Tag: baardstaal

we kijken er baards tegenaan

Worum sich die Angst ängstet, ist das In-der-Welt-sein selbst – Heidegger.

ik ben de grote hypochonder:
ik groei mijn liefste angsten aan

mijn verbeelding is een schimmelende voorraadkast
het woekert poliepen uit mijn dij, die doornig standhouden
iedere glimlach is een belofte van electrocutie

want ik ken jullie wel: jullie komen mijn tongriem doorsnijden
en een lamme tong verdicht de leut niet deutend, weet een kind

maar wat is mij aan de angst gelegen als het waarheidt in de schemering,
aan de erecties die ons zullen aflossen, die de wereld zullen ontsieren tot Oz
aan de rilgeesten die langeweilen bij het aanbreken van de grote middag

soms is angst de toonsoort van thuiskomst
gejank van de wilde honden als ze een nederzetting ruiken

blijf de magie van je verbeelding trouw, vouw

je angsten als gemalen muskaat in de plooien van de kranten
als je schrikschippert door de bezette stad
boogneukt in een dependance

loeihard straffen de omgewanden onze bluf, hun komst
zet regeleindes weg, onze stokvistongen
zuigt het vacuüm, de angstende angst wordt altijd afgezonken volgens het protocol

schraaltalige neuzelaars ontgaat dat maar wie wil hier nog
de dompteur zijn van zijn eigen spleen we kijken er baards tegenaan
lustgameten roedelen jachtig over de naakte toendra van de angst
er groeit mij nog eens een toverstaf aan die alle referenties verhekst
inkerkert in het ijs dat eeuwig is

(uit mijn voorgelaten gedichtenverzameling ‘Tongriem 2‘, parels tussen de stront)

“dit is geen manifest”

dit is geen manifest [deze tekst zal konstant onteigend worden, het blijft een tekst in wording, hij zal nooit verlaten worden, uitgebreid door middel van kommentaren, op verschillende media, de aantasting van een tekst is tijdloos. verdere uitwerking zal met de stokslagen van de tijd gaan.]

ik weet het, het is verre van origineel. heidegängerisch zal ik dan verder moeten gaan; duidelik, schuldig. manifesteren; aanwijzen (fr.), tonen (fr.), bekend maken (fr.), openbaren (chr. l.). openlik (l.).

waarom als “citaat”, met een duidelikke, openbare allusie naar magritte. ik laat dat aan foucault over. het gaat immer om de wijsvinger, die zonder duim, moet grijpen.
het is openbaar. een openbaring.

poep” is een klankwoord, en als “citaat”?

P.L.e.E! platform voor de marginalen! in de marge gebeurt het! de kolk is de marge, in het sentrum van de kolk staat het stil! de kolk is de beweging!

een slagorde! geen verdediging!

verspil je werk!

beweeg gij ellendelingen!

en daar gaat de openbaring. het woord “citaat” heeft als o.a. als oorsprong een getuige oproepen, vandaar dat ik het woord “citaat” immer met dubbele aantekens schrijf.
een manifest zal nooit de Eis kunnen openbaren, dat wat de aleph eist.
te veel zijn voor iemand, ongevallig zijn, Verveel!

het woord POEP is van groter belang dan de poëzie zelf (i.e. poëzie in absolute zin, filosofie, hee), want een klankwoord, dat zich heeft uitgestrekt in betekenissen.

een meta-manifest? origineel betekent meta, ná, nachträglich zou sigmund freud zeggen. altijd te laat, als een tribunaal, want de taal is een juridische strijd, het wil namelik een casus, een gebeurtenis vastleggen, een plaats geven. ay! ay! die klichees. lieu, daarin zit plaats en gebeurtenis tegelijkertijd in verweven. de taal heeft een doel; een oordeel.
wat men tegenwoordig alles met meta-, aanduid, is niets anders dan het modernisme terug in zijn wieg gelegd; wat de definitie is van j.-f. lyotard van het postmoderne, de populistische opvatting en gebruik van de term postmodernisme heeft niets te maken met de teksten die de zgn. postmodernistische filosofen geschreven hebben. en ja, zeker, alles kan onteigend worden, voor eigen gebruik aangewend; geroofd. de triomf van de roofkunst. dat is de macht van de taal; i.e. de lezer, die immers ook zelf spreekt. schrijft de lezer tevens?

de terugkeer naar de bron, de oorsprong is een Eis, maar tegelijkertijd, is de Roof evenzeer een Eis. ik richt hier geen dichotomie op, maar draai aan een rad, een ontbergrad; een kringloop.

de toe-eigening, altijd fataal, gebrekkig, de roep tot oprechtheid dwingt tot falen. elke toe-eigening faalt, want er waart een geest rond in het huis van ik.
het woord heimlich betekent uiteindelik hetzelfde als zijn tegenstelling; unheimlich. want een huis beschermt, maar tegelijkertijd is het een krypte, verbergt het iets. oikos (huis, familie)  – oikèsis (graf). schrijft de lezer heimelik?

dit is een deiktische term, een verwijzing naar een objekt, ding. is, het werkwoord zijn, het begon bij de grieken (en waarschijnlik hebben zij het weer van andere kulturen geroofd, men vergeet graag dat de griekse kultuur, de klassieke oudheid, het hellenistische hoogtepunt, een geroofde verzameling was van kulturen; oorlog, handel brengen kultuur voort, evenals technologie, zij drijven het op de kultuur, en kultuur is niets anders dan; cultūra ‘verzorging, bebouwing, veldbouw, vorming, veredeling’)

deze GRAMMATIKALE roep! het werkwoord zijn, en al zijn afgeleiden, Zijn, zijnde, het Niets. de dader is het woord, zelf.

GRAMMATIkale POEP! zo manifest als mogelik is!

schrijven is een akt, aktie, een aanval. een aantijging; een tekst tijgt aan; zegt, toont, beschuldigt, de lezer is tevens de aangeklaagde en de getuige zelf. de lezer is de Macht, maar vergeet de Eis. Eisvergetelheid,  de lezer vergeet dat z/hij aangeklaagde is en getuige. “alle woorden lijken inwisselbaar“, re-aktie. retaliatie zelfs. dát! er is immers altijd een konflikt tussen tekst en lezer! maar waarom grijpen, zonder die duim, naar een wapen dat de ONmacht toont, en niet de scherpte verkrijgt, die de tekst verlangt. de tekst verlangt zelf niets, zelfs niet de absolute tekst, de tekst zelf; deze is onkodeerbaar, Absoluut, en kent geen voorstelling, slechts… KONFLIKT…. dát is de Eis, een tekst kent geen diepgang of gelaagdheid, het is louter oppervlakte, effekt. een effekt dat een konflikt teweegbrengt, in zijn scherpte, stijl (en ik doel hier op alle mogelikke stijlen) is de oneindige spits die de lezer doorboren wil.

waarom wordt hier dan geschreven dat de tekst verlangt, zelfs scherpte verlangt? dat is het schijnbeeld; de tekst is een schijnbeeld van de lezer en de lezer is een schijnbeeld van de tekst. een innerlik konflikt? dat lijkt psychologie, maar we hebben het over de psyche, de adem, de wind. pneuma. wat verlangt er? dát er iets verlangt wordt, dat is duidelik, maar wat verlangt niet. dát is de Eis zelf. dit dat.. dat POEP is; de Eis. de akt van de lezer, is de wil tot toe-eigening, in Eisvergetelheid. het ongemak wordt gemak, en een gemak heeft POEP nodig. het gemak is niet de P.Le.E., de P.L.e.E. is ONgemak. de kolk van de GRAMMATIkale POEP! de lezer wordt opgeroepen als getuige, “geciteerd”, in de tekst zelf, wanneer de lezer zich niet als schijnbeeld van de tekst herkent en slechts de tekst als schijnbeeld ziet en het gemak wordt gebruikt als een uitroep: “alle woorden lijken inwisselbaar“. alsof de lezer de aangeklaagde is! in deze uitroep zit dus toch dát verborgen, de aanwezigheid in verborgenheid de Eisvergetelheid, als bijna de angst, angst voor aangeklaagd te worden verschijnt. het woord “inwisselbaar”, dat ik oproep als getuige, is de eerste stap naar het konflikt; de lezer merkt op, dat z/hij zelf inwisselbaar is; schijnbeeld van de tekst en de tekst schijnbeeld van hem of haar. het is een angstig woord, ik zou het haast een ongemak willen noemen, in het gemak zit het ONgemak al verborgen, evenals in het woord heimlich. de aanklager ziet zichzelf niet als aangeklaagde. nog niet. maar bemerkt de Eisvergetelheid, en het konflikt is er al in het gemak zelf.. de aanklager ziet zichzelf niet als aangeklaagde, maar reageert wel als aangeklaagde, als schijnbeeld van de aanklager. aangeklaagde en aanklager zijn elkaars schijnbeelden. daarom is metafoor, de overdracht, een illusie. overdracht en tegenoverdracht niet. de metafoor wentelt samen met de lezer op het ontbergrad.

de kultivering van de POEP begint met het gemak waarmee het ONgemak als een vlieg wordt weggeslagen. de tekst is stront, de vlieg zal altijd terugkeren.

het schrijven is een akt, een handeling, een verrichting, verwant met actum, ‘dat wat gedaan is’ (en van daaruit is akte ontstaan), het meervoud acta betekende ‘handelingen, openbare verhandelingen, notulen’. allemaal afgeleid van agere, ‘doen, verrichten’, evenals actus, ‘voordracht, opvoering, bedrijf, akte’. (bron: van dale etymologisch woordenboek.) waarvan akte! aktie! een daad of handeling is tegelijkertijd juridisch, en praxis, i.e. ethiek. dat er verricht wordt is duidelik, of beter dat het gedaan is, de verrichting. de tekst ligt. uitgelegd? maar wie verricht of handelt en wat betekent dat? is het gegeven? en aan wie? wie is de afzender en wie is de adressant? een grote vraag, die haast theologisch is of zelfs theologisch kan zijn. maar hier wijken we, er is altijd een derde, theologie, het woord zelf is al een antinomie. theo en logie zijn geen maatjes, al worden ze, betwijfelbaar overigens, het grieks is onduidelijk, samen gebracht in “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God“. het griekse woord logos, is een woord met veel betekenissen, ze hangen met elkaar samen, maar het onderscheid, krinein (eveneens een grieks woord; schiften; onderscheiden) is van belang. dus of logos hier met woord te vertalen valt, is een kwestie van diskussie, een diskussie die ik niet volg.

is er iets gegeven? we spreken over het gegevene, de zintuiglikke prikkeling. we spreken over gegevens. wat meer verwant lijkt met dat wat gedaan is. gegevens zijn te bewerken, het gegevene wordt bewerkt. bewerking. kultivatie. wie of wat wordt hier en nu (ruimte en tijd) bewerkt?

het schrijven is een akt, een handeling, een bewerking van het gegevene, ereignis. maar is de zintuiglikke prikkeling werkelik gegeven en/of is de zintuiglikke prikkeling werkelik aan óns gegeven. we worden doorboord, dat moet duidelik zijn, maar die wie of wat, of waarom?

er is een theorie dat het schrift is ontstaan uit handel en administratie, gegevensopslag. geen vreemd idee, een werkzaam idee, buitenom of dit werkelik de grond is. de afgrond is eigenlikker dan de grond, dus elke vorm van grond, buiten de aarde om, is niet grondig genoeg om de werking van de taal, de schrijver en de lezer, de sociologie van het verdwijnen of het ineens opduiken van teksten te verklaren, laat staan te verstehen. ja, gadamer. maar die laten we snel achter ons.

In den beginne was de Poep, en de Poep was bij God, en de Poep was God

de betekenisvelden van het woord poep zijn groot, en kunnen louter vergroot worden, er zullen betekenissen archaïsch worden, maar het schrift is gegevensopslag, dus ook die zullen bewaard blijven.

zeg ik nu dat het schrift gegevensopslag is? dan komen we bij de dialoog faidros van plato uit. daar komen we later op terug, er is altijd een derde, pharmakon.

wanneer schrift louter tot gegevensopslag wordt gereduceerd, wordt uitlezing van deze gegevensopslag niet probleemloos, integendeel, het vergroot het probleem wat het schrift is; taal, spreken, schriftuur.

het lost het probleem van het teken niet op, dat volgens de saussure, altijd een derde heeft. een teken bestaat uit 3 delen. dit is niet dialektisch. hier laat ik de lezer vrij, voorlopig, de lezer kan zelf de saussure opzoeken, of lezen over de faidros. want ik wil hier niet de Eisvergetelheid stimuleren. nog niet.