Auteur: Dirk Vekemans

Dirk es un poeta y artista plástico belga. Vive en Drieslinter, y tiene 56 años. Está ya calvo como me, delgado y bastante alto. Es un poeta muy inspirador, y organizado festivales por “la lirica libre”. Él solamente publicar poesía en Internet, no en libros de papel, no tiene una empresa editora. Está muy activo en Internet, tiene varios sitios y blogs. Además ofrece la oportunidad a otros poetas por publicar en son blogs, llama “el seguito código”.

aarzeling I, VII en mijn volledige autobiografie

I

tussen uiterst a en uiterst b
beweegt zich onze weg;
schroeiijzer, vlammenadem
brandt de tegenstelling weg
tussen dag en nacht.
het lichaam zegt ‘dood’,
het hart ‘berouw’
maar als het dat is, wat
is dan mijn vreugde ?

slapkens naar Vacillation I van W.B. Yeats:

I
BETWEEN extremities
Man runs his course;
A brand, or flaming breath.
Comes to destroy
All those antinomies
Of day and night;
The body calls it death,
The heart remorse.
But if these be right
What is joy?

vannacht zat ik in een camionette achterin, het was zo’n oud volkswagenbusje zoals  mijn vader er een had waar hij achterin voor mijn zus en mij een demonteerbare zetel  had gemaakt omdat het ook moest dienen om een orgel van een half ton te vervoeren maar ik kon wel niet zien wie er reed want ik had enkel oog voor de weg het was donker en we reden veel te snel alles begon te daveren en ik zag heel duidelijk dit komt niet goed stopt ne keer jong wat doet ge toch en de weg begon zich te splitsen ook in één deel kassei vanwaar het immense daveren ook want zo’n vw-busje veel vering had dat niet en we gingen sowieso veel te snel en een ander deel gewoon zandweg en ik ging voorover leunen om te helpen zien waar we naartoe moesten en toen veranderde de ruit van het busje in een raam in een kamer dat plots opengebeukt wordt door de storm buiten, het was nacht ook daar in de kamer  maar dat kon niet dat ik in die kamer was dus ik moest maar ‘s wakker worden dacht ik en we hebben gewoon schrik voor het onbekende ook en de dood stelt niks voor maar hoe kon ik wakker worden en ik greep naast mij want daar moest het nachttafeltje staan met mijn bril op en wat een gedoe toch zo’n nachtmerrie en toen ik nog dronk was het veel spannender en tenminste echt gruwelijk dit is waterkak seffens val ik nog helemaal zonder angsten ook  en wat dan en toen was ik wakker en ik zag dat het nog maar 2 uur was en toen was ik keiblij en ik wou iedereen zeggen dat er geen reden was om zoveel schrik te hebben maar ja zoiets zeg je gewoon niet è wat moeten al die mensen wel niet denken maar dat beeld in die camionette en de overgang naar het raam dat had wel iets ja en is het nu een afbraak dat nachtmerriedenken neurologisch gezien pure destructie van obstakels van haal die shit hier ‘s weg of toch ook een opbouw of een afbraak-in-opbouw en heel die shit van yeats dat klopt toch ook van geen kanten tegenstellingen wtf hoe basic dualistisch kunt ge zijn kasseien of zand dat buske reed gewoon te snel het gaat niet om de dingen maar om wat ge erdoor jaagt en hoe en wat dat is is niet iets maar gewoon wat er gebeurt enfin soit ik heb nog wat zever verkocht op facebook en ik ben terug in slaap gevallen en vlam door mijn wekker geslapen dedju holografisch als ge het werk van een dichter leest als een hologram dus dat ge alle info mee hebt zelfs al is alles danig gecomprimeerd tot een klein prutstekstje waardoor ge wel heel de beweging mee hebt en licht è gewoon het licht hoe simpel wilt ge het…

 

aarzeling IV
aarzeling V
aarzeling VI

 

 

VII

zij: zoek het echte, laat de schijn der dingen
hij: een zanger zijn en zonder woorden zingen?
zij: klagen als isajah, wat wil je meer?
hij: stom verslagen door de eenvoud van het vuur!
zij: zie het branden daarin loopt het waarheidsuur!
ij: laat het komen en zit zo niet uw zelf te zomen!

 

vrij naar Vacilation VII van W.B. Yeats

VII
- {The Soul}.  Seek out reality, leave things that seem.
- {The Heart.} What, be a singer born and lack a theme?
- {The Soul.} Isaiah's coal, what more can man desire?
- {The Heart.} Struck dumb in the simplicity of fire!
- {The Soul.} Look on that fire, salvation walks within.
- {The Heart.} What theme had Homer but original sin?

 

zusters

Enige inspiratie bewoog zijn hand;
hij wenkte naar de Heilige Maagd:

‘gij en zij, gij zijt zusters, gij ,
daar heb ik nooit aan getwijfeld, ga
maar samen daar’, zei hij , ‘ik ken
geen plaats voor gij of gij onder
het volk van deze wereld.’

waterbruid sterrenbruid
ga hand in hand en stroom
zoals een rivier door de netten
stroomt of weeg het web van
de constellaties af als een
reusachtig rozet in de ellende
van de grote kathedraal.

 

Ge zijt  gedoemd gij
om wit in het wit te verdwalen
als goddelijke golfslag in de dagelijkse
feiten, in de witte kerk of zwart in het zwart
van de donkere stal,

om te leven als bedelaars in de schaduw
van de hekkens, om vreemden te zijn
in lompen en vuil, om de golven te klieven
op jacht naar aardse geneugtes
& een nest van infecties te zijn

gloeiend in de godheid van uw ogen

om te slapen op de grond op strobalen
onder de blinkende hand van de nacht,
in berkenspelonken en tranenvalleien
of in een huis vol bittere zuchten

Weet: ge zult ballingen zijn overal.
Een  bitter  noodlot wacht u op, altijd
zult gij moeten horen: “Uit de weg, gij,

uit de weg alstublieft.”‘

 

 

fragment uit
“De Dichter” van Velimir Chlebnikov (1919/1921)
botweg uit het Engels vertaald door dv 2008

 

corvée d’ amour

 “Hier is mijn huid.  Haak maar vast, maak er een handwerkje van.
Weldra vlieg ik er toch uit en de pijn zit in het woord van een ander”.

Je spijkerde het op de stilte als een kunstig vlechtwerkje. Ik zie nog in slomo het neerkomen van de hamer.

Alsof de woorden en hun betekenissen jou vanzelfsprekend toekwamen. Alsof je een bedreven meesteres van het stroeve genieten was, een noodlottig bedroefde die slechts het sterven, de bevrediging van de drang naar bederf wil aanwijzen als de enige, ware weg naar het nirwana. Alsof er met die woorden van je iets te vertellen viel. Alsof jij überhaupt iets te vertellen had.

Maar een vingertopje van je hand, een spiertje aan je mondhoek sloeg snel uit naar het meer bekende terrein.  Het Behoefteplein waar je te handenwringen staat en luchtig te lachen van “neem mij, maar neem mij alsjeblief niet te serieus”.

De rechte ladder naar het zenit van het humane wankelt steevast tussen A en B.  De rest van het alfabet is niet aan de orde, het zenit zie je enkel steil omhoog.
De waarheid glipt er ergens tussenin, ze kronkelt als een druppel de snelste weg af. De waarheid is een gladde slang die glijden wil, de diepe vijver in. Het ongeziene van de waarheid is haar habitat.

Het is de lust die het overal donderen doet, het licht van de woorden dat kenden we al. De duiven zitten op dit uur stijf van de angst naar de ledlampen te turen. Het raam zet ik maar open best, zodat de onweerswind onze verschaalde kamerlucht kan komen opsnuiven. De nacht raamkoost.

Aha, ze lacht.

Ja, schat, we hebben een heden. het is gelukt!
Wacht lang genoeg, zo stond het in je hart gegrift, dat altijd voor het grijpen lag.
Maar dit heden is echt! Het staat en spant en zingt. Zo had je het vast niet gedacht.

Kom, wonderlijke dame, tijd hebben we nooit genoeg, prik je strenge oog met je tranenmoraal dus ploef aan die cactus op de vensterbank, hang je muffe ondergoed over de flitsende schermen, ik zal je vlug bij die befaamde ander van je sissend op de lippen zetten. Letter per letter tot je met de letters samenvalt. Het verhaal zal ik als stroop uit je glazige adem persen, de personages die we waren uit de plooien duwen van de lege vlakte die we ondertussen in de leegte maakten.

Ik weet het, je wil nog een bootje zijn, zwalpend op het natte vlak van je wensdromen, maar ik duw je af tot in het niets van de volledige tegenspraak.

 

Ze neemt haar lach terug, legt het als een leeg schelpje bij haar woord.

Inderdaad, je weigerde zelfs dat. “Neen: jouw huid is een haak en van die vissen in je aders vliegt er niet één”.

Ik hou het de duisternis voor als een vaandel van marmer.

 

woestenij

(verhaspelingen van het Verzameld Dichtwerk van Karel van de Woestijne)

sol

la ::  al
hier mijn muze, zo

si ::  is
het   –   ik heb haar door uw lijf gehaald

do :: od
eur  –   ze geurt nog naar uw grauwte

re :: er
rest nog stof van sterren

 

la :: al
les af en uit

sol :: los

Ω

      solasidorelasol - dv
⇐ vorige woestenij

 

(och nee, hou maar)

 

(verhaspelingen van het Verzameld Dichtwerk van Karel van de Woestijne)

 

 

de tover gaat in verte over,
het zicht nabij veredelt
niet het uitgedeelde leed
en weg bijna lijkt al het edele.

het edele verhardt en star
in plooien valt de spot:
ik post mijn pose tot de ziener
die daarbij geen oogwenk stopt.

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

 

Tuin

Zal ik een tuin bouwen in jouw vorm?  Fuck Versailles, dit trekt gegarandeerd een veelvoud aan  toeristentristesse. Wereldvermaard wordt vast de met taai onkruid omringde waterput waarin zinken de radeloze zuchten omtrent het verdwijnen van het fijne in je gelaat, het oprukken van de splijtende kopzorgen, de nijd die woekert als geel bloeiende braam rond je hoofd.

Ik modelleer de put van je hoofd uit het geheugen, ik zie hem nog zo voor me: dat gapende gat waarin de kat viel die je teder placht te strelen en die daar jankend verzoop toen je mij de ogen toewierp. Wee die dag, toen ik mij in  het onvermijdelijke ontluiken van die klepperende diepten met hun ijswind naar nergens weerloos gespiegeld zag, mijn beeltenis herleid tot de frêle letter die ik altijd al in jouw boeken was.

Zie daar de tanige heesters van je stekelige armen, voel de doornen in de zwiepende rozenstruiken onder je oksels, waarin mijn laatste greintje trots in een kwinkelend kringetje opkrult en zich met een finaal opwippertje bij het herfstige bos van mijn falen schaart.

Rond het atrium waarin doorzichtige haagjes de eertijdse finesse van je legendarische schouderbladen oproepen, metsel ik een zestienzuilig peristilium, waarvan elke zuil een versteende metamorfose van mijn wezen gevangen houdt, een snapshot van de puist van mijn ego op de in het doolhof van de Onmin vertakkende lijdensweg die wij allen delen. Hoedt je immers, mijn liefste,  voor de illusie enkel tuin te moeten zijn in dit verhaal.

Daar sta ik zestien maal, met een stuk glanzend zwart marmer dwars door de bleke onderbuik telkens, een verzakking uitgevoerd in vlekkerig albast waarlangs fijntjes de suggestie van een etterig bloedstraaltje loopt. Meesterlijk.

Op het dak wachten de gieren. Straks, als de bezoekuren afgelopen zijn en het geloop als dwaas en oppervlakkig uit de rijkdom der bewegingen in het geheel van het rotten verdwijnt, straks krijgen zij hun dagelijkse galgenmaal: het ik-vlees dat jouw vertuinde geest ophoest uit de diepte van de darmen. Het floept uit de put die je kop is.

Ongehoord, ongezien lig ik in het late zonlicht gillend te lillen wijl de eerste gier zijn bek zet in een uitstulping aan het vormeloze spuwsel.
Daar heb je de tweede al, de derde, …

de gebelgde zanik zeurt om zijn verslapte veer

ingewikkeld was de veer weerbarstig een verschrikking
als een sneer streepwaarts zij stoof in het vrije nee:

geerte blake schave kele
infra basem brok geboren
weke bleekheid van heur handen
draag gezaag verlaagt de dag

zie hem staan nu zeurend in het zerpe van zijn ziel

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

het lichaam jij

het lichaam jij waarin ik plant
mijn geheime nijd tot bot
en bleke dood

het lichaam jij dat ik aansteek
met de woeker van genot
dat doorwoekert

het lichaam jij dat rouwt en kermt
en snikt maar in zich vrede
spaart nog van mij

het lichaam jij dat droomt en hoopt
nog terwijl ik moord en mij
eindigen wil

het lichaam jij waarin ik woest
en heersende staan blijven
kan, nimmer vrij

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

modderbad

modder waar gij rollen moet
terwijl de vloek uw vlokken overdoet
ontzag staat u in d’ ogen wit
dat gij nog in uw badje zit.

grommel niet geraamte in getelde taal
ik spoel u terug tot kind in het verhaal
berouw, vergeef uzelf nu aan uw ziel
en geef het woord dan aan uw vrouw.

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

woestijn

ik schuifel en hij loert.

zijn kijken schilt, hij boert.
hoe ook ik mijn knieën
schik, hoe ook ik mijn kleed
vertrek: zijn stompe brein
doorbreekt de korst. hij kookt
in eigen grijpersschijn.

vlaanderen de leeuw.
ik leer nu snel de plaats
te mijden waar boeken
staan uit die woestijn.

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

broeiing

fistels bloeien open in de holte van een groei
vingertoppen reiken tastend naar het rot
spijskaart splasht in ‘t schuivend schimmelbed
o kleursurprise barstend uit een tandabces!

jouw schaamtehaar mij zingt m e s o p o t a m i ë
mijn woelen wroet zich naar de bron
uitdagend kan een stramme wachter dreigen
dra ik trommel op jouw huid van binnenuit

het grauw verkondigt liefde als geloof
ik duw de letters IK nog dieper door
jouw kermen vindt in mijn genot gehoor
vrij van vorst geklater braakt wat later

mijn schokken scheur van schokken in jou uit

 

 

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

 

 Z I E Z O D E

Z I E Z O O
Z O Z O
Z O  Z O
Z O Z O
Z I E Z O Z O

Z I E Z O Z O
Z O Z O O
Z I E Z O O
Z I E Z O Z O
Z O Z O
Z O O

Z O Z O  Z O Z O Z I E
Z I E  Z O Z O Z I E
Z O  Z O
Z O Z O
Z I E Z O Z O O

Z I E Z I E Z O
Z I E Z O Z I E
Z O Z I E
Z O Z I E
Z O Z O Z I E

Z I E Z I E Z I E
Z O Z O
Z O Z O
Z O Z O O !
Z O   Z I E   Z O O

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

 

BOEHOE

bommerdebom de kopernagels oprakelende kaproenen
bereiden nog het knalpoeder in oude pokalen.
de reine blonde maagden met ijskoude breinaalden

verjagen de hitsige luipaarden en pok met de kispan
fok op de kop plokt de muze de baldadige dichters
van doem en de doldomme mode van doftig  gedoe.

ha mannen bedaren pas die zich ter vrouw beraden? ie.
tot regen plenst juni plassen de aftellende tafeleenden
weg in alg en kwijlvijvers de glansloze weken. lengte is.

tussen krammen ijzerdraden elastiekjes zakdoeken
snoeprollen kasticketjes suikerklontjes oortjes keelpastilles
– ’t is inderdaad maar een handtast – kraakt en vermorzelt

uw schamele zucht, breekt u haar heldere puurte daarmede
tot uw mistroostige taal van gebaren en steekvingers af.

 

 

klaarte

het teweeggebrachte weegt, het gedane
keert een zwerm gedachten uit,
rondt de stilte af naar eenzaamheid.

de zon rust uit de maan met net
voldoende licht om koelte, muur
en bladomruiste roos buiten

de wens mens te
laten, pure waan.

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

 

 

facebookster

ik ben een sterk gelaat
dat alle guurte tegen gaat
ik overschrijf haast dagelijks mijn woord
in antwoord op de nieuwe vragen

mijn dreigement is slappe koord
een zee die nadert, om te wijken:
ik sta constant in eigen zeik te zeiken

 

⇐ vorige woestenij volgende woestenij ⇒

 

vergooit uw GELD en koopt LYRIEK!

woestenij

onschuld

blijf: geheel van jou blijf ik.
jouw vlindervleugelspeld
doorboort mijn lijf, de bitterte

verettert. jij zwijgt
maar gapend gooit jouw zwart mijn varen
in kolken en klippen.

jouw bleke tover brak de nar
jouw oker bleek vol schaamte rood.

jij bergt de vlakte van jouw dood.

onschuld vliedt daders
die de tijd geen daden bood.

 

volgende woestenij ⇒

 

 

geld maakt ziek, geneest en  koopt LYRIEK

terloops

(pour a.c., l’ isle en elle)

in de druipende gewaden
rond een lijf vol angst beoogt de mond
het zwijgen, trekt het doek
inwaarts
naar een kom.

de trechter voor het drijfnat
bespoedigt de verstikking, lokt
de wanhoopstong likkebaardend

uit de kokhalzende keel:
draden raakt vergeefs de tip, weefsel
van de woeste warrel
om jou heen

onvervaard, gehuld in lila kraag,
gebrandmerkt met een bisschopssteen
betast mijn hand

de stille stand van streling
bevrijdt de tijd met een terloops
gebaar.

HYMNE AVE MARIA STELLA

dada kaka pipi ump ump
dv2018 – “dada kaka pipi ump ump” – 18jaarsche tekening met evident upside-downieke influenza

wees geribde
zeester wijdbeens bankend
op een afgeplakte hemelstraat,
gij vuile opgedoefte
stortravijn

gij rochelt vla
vanachter uw glabella
gij zeikt uw zuur met stralen
gaten bijtend in de leegte
van ons zijn

qui pro nobis
nata hoeveel taka taka
kost wel niet uw schoon
beschubde pellevel, gij
angeliek verbrodde maagd?

gij spartelwijf, gij
plakteef, zieke zilverzeug
met stugge sprieten,
het godenvlees  gepekeld
in uw kwabberbuik:

merci dat gij voor mij
tot hier gekomen zijt.

Het Akkerlied

(een strijdlied van de Vrije Lyriek uit ‘Het Pad van de Wenende Nacht’, een Klebnikovprogramma, 2008-heden)

Gij zijt een akker gij, grond van lang vergeten tijden.
Uw kluit is traan en klei om ’t hedendaagse lijden.
Het onkruid schiet gewillig in uw verse keren op.
Wormen vreten wormen, aarde moet verteren.

En al de schoonheid bloeit uit diepe lijnen op
En heel het leven zingt uw brekenspijnen mee

De stad gebetonneerd vergammeld vol van holte
en toen kwam u met riek en zang en stank voorbij.
Het oude rot van schaamte zonk in ’t nieuwerwetse niet:
wat gij verzon verdoet men zonder scha en schande niet.

En al de wijsheid breekt uw gulle lachen open
En alle woede komt weer onomkeerbaar boven

Nu graait ’t gesjacher weer haar mollenpoten in ons om.
Dan wil de nijd haar pleeggewaad op ons verspreiden.
Nu poogt men u met krans te fatsoeneren tot een pop.
Dan wil de Hertog weer uw wilde krachten in zijn span.

En walg zal elk gebod naar de gebieder om doen keren
En verlangen bergt in ’t leven teder lust en leven op

 

 

 

dv 2018 – rizoom

 

licht

dv 2008 – potloodtekening – A5

Licht

Ik stapel wat er rest aan licht in lagen mist
zodat ik je vannacht met inzicht kan bestoken:
hier, hier en daar heb jij je toch van droom vergist.

Jouw lichaam welt mij dan dik onder de oogleden
tot het van verlangen niet meer kan.  Spijt, zoals bij:
de kleren van de keizer vermorzelen de naakte man.

 

4 voor iderden

vier gedichten bij een schilderij van Ilse Derden

 

Natte maan

In plassen zwart, verregend op het asfalt
zie ik het karige fonkelen. Het droeve glimmen
van het stille dat bewegen wil. Zwijgen zuigt
het zwijgen uit het zwijgen, vingers leggen

vingers op de snee en wrijven het bloed
uit in het wit van de wonde. Kaal huivert
een boom zich de bladeren af, duister
kust een mond het zwart in je oog. De leegte

mirakelt: tranen bergen tranen glanzend en
traag in de gaten. Zie. Het in. De diepe glans.
Het ganse deel. Waar je rafelkleed in oker
afklopt mijn verlangen. Waar het om je rokt.

 

Huiveringen

De maan omvat gestreng de categoriek
te fel verlichte bomen. Stroom alom.
Geflikker. Jij als licht daarin. De bladeren
vluchten in geritsel naar hun ongedierte.

Het af slaat op. Ik ben er weer. Snel.
Zwart teken je het maanlicht open. Ik.
Net op tijd om te laat te komen, om
op mijn adem tijd en adem te verdoen.

Later. Hier. Tijd verstrengelt alles in geratel.
Gebulder breekt de geborgen ochtend.
De vroege zon ontlokt damp aan de nacht,
stank van lijken. Kust de nacht als een kamp.

 

 

Vloed

Het schrapen kriebelt in de keelwand.
Het schrapen vlokt aan tot een vette kraai.
Aan prikkeldraad de stem bloedt open,
licht het rotte op, verlucht. De stem is.

Het staande heeft het weer van ons gewonnen. Ik
eindig in een punt, nietig, in een puntig ik. Einde.
De stem heeft alle woorden in de klank vergooid.
Het staande heeft het weer van ons gewonnen. Ik.

Sorry hoor, uw water komt niet ons aan de lippen.
Uw weelde raakt niet ons de stramme tong. Stof ja:
kunstroet. Uw verhalen verschralen tot kanteling.
Het heeft het gewonnen. Wij lossen op in vloed.

 

het schilderij van Ilse Derden

 

 

Hadith van de maan

wij zijn verzwolgen al maar golven golven na
wij waren golvend licht ooit in de volle dagen
wij waren golven wij van wijde werelden weerga
en van diepe harmonieën  uitdeinende galm

wij waren golven wij, winnaars in de kunst van falen
wij waren golven wij, hoeders van de aardse mal
wij waren golven wij, makers van het ene in het al
wij waren golven wij, met de eenvoud van het ware

wij zijn verzwolgen nu maar golven ons nog uit
wij spoelen nog de liefde af die in ons niet wou komen
wij zetten weer de wanhoop aan die niemand overwon
wij zijn verzwolgen ja maar in de golven golven wij

 

tralieliedje

 

alles
is
weg

 is zo tragisch alles
is weg traag is de weg
is alles is tragisch tragisch
alles  liep de weg traag is
alles de liedjes tralies tralalalies
de wegweg de tragisch de weg
die de vraag is

de maag is de tragisch de lied
is de weg weg is tragisch de man
is de mand is de heg is de weg

is zo tragisch is de way is
het hoge het wegen is de kar
op de wegen de tragisch

de man is de maan is de vraag
is alles zo tragisch zo alles is
de is de is de einder de is

alles de tragisch de weg
de is de alles de man is de

is de de
is de
de
de
de de de

weg
is
alles

[bws_pdfprint display=”pdf”]

 

 

uit HEMELNETLYRIEK 1.0

Natte kerstdroom

 

korzelig de zalmscheutige mens in zijn bedding
breekt en bonkt zich het broze beenaderarmige

op de bonk- en breekstuurkolom onderweg naar ikea
(o ronkende bromt in het dolhoofd de boertige trom),

en haalt dan

  • met imponerende stevigheid
    de hebberige kindertengels
    van het lichamelijk voelbare
    tankbeurten af –

ting ting gulpt al de slangentangteller, de auto
zakt door de wielen, de tang haakt
in de bak, de bak
slokt;

  • pff-pff-pfft zich ten tweede male
    de schouders op;
  • dan open, dabt diep met
    bloedmorsige handen
    in het bosbessenblauwe
    yoghurtoog;

zwelgt in een kerststorm vol bolle naaktverlokkingen
van uitzwermende rode glijwagenmannen
met blondgeil beglansde taartverpakkingen
het soort waarvoor  je graag de vingers uitzet
in de hoop stiekem de rente –

Tot slot, in sync met het ontwaken

het spuugsel van wasautomaten
in toeslibbende glanswitte badkuipen
gorgelt en kotst de Verlossing

(forthcoming, order now)

 

[bws_pdfprint display=”pdf”]

 

 

lied is lied

op de wijze van “life is life (nanaana nana)”

 

Je siddert en je wereld is een gruwelbel.
Er zit een engel tijd en opgehoopte nijd
te braken. Ik hoor zijn vleugelveren kraken

in het opgeborgen razen van je bloed.
Zoek je toch een lied van fuck en laat je naaien:
hoe laks je bent, dood die zomaar in je mag!

De wereldlijke haast verpakt je in je kak,
te schrikboksen sta je in je beenderzak.
Sta! Stop! Veeg het mos van je kletterende dak!

Wrijf de etter uit je oog! Bekijk die blauwe ruimte!
Pak! Veeg! Laak! Maak! Schud! Verstoor! Bestier!

 

[bws_pdfprint display=”pdf”]

audio test

DIT WAS GEEN TEST!

Was er klank of is er stilte?
Als er stilte was, waar is dan de stilte?
Als er klank is, dat is zeker, toch,
dan was de klank niet hier.

Druk op de pijl. Doe de test!
Is er klank?
Was er stilte?
Waar?

      dreueueuntaknoegl

 

 

 

 

Ode aan PETRUS SIMONS I

O ασ die gnostisch slaapt,

wij, ene, hemellichamen, kroongetuigen
wij, komelingen

tongverlamd, oogdoorstoken,
ons de bestanden als dazen

afslaande, stof

dat stof fileert, rede rederijk
ontoereikende vertrapt

O ασ, die sprak:

neem mij als appel als rietzoon als vlees-ikoon,
dadelijk schijt de wijze. held en blind. neem mij als
stok als tong als hond

O ασ,

wij nemen u ter PLeE, gelokaliseerd
wij schillen u gedwee de wereld af
wij splijten u de lillende kloven in
wij schijten uit, vereren en ontzien u, o

 PETRUS SIMONS I

Grondslag, Afvalsteen van Werkelijkheid
wil ons voeden, wil ons kleden, wil ons leiden,

dat wij onze lijven als schepen
schoonwassen, ter PLeE stevenen;
dat wij geloven mogen

de miseriën

de mysteriën

laat ons gillen ( ♠ )

 

ασ

 

 

 

[bws_pdfprint display=”pdf”]

LAIS

Zie wat ik zag toen ik weigerde te zien.
Hoor wat ik verzweeg toen ik weigerde te spreken.

Niets van jou is ooit daadwerkelijk beschreven.
Niets is van jouw lichaam ooit naar waarheid verteld.

Jij weet niet wie jij bent.
Jouw lippen sluiten niet jouw mond,
jouw ogen zien niet wat je ziet,
jouw hand heft niet een van jouw handen op.

Jij splijt de wereld. Jij
bent een diepe aarden mond.

De goddelijke tongen vlammen
aan zichzelf verwrongen gebonden
rond het uit hun hemelen
verdrongene.

Jij wint. Jij won. Met
vloek en krijsen zullen
eeuwig de goden
zichzelf moeten dwingen

om jouw naam
bij elke mens in
te branden.

Uit vuur
vuur.