus, La montagne, 1935/1937

 

 

 

The most beautiful gesture in the world

 

The most beautiful gesture in the world

 

death leers at you and apes
with harp and flesh-wound
the pink twilight of your eye

beaming your worldly smile
with your eternal sloppy joe
under which your terrific breasts
the left one pretty
heavier

than the other

death on the look-out in every smelling thicket
harpy wings snare the mermaid
bearing your fish love

jeans stripped off hastily come
i am your nymphomane diverted my
functionalist sheath

ever so proud of your death in me

sure lust for the lasso
the noose on my nut
the gob and the froth

fall for foul fuckers but you
your lovely eyes take me
please
ere i perish
and grief

ah my love sweet love never
left from my song
this be the day

death lurks but lingers
snaps out
at our amiss

 

 

 

 

 

My darling,

I ought to begin by begging your pardon, perhaps,
for the extraordinary letter I wrote you last night. While
I was writing it your letter was lying in front of me and
my eyes were fixed, as they are even now, on a certain word
of it. There is something obscene and lecherous in the very look
of the letters. The sound of it too is like the act itself, brief,
brutal, irresistible and devilish.
Darling, do not be offended at what I wrote. You thank me
for the beautiful name I gave you. Yes, dear, it is a nice name
‘My beautiful wild flower of the hedges! My dark-blue,
rain-drenched flower!’. You see I am a little of the poet still.
I am giving you a lovely book for a present too: and it is
a poet’s present for the woman he loves. But, side by side
and inside this spiritual love I have for you there is also
a wild beast-like craving for every inch of your body, for
every secret and shameful part of it, for every odour and act
of it. My love for you allows me to pray to the spirit of eternal
beauty and tenderness mirrored in your eyes or to fling you
down under me on that soft belly of yours and fuck you up
behind, like a hog riding a sow, glorying in the open shame
of your upturned dress and white girlish drawers and in
the confusion of your flushed cheeks and tangled hair. It
allows me to burst into tears of pity and love at some slight
word, to tremble with love for you at the sounding of some
chord or cadence of music or to lie heads and tails with you
feeling your fingers fondling and tickling my ballocks or
stuck up in me behind and your hot lips sucking off my cock
while my head is wedged in between your fat thighs, my hands
clutching the round cushions of your bum and my tongue
licking ravenously up your rank red cunt. I have taught you
almost to swoon at the hearing of my voice singing or murmuring
to your soul the passion and sorrow and mystery of life and
at the same time have taught you to make filthy signs to me
with your lips and tongue, to provoke me by obscene touches
and noises, and even to do in my presence the most shameful
and filthy act of the body. You remember the day you pulled
up your clothes and let me lie under you looking up at you
as you did it? Then you were ashamed even to meet my eyes.
You are mine, darling, mine! I love you. All I have written above
is only a moment or two of brutal madness. The last drop
of seed has hardly been squirted up your cunt before it is over
and my true love for you, the love of my verses, the love of
my eyes for your strange luring eyes, comes blowing over my soul
like a wind of spices. My prick is still hot and stiff and quivering
from the last brutal drive it has given you when a faint hymn
is heard rising in tender pitiful worship of you from the dim cloisters
of my heart.
Nora, my faithful darling, my sweet-eyed blackguard schoolgirl,
be my whore, my mistress, as much as you like (my little frigging
mistress! my little fucking whore!) you are always my beautiful
wild flower of the hedges, my dark-blue rain-drenched flower.

JIM

 

 

James Joyce, letter to Nora Barnacle, 2 December 1909

 

 

 

* voor jij *

*  voor jij  *

 

En de bladeren van de dageraad en de stille vogels van de morgen vallen niet ’s nachts maar het sneeuwt in de verte dat het jouw naam is onmiskenbaar dwalend in de zwarte paleizen van de gedachte een plaats zoekend voor haar voet

als ik omkijk als ik schrik

Omdat ze de kruiken van huid zo merkbaar zacht breken als steden ineenstorten voor onze ogen uiteindelijk de moede val alles wat blijft van niets dat blijft en gemeen lachen vanuit onvermoede kieren en spleten honend en verlaten als ze je handen voor je ogen binden waarbij de adelaren van
de aarde en moederkoeien van de zon zich een heenkomen zoeken onder je beenderen als iedereen knielt omdat alleen jij dat zou moeten en hierom dat je het nooit deed als ze als— we geven het op
en slaan ijzers over de uren om het wachten draaglijk te maken—

En in een stille binnenplaats fluistert men tegen de ijsbloemen dat het winter wordt waar zijn de meeldraden is het hart gebleven huil je waarom o kon ik dat aanraken in je wat ik ken in je ogen geschreven door de nijvere scribenten van je dromen nachtgedachten kon ik het aanspreken of slechts zien en niet de bloemen van je verlangen schrikachtig achter gordijnen wegkruipen o kan ik kon ik dat aanraken lied waar pijn en vrede als schaduwen de wegen gaan die alleen het hart kent alleen

 

als door webbige draden en gangen

 

Het is genoeg misschien genoegt het het te willen misschien is het genoegt de O G E N B L I K

 

 

 

ill. Kees van Dongen

 

Gisternacht toen alles sliep

 

Het geheimzinnige vaartuig

 

Gisternacht toen alles sliep,
amper wind met afgemeten
zuchtjes door de straten liep
en mijn slaap het af liet weten,
hielp geen pil, noch wat ons diep
slapen laat: een goed geweten.

*

Zonder de gewenste slaap,
liep ik eindelijk naar het strand,
zag, onder een milde maan,
man en schuit op ’t warme zand,
slaperig beide, herder, schaap:
slaperig stak de schuit van land.

*

Wel een uur lang, leek het mij
(of een maand, een jaar, om ’t even!)
dat mijn denken ’t had begeven
’t werd een grote grijze brij,
’k werd een afgrond in gedreven,
bodemloos – toen was ’t voorbij.

*

Ochtend – op het diepe donker
van de afgrond, welbehoed,
lag een vaartuig. Alom klonk er:
Wat was loos? Wat zag je? Bloed? –
Het bleef stil! Wij sliepen, sliepen
allen ach zo goed, zo goed!

 

 

Friedrich Nietzsche

vert. Ard Posthuma

 

met dank aan Wim Noordhoek

 

 

 

Het grasland van weleer

 

Het grasland van weleer

 

Kille nachtwind verdwijn, dit is niet
jouw domein…’
Je kon een vogel horen roepen in de lucht
Mistig ochtendgefluister en zacht geritsel
weersprak de doodse stilte die hing alom

Hoor de leeuwerik luister naar het keffen van de vos
bij zijn hol
Zie het water opspatten als de ijsvogel erin zich stort
En een rivier van groen glijdt ongezien onder de bomen door
stroomt vrolijk door de eindeloze zomer koersend naar de zee

In de kalme uiterwaard
vlijde ik me neer
Overal rondom me daalden gouden zonnevonken op de grond
Me koesterend in het zonlicht van een lang vervlogen dag
voerden klanken van wat was de kamer in van mijn flat

Hoor de leeuwerik luister naar het keffen van de vos
bij zijn hol
Zie het water opspatten als de ijsvogel erin zich stort
En een rivier van groen glijdt ongezien onder de bomen door
stroomt vrolijk door de eindeloze zomer koersend naar de zee

 

 

Roger Waters

 

 

 

Schuilplaats

 

Compleet verzorgde doodsvacantie

Collectief bewust maakt moe

Behalve bij jou

Bij jou kan ik schuilen

 

 

HET IS ZO IETS ALS

aan de rivier staan

EN WETEN:

BUITEN  de rivier  IS NIETS

DAT ALS  de rivier  BESTAAT

 

 

 

 

 

ill. Hercules Segers (ca.1589–ca.1638), River Valley with a Waterfall

 

 

Bel Argent

 

Je zou kunnen zeggen dat ik met mijn gedachten elders was toen ik mijn haar een blauwspoeling gaf, en twee glazen rode wijn droegen niet echt bij aan mijn concentratie.
            Laat me het uitleggen.
            Ten eerste moet je dit over mij weten: ik heb maar één spiegel in huis, die bovendien vies is. Ik ben een nauwgezet schoonmaker, op het neurotische af, zou je zeggen – de wasbak is onberispelijk wit, de bronzen kranen fonkelen – maar ik denk er maar zelden aan de spiegel schoon te wrijven. Ik geloof niet dat we Freud erbij hoeven halen of een van zijn vele volgelingen om te snappen dat hier sprake is van een probleem.
            Ik begon dit verhaal met een slecht verlicht spiegelbeeld. Een van de twee peertjes in de badkamer heeft het begeven. Ik ben halverwege het avondritueel van het tandenpoetsen, tegenover voornoemde spiegel, als een aureool rond mijn hoofd mijn aandacht vangt. Terwijl tandenborstel in rechterhand nog op en neer beweegt, van links naar rechts, grijpt linkerhand naar leesbril die op de kleine tafel naast het toilet ligt. Eenmaal boven op mijn geprononceerde neus helpt hij me registreren dat ik heilige noch heilig ben maar meer een soort koningin-moeder – nou ja, een gelijkenis van de koningin-moeder uitgewreven met de bordenwisser van een schoolmeisje. Niks aureool, die blauwe anomalie is mijn vochtige haar. Een kleurstofveldslag woedt op mijn hoofd, een wijvenstrijd van vloekende partijen.
            Ik raak een nog natte lok aan om de bestendigheid van de blauwspoeling te testen, met als gevolg dat ik er een kleverige vlek tandpasta op achterlaat. Je kunt met goed fatsoen aannemen dat multitasking niet mijn sterkste kant is.
            Ik buig me over de badkuip, pak de tube Bel Argent die ik gisteren kocht. Ik lees de kleine lettertjes, ook met leesbril moet ik mijn ogen tot spleetjes knijpen. Ja, ik gebruikte tien maal de voorgeschreven hoeveelheid bij het wassen van mijn haar. Ik hou van flink wat schuim. Gebruiksaanwijzingen lezen behoort al evenmin tot mijn sterke kanten.
            Grappig. Mijn badkamertegels zijn rechthoekig met overlappende lichtblauwe tulpen, bijna dezelfde tint als mijn nieuwe haarkleur. Godzijdank is het niet hetzelfde blauw als dat van de Israelische vlag. Kun je je voorstellen? Over een ruzie tussen vloekende partijen gesproken.

 

 

Met blijdschap


Met blijdschap

 

Het is kwart over negen. Vrienden en bekenden verzamelen zich in het benauwde ontvangsthalletje. De familie is er al. Breed lachend overhandigt de ceremoniemeester ons het gastenboek. Over twintig minuten is het zover, beloofde ons de uitnodiging. Op de kop af.
        Buiten verzamelt zich de stoet. Voorop de trotse moeder, stralend. Dan volgen de naaste verwanten, enkele omstreden ooms en tantes, en ten slotte zijn vrienden en collega’s. Zijn vader wordt pas over vier jaar verwacht. ‘Volgt u ons naar het vers gedolven graf,’ bekt ons de gladde ondernemer toe. Daar wordt hij voor betaald. Maar we volgen hem, en stoten elkaar grinnikend aan.
        Rond het graf geschaard raakt iedereen in de ban van het grote ogenblik. Het is de eer aan de al wat jongere broers de spade te hanteren. Met het zweet op hun voorhoofd en onder gejuich beginnen zij te graven. Wanneer ze op iets hards stuiten, zijn we niet meer te houden. De kist! Daar komt ie!
         Maar wacht, moeder heeft een gedicht geschreven. Met verstikte stem leest ze het ons voor. We lachen beleefd om de erin verwerkte toespelingen. Na de laatste woorden klinkt applaus. De uitbundigheid wint het ruimschoots van de gêne.
         Eindelijk is het dan zover. De kist wordt naar boven getakeld en op kundige wijze opengebroken. René wrijft zich de ogen uit en klautert uit zijn ongemakkelijk verblijf. Het glas wordt geheven. Speech!

 

Met blijdschap geven wij kennis van de opgraving van René,

op de leeftijd van bijna 69 jaar.

Zijn gezondheid laat voorlopig nog te wensen over.

 

De verdrevenen

 

Over al degenen die niet ontkwamen kunnen we kort zijn. Iedereen vluchtte de bergen in. De meesten bleven steken in de bossen, struikelden, braken hun benen, vielen van de steile rotswanden, bleven verschrikt liggen in de beekbeddingen of halverwege de beboste helling, wachtend op de dood. Anderen werden verscheurd door roofzuchtige bosdieren, dodelijk gebeten door slangen, ziek gestoken door de miljarden muskieten. Degenen die erin slaagden de berghelling te nemen na eindeloze, afmattende inspanning, kwamen na twee of drie dagen om van honger en moedeloosheid, alle gevoel voor richting en eigenwaarde verloren, te meer omdat ze hun onderweg bezweken kinderen hadden moeten achterlaten.
     Aan het einde van de volgende dag besloot het leger de berghellingen in brand te zetten, en vóór de zon onderging was de beboste helling één grote fakkel droog en vuurgretig hout, waaruit de laatste kreten van achtergebleven vrouwen, mannen en kinderen opklonken in het veelstemmig koor van de in doodsnood verkerende dieren.
     Het leger achtte de actie geslaagd. Niemand was ontkomen, het dorp was gestraft voor haar verraad. Over hen kunnen en moeten we kort zijn. Over hen kan dit verhaal niet gaan.
     Maar de enkeling die wel ontkwam en de vlucht de bergen in overleefde, alle gevaren van het woud en het klimaat trotserend, die na maanden of jaren zwerven bij ons terugkeerde, hij zal ons stof tot schrijven geven, over hem kunnen onze verhalen en liederen van nu af gaan. Zijn hond herkent hem wel.

 

 

Giorgio de Chirico, Melancholie van een mooie dag, 1913

 

 

 

Guillaume de Machaut – Virelai

Virelai


W
anneer de goden met mij zijn

en ik opnieuw haar ogen zie, haar mond
voel ik geen ellende meer, geen pijn
leef ik verwilderd in het rond

Haar schoonheid en haar liefdesvlam,
dat breekbaar breken van haar lippen
breekt bij me binnen, zet me in brand:
Zo loop ik vast op duizend klippen

Wanneer zij dan haar armen spreidt,
mijn hartstocht temt in lief erbarmen,
ben ik geheel haar toegewijd,
weet niets dan mij aan haar verwarmen

God! het is goed, zonder respijt, verwijt,
dat ik haar liefheb, mij gaan laat in haar armen

***

Quant je sui mis au retour
De veoir ma dame,
Il n’est peinne ne dolour
Que j’aie, par m’ame.

Sa biauté, sa grant douçour
D’amoureuse flame,
Par souvenir, nuit et jour
M’esprent et enflame.

Et quant sa haute valour
Mon fin cuer entame,
Servir la vueil sans folour
Penser ne diffame.

Diex! c’est drois que je l’aim, sans blame,
De loial amour.

 

Guillaume de Machaut (1300-1377)

 

Ach maria

 

‘n uh monkey never had uh guilty masturbation
Captain Beefheart, Lick My Decals Off, Baby 1970


Ik ben geronseld en geranseld leerde steevast kou en haat
Moederloos en zonder vader louter lauwe leugenpraat
En ja ik had de liefste lief tot op de ergste daad
Leefde in riolen liet de smerigste baard staan in de schaduw van het spraakgebrek
Hades was mijn blinde tuin mijn hek kraters stropten mijn das
Al wat lelijk was bracht mij in de sas ik kwam nooit meer thuis
Schaamteloos ontliep ik de beulen van gezond verstand
Ik zocht de warmte van het land en brandde me aan het strontbrevet
Al zag ik soms een gat in de hand van wie doet me wat
Slurpte olie uit de goot in paradisum met elke geit en engelin
Zong van hier tot vuurland schrapend de keel der slapelozen
Met een zotskap van zuiver mensenhuid en ik zweeg

En als ik later groot ben schrijf ik mijn hoogsteigen biografie
Ik vind dan brieven die niet deugen en spijker ze
Tegen heug en meug aan de poort van hoe het hoort
En ja ook ik heb ooit in god geloofd, wee mij, zoek mij op
Verbrand en stel teleur en sleur mij voor de beul
Ik dweil uw laatste adem met plezier van uw beboterde bril
En beroep mij op zwijgplicht en jankrecht metoedeloe

Ach maria was je nog maar hier om mijn schone aars te likken
Och dwaallicht waar is de stille stad gebleven om mijn glimlach in te lijsten
Van het zwijgen in duizendvoudig woorden om zachtjes mee te moorden
In de loepzuivere plens waarheid van de zo bezongen hel

 

 

Viva Retorica

 

 

Viva Retorica

 

this is a wondrous poem fine
with no content nor heavy line

just therefore it should get an award
oh the soundtrack is so fucking smart

so present-day yet elevated
all about life and death lucidly stated

straight from the country and just so true
telling of love and the utterly wicked and woo

and in between the lines all dressed up in white
the bridesmaids the pagemen who in rhyme delight

look how in person with scorchéd breast
trips over her own rhetorical anapaest

for a final embarrassing stride
the devious devious bride

 

Winter, en het licht is promiscue

 

Winter, en het licht is promiscue
de lange armen van de aarde
ontvangen stil het residu
van sneeuw en kinderhagel
veel te traag voor een revue
voor een schedel die zich schaamt
volstaat een hoed of paraplu
neerslag en de wereld is te warm

Winter, en het plaveisel glimt
en lacht ons glansrijk uit
geen buitje dat het van ons wint
geen stug bevroren ruit
       elk dreinend, spelend kind
       is stiekem bruid en buit

 

 

Mijn jas is niet van zilverlicht

 

mijn jas is niet van zilverlicht
al het serene, sonore beneemt het zicht
je moet wel gek zijn om je te dompelen
onder in de zon, en te verschrompelen
ten overstaan van algehele uitverkoop
al loopt het volk als vee te hoop

voor de val vrijmoedig van ikarus
omwille van een veel te vuriger kus
dan van de maan, schattige schroothoop
in ommegang tweedehands vuurdoop
van goud zij ruimhartig zilver maakt
en al mijn omstrengeling lichtjes staakt

te kniezen kiezen is er niet
brand of kilte je verschiet
en het verzilverde krediet
verwarmt je hart – graniet

          dwaal of blijf alleen verdriet
          zingt het ware liefdeslied

 

 

 

I.M. Menno Wigman

 

In Conclusion

 

I know the melancholy of copy centres,
of hollow men with yellowed papers,
bespectacled mothers with new addresses,

the smell of letters, of old bank statements,
of income tax returns and tenancy agreements,
demeaning ink that says that we exist.

And I have seen new suburbs, fresh and dead,
where people do their best to seem like people,
the street a fair impression of a street.

Who are they copying? Who am I?
A father, mother, world, some DNA,
you stand there with that shining name of yours,

your head crammed full of cribbed and clever hopes
of peace, promotion, kids and piles of cash.
And I’m a dog that’s kennelled in its cantos

and howls for something new, something to say.
Light. Heaven. Love and death. Decay.
I know the melancholy of copy centres.


Menno Wigman, 1966–2018
translated by David Colmer

photo © ANP

For Max Beckmann

 

Let’s bleed in yellow and in red
take this couch for a gentle bed
and dream of songs and sounds
whispering in your eye, that counts

For all the blood that’s been shed
over all this shivering shy sonnet
touching new and ancient wounds
and woes, that stick to all that blooms

Like sweeter singing nouns
that have been fostered, fed
on your own account, and found

Loosening your cruel corselet
and precious peering rounds
praying like an anitique amulet.

 

Max Beckmann, Frau mit Mandoline in Gelb und Rot, 1950

Fabulous frowning sky

This fabulous frowning sky
peeling down her gown of milk
weeps with us for what’s forlorn

and still is visible for the ancient eye
flushed and swimming down upstream
against all odds in darker hues of blue

what the fickle fate is this swarm to us
a poem, a letter of love, a home?
all we do is sing and shedding soul

kneelin’ alone beside the fire
smell your armpits as reliable
as the swallowing hedgehog 

in the shrubs declaring the dark
as snug and better hug
than all our favourite fuck

 

 

 

 

image: Weeping Willow by Guido Utermark

Inverted crib whip

So she was another man and killed himself
loved to be a maggot stuffed with lies
of her better half his own spectre of starvation

I’ld love to be in the country
so I could for the city yearn

Slithering through sewers from drain to cesspool
she conducted all his gaping gaps to twat & slut
left her other third in the results of a smelly education

Oh to be where the city runs
shiny goblets of rustic gnomes

 

 

 

 

 

The Grammar of The Future

If density shows eyesight mirroring spongy bodies hiding in soul without no verb
one should wonder where the fingers around the vocals should leave or sieve herb

or disappear

Signing tiny whines of automatic soft design we are the melting machine gathering
in word what breath would hiss hush should bacteria tree fish tell from smothering

the varied beginning

Now no snow is hiding all burns in swim skin high towards the flame world without
end stumbling to the final whimper of an unannounced touch of brim skin and shout

 

 

 

Engelenburcht

 

leesvoer


ben een worm ik schuifel

op slaapgrage voeten
door de kluisters van je kasteel

hebt me spraakloos toegelaten
de lakens toegedaan
over mijn gefronst skelet

 

je bent de dronken engel
m’n hang naar honger heb je
weggemoffeld in alinea’s

ik ben voldoende omgelopen
lees de handdoek bij het open raam
en repeteer je naam

 

— — —

 

there’s no comfort elsewhere

 

certain words creating melodies creating harmony

 

a lot of undefinable river weed (what’s that?)

 

2,5 million clouds passing by with no car no noise

 

4 million poems concerning real meaningful content in musically wrapped metaphors with no emphasis and a lot of scattered Sap Ph O

 

dentists pronouncing terrible future happenings

 

lists in alphabetical order of books one should read before death strikes the hour

 

goddess-like ladies gossiping in line and comparing volumes and inner space

 

question marks where it should be full stops or exclamation marks or sheer exclamation

 

unreliable fishes

 

the bubbling of birth

 

poetry nothing but poetry

 

non-existing colors exterminated but saved nonetheless

 

itch in my eyes concerning nobody in particular

 

hatred of any ideology

 

at swim-two-birds

 

crime as creamy as crimson

 

every army is deemed to fail

 

there’s only this and here and now

 

space is the female body

 

striking encounters of the third kind

 

useless lists

 

sudden stone buddha’s among the weeds

 

studio clouds overhead and underneath, all on canvas or up there

 

hangmen in the dark

 

all shades of green and green like green from green as green as green can be

 

green

 

image by Max Ernst, La femme 100 têtes

 

some chickens survived, but not for long

 

watching without thinking

 

thinking without watching

 

several species of man-made creatures

 

the way the moon reappears suddenly in due time as she used to do

 

all the tired horses

 

seven dead cars and not even oldtimers

 

she came in through the bathroom window

 

examining windfall and haze

 

you try the rope and it holds

 

drink your yoghurt and stay firm

 

religion is the way of escaping reality and denying bodily facts

 

ignore this

 

level with the one you’re with

 

it’s certainly a nice running machine

 

can i have your picture naked?

 

some edifices don’t work properly, never will

 

i’m a monk and stay that way

 

nevertheless the stars, the countless stars

 

my kitchen is famous

 

if you tell me a lie, tell me a black lie, don’t tell me a white lie

 

do you like this garden?

 

stealth is a certain curtain

 

i don’t recognize this schoolyard anymore

 

and the wind cries mary

 

 

Aldus uw struikelende bruid

 

 

snorkel dichters
vent uw katjes uit
show uw kroost
en vier uw fruit

haat uw haat
en schiet uw kluit
wees te laat
wanneer de buit

van vrienden wordt verkocht
waar de noodklok luidt
eet men varens
drinkt beschuit

kucht u nog wat na
geen nood het kost geen duit
voor wie liever grienen blijft
is er immer nog wat fruit

Some notes about fertility and beginnings from swerve of shore to bend of bay as reported by Π knock i eau amongst others present:

 

1

pt th gd wtht vwls
th gd wtht n sh
t strtch tslf pn

pt th gd wth n bwls
th gd wtht n cntnt
n gts t rl pn

pt th gd wtht vwls
pt ths wh cvr p th sh
thr dpndnc klld

wtht th bndnt sh

 


2

t strtd wth th fml
t ndd wth th mpty skn
crs cnsstng f n mr thn
th htd fr lttr wrd

th pthtc gd stmblng
jst clth n clthng
wtht n flsh
t mbrc wmn

t strtd wth th
t ndd wth th dng snk
hssng wth htrd
fr thy tk hs skn

th spchlss gd s mmblng
thrgh hs slnt mgphn
hs lst hs wn nd nl lv
t th wrrrs f ht

wtht th bndnt sh

  

 

Een postolympische dip

 

Luide knal geregistreerd
een postolympische dip

 

wintervlindervrouwtjes kunnen niet vliegen
maar misschien ben ik ook wel raar hoor
geen idee
een schol is een kookplaat immers
een mislukt pretpark

verbitterd zijn ze
ze hebben geen vleugels
de man in de blauwe badjas
en fluffy huissokken
een roze veulen
de papierversnipperaar
werd haar beste vriend

de bidsprinkhaankreeft
beschikt over superzicht en
een gemene linkse
soms raakt een mannetje
tijdens de paring
zo opgetogen dat
hij even opvliegt
in de halflege Grote Zaal

het cynisme van de kersverse echtgenoot
met rauwe woorden
november is hun toptijd

 

 

de zaal van baards! – het sprakeloze in taal en typografie bij de hoorns gevat

(achter iedere god
een ithyfallisch vers staat)

visioenen van de absolute kut, solide
maar droog.

jouw stokslagen mijn duizend engelen, waarmee ik de
werelden bevecht

(meer list dan twijg in beth, dat bod, onverplaatsbaar.

 

Brandend en dreunend vernietigt sadà\exposadà de taal, in zwart en rood op wit, door erin af te dalen
Een tot mislukken gedoemd project glorieert in het snijvlak van wat de taal scheidt van het sprakeloze,
het bedrukte wit,

een prachtig procedé waarin de poging het onuitspreekbare tot spreken te dwingen prevaleert
De lust omgezet in de lust voor het oog, taal en symbool en typografie graven in het wit van de pagina naar de fecoliet van de gestolde erotiek
Een twijg wordt uiteengetrokken tot   t    w    i    j    g

 

:

Dompel je onder
in de zaal van taal waar de aars
versmelt met de b van beth


heb ik dan geen kritiek?
jawel, de – de alef – is geen os, maar de kop van een potente stier, de maangod Minotaur die dit boek met verve bespringt

 

Circus The Swarm Presents

〉 Circus The Swarm 〈
proudly presents!

Enter Mister Bullshead, all balanced potency, as Reverend Moondance!

A warm applause for Sister Homy, holding the Secret Pomegranate

Both will be

Assisted by Lady Camel, who is about to conceive with their full consent:

Boy Dalet, happily produced by the former threesome, aka Mr.Matter Hatter!

* Circus The Swarm opens its Curtains! *

With the lovely Missis Hook, on either side flanked by

Sir Sword Swallow & The Doors of Perception

Who bravely support both Trickster Knossos as well as Houdini Gatekeeper

All under the auspices of

The Fickle Finger of Fate!



*
*   *
*   *   *
*   *   *   *

 

sponsored by 
Number Nine Love Potion
Numes

Perspectives

 

Perspectives

Naturally [sic] the climate changes, and man acts a part in it. For man takes part of nature. Whether we lend a helping hand or try to reverse the change, it’s all part of it. It is haughty to think that mankind can bring this about or is able to stop it, we supply our paltry contribution to powers which in reality are totally beyond our control.
But man is good at measuring if he wishes, and dismissing scientifical conclusions is just as stupidly absurd and haughty.
One way or the other, earth is heating up, as she does from time to time. Trying to save our own skin is as brave as it is pathetic, and supplies at the same time a contribution. Those are the perspectives, in a smaller and broader sense.
Trump, who doesn’t give a damn about the matter, is a prick, and many others with him. For the sake of human dignity, or whatever you’ld call it, it is relevant to make a serious effort to call a halt to our own mismanagement. As for the rest we have no say whatsoever in the Matter.

 

Excerpt from the accounts of Chton

 

Excerpt from the accounts of Chton[i]

              – for Jac Naber


…alfway totters                                   the ant rabble                                    
[=>bespectacled]

manner of convoy equipped quenchless […] temper

digging digging

swallowed up froze in the prime mess
which we is set off to be
            we is salt current ice pulp

                                               boil fluid

in coil shrink exploding

                                   clicking

                                               puffing

gay geysering tide time
spinning in the spire span
            cosmococoon? we is cosmococooncook!                                         [-clock(?)]

[…]

half sublunary we is rainbow white
monkeys whirling
                                               newborn snow

[…]

in the lightless silence time

                                                           ever

                                   we is always ever

[…] and all is just flowing
petrifies                      encircles
to powder purple fright

our amber is billions carat
we belches from the map […] prime forest
branches waving fall down
all the woody

just keep lying there for a while
[…]

after us the ant man
after the ant man
the licking sea

[let] be licking the sea
past the escape route signposting
of dull housing ants
on our burner without personnel

                                               we stays […]
                                               we flogs […]
                                               we spits […]                                                   [fire]

here at our whimpering hearth
lava harbour till ha…

 

 

 

[i] [largely] illegible petrefact xyloscript