Auteur: Gusta Bastian

Emelt

Emelt

Ik zal u kond doen van het slijk,
van engerlingen, van het hiernamaals,
een non-stop multinational bedrijf.

Elke nacht ging ik op zoek naar jong gewas,
ondermijnde akkerland, heb vaak uw oogst geplaagd,
niet met opzet, maar lief verdraagt zich slecht met vraat.

Onverwacht werd ik als halfwas mug
vroegtijdig door een merel opgegeten,
zelf had ik die dag niet eens ontbeten.

Nu sta ik als geest het mensdom bij,
u bent mijn medium, neem de pen ter hand
en noteer wat ik aan wijsheid debiteer.

Het leven was goed, maar hier is het nog beter,
wat zeg ik, grandioos, ik heb aan niets tekort.

Ik ben Emelt, de gids van gene zijde
en ik groet u van de onderkant.

(hekeldicht op de boeken van ‘Emed‘)

troebel bloed

troebel bloed

I

ik wandelde door de oude stad
waar we vroeger schuilden
staat een monument van welwillendheid
ik sloeg een kruis en prevelde gebeden

onder het plaveisel lopen onze sporen
reukloos voor de herdershond
een woekering aan onderhuidse cellen
hij zoekt naar menselijke resten en vindt
verstoorde levens in de berm

daar sneden onze wegen en op die hoek
scheidden ze, we stierven vele malen en
wielen rolden verder
over de lange ijzeren brug
hielden nog voor het midden halt

 

II

ik neem het grote kind in mijn armen
zo zoet is ijs, zo zoet is suiker, stil maar
het is goed, we wiegen net als vroeger

ik ben een mond vol tanden
houd me stil voor de woeste hond
zing van woestijnrozen en wereldwonderen
schilder met natte wimpers
voor elke dag een blad op warhols kalender
bloemen druipen langs de wand

 

III

is de dag zwart of kleurt hij grijs
ik wil een linosnede maken
voor als ze wakker wordt
haar weke gezicht wassen
in gebrande sienna

eenmaal gemaskerd
voor als ze niet ontwaakt
wanneer duizend stemmen roepen en
we voor de muur staan met een schimmenlach
onze vingers krommen, nagels krassen

wat zal haar bevrijden
wie geeft het bitter leven bloed

 

algoritmes of goochelen met x en y

algoritmes of goochelen met x en y

dat we nu nog op een kussen
met de ruggen naar elkaar toe spinnen
twee heilige birmanen die beginnen
aan een prikkelende mêlee
van bloed en parelkandij

dat eerst de goede bedoelingen
aan flarden gaan
en een schaduw op de zitting laten
in een wilde roffel over het zeil

dat je rozenbottelsnor
langs mijn geschaafde voetzolen strijkt
voor je gaat en dan toch besluit te blijven

ach, we zijn maar chromosomenzwabbers
de rest is knopendraaierij

 

Gepubliceerd in de bundel ‘uit de ruimte tuimelen’ (2013)