Tag: chtonisch

Berglied

 

 

 

Berglied

 

Mijn flinterdunne flanken zijn van ons. Onze voeten
staan alom, dag en nacht huilen we. We ruisen zuiver
ruisen zilver en zoet ons huilen. Dat is het sijpelen dat je daar hoort.

Wie omkomen komen in ons om. Welgemanierd staan wij om hen heen
in goedgekapte struiken en bossen. De brandgangen leiden daarvan af of zwijgen
ons open. Ze zwijgen in elk individueel geval.
Het gonst er naar behoren. Wie in ons omkomen komen onfeilbaar om.

Vraag het de luchten, het vee. Waar wij ruisen, sijpelen, zuchten, rinkelen zij. Mijn
flinterdunne flanken zijn van ons. De brandgangen leiden daarvan af. Vraag het de wachters, de zee.
Onze voeten staan alom. Onze voeten zijn schreefletters. Ze zingen zacht. Doen er
hun zwijgen toe.

Ook het onpeilbare, het rotsvaste is van ons. Uit beweging geboren verstarren we.
IJskoud. We staan, liggen, zitten de tijd uit. Overhuiven u, overleven ruwweg.
Er zijn er, zeker, die in ons omkomen, maar ook zijn we dansvloer, stijgbeugel, wordt
er afgeleefd en gebeden.
Wat klingelt is toegevoegd. Vee, gelovigen, dat soort dingen. Wij sijpelen.

Uit de verslagen van Chton

Uit de verslagen van Chton[i]

 

 

…lverwege dribbelt                het miergespuis                                  [=>bebrild]
convooigewijs uitgerust onlesbare […] drift

graven graven

verzwolg bevroor in de soepzooi
die wij op weg is te zijn
             wij is stroomzout ijsbrij

kookvocht

in kringel krimpen ontploffen

tikkeren

puffen

geil geiseren getijdentijd
spinnen in de spanne
             kosmococon? wij is kosmococonkok!                                   [-klok(?)]

[…]

half ondermaans is wij regenboogwit
aapjes dwarrelend
                                          pasgeboren sneeuw

[…]

in de lichtloze zwijgtijd

ooit

wij is altijd ooit

[…] en alles stroomt maar
versteent                     sluit in
tot pulver purperschrik

ons amber is miljarden karaat
wij braakt van de kaart […] oerbos                                                   [het krakend]
takken vallen wuivend om
al het houtige

blijf nog maar liggen even
[…]

na ons de mierenmens
na de mierenmens
de likkende zee

[laat] likken de zee
voorbij de vluchtroutebewegwijzering
van dom huisvestende mieren
aan ons gasstel zonder personeel

wij staat […]
wij geselt […]
wij spuugt […]                                    [vuur]

daar bij ons grienende haard
lavahaven tot ha…

 

 

[i] [largely] illegible petrefact xyloscript