Categorie: beeld

berichten met (verwijzingen naar) grafische bestanden in het bericht

Wadi 2007

Wadi

Zacht is uw kruin en gij hebt net gegeten
onder den vijgenboom, uw lieveling.
O vrouwenschoot, gij zijt het diepste ding:
breuklijn te zijn, adem en dood, alles te weten.

Maar zie, in u ook stormt de wellust op
tot hevig branden, niets dooft uw pit:
uw vuur is water, verstijft mijn lid,
het dwaas gepluk in u voert mij ten top.

Ach, smaak het zoenen van uw lief vagijn,
het heerlijk geuren waarin wij liefde baren,
geniet het zilt geheim, dat wij bevaren,
dwaal door de rimboe, waar uw lippen zijn.

 

 

Im alten Ton

Pastorale

 

Melkwit zeezwart zingt de zuiv’re nacht
aan alle kruiken het lipbesluipen zacht
adagio & adamant de slikkende adem
ibis der dodenwacht – och stil omvadem –
komt aangedropen d’onmachte minnekracht
en schouders’ onverwachte zinnepracht

Maar wier queest’ meanderspeurend
over branding schuimrijkgeurend
laat na haar beoogde boezemfrons
het duister harer ogen elk van onz’
uithuizigheid en spraakloos dralen
ypsilon & yuccamot zwijmend dwalen:
stoor geen der ruime feromonenzalen
eer u wekt een jammer bloesemfalen
na alles wat zich lijmen, rijmen dacht

 

 

 

 

ill. Edvard Munch, Zomernacht aan zee

 

 

 

 

Aan het ven

 

Aan het ven

 

Lethe in haar vuistje
lacht om al wat wegdrijft met de wind
Afrodite steelt het kruisje

geeft haar minnaars wat hen zint
Mnemosune, lieflijk huisje
waarin ik rondloop als een kind

Water duister
waarin ik niets hervind
Waterluister
waar jij mij stil bemint
Water, fluister
geef mij je blije hint…

 

 

 

uit: De beeldspraak van de Tarot, een speurtocht in het onmogelijke, Altamira-Becht, Haarlem 2003

ill. “De Ster”, obscuur tarotspel, met letter Ajin i.p.v. Peh

 

 

 

Leda revisited

Hoog bezoek

 

Och, de schoonheid van zo’n meisje
praat me er niet van. Neem Leda,
wie evenaart haar duistere schoot
dan zijzelf, der waat’ren dood?

Ik zong een ander, aardser wijsje
bevlogen en bevleugeld, hopla!
bedronk mij, valse parakleet
aan hals en snavel, verenkleed

Zij huivert voor de overmacht
maar ware lust kan niet bederven –
ons smachten maakt haar boterzacht

Zelf wist zo zwaanlief haar te werven
en mét haar al zijn zilv’ren pracht
in gouden licht god’lijk doen sterven

 

 

 

bijdrage aan Als ik jou eenmaal verlies – Gedichten van Rainer Maria Rilke met reflecties van hedendaagse dichters, Stichting Spleen Amsterdam 2018

ill. Erich Stephani (1879 – 1956)

 

 

From 5 to 5 and back

Ik loop de straat uit en bel aan waar ik tromgeroffel hoor. Een vent met een kop als een grothyena doet open en begint te zingen. Door een harde windvlaag slaat de deur dicht. Ik bel weer aan maar er wordt niet meer opengedaan. Later blijkt de mayonaise niet in de aanbieding. Sirenes klinken om het kwartier. Nergens schijnt de zon zo hard.

Samenvatting

Samenvatting

 

In de onverhoopte vrede
stamelt het gevierd verleden
snikt de blootheid van je weelde
blozen al mijn ijv’re leden

In je grote bruine ogen
drijft mijn tere onvermogen
& het smelten van je lippen
heeft mijn hart woest meegezogen

In het zuiver goud
dat ons wellust kust
zwerft het lieve oud
slaapt in diepe rust

       & al het zout
       wordt nooit geblust

 

 

 

 

ill. Auguste Rodin, L’éternelle idole

A deux genoux devant ton beau corps que j’étreins.
Élève de Rodin, Camille Claudel en fut aussi l’amante:
on dit que le groupe sculpté L’éternelle idole fut inspiré
de leur relation pour le moins complexe,
qui inspira des lettres passionnées à Rodin. 

 

 

 

A & O

De gave

 

Alsof Artemis het wist;
in een oogwenk was ’t beslist:
we zijn elkaars geschenk,
de kus blijft onbetwist.

Op de vleugels van haar wenk
wiegen in een wolkenslenk;
Ze heeft zich niet vergist –
we zijn een godsgeschenk.

 

 

ill. William Blake, frontispiece The Marriage of Heaven and Hell 

 

 

 

 

 

 

potvis #4

INPUT

OUTPUT

 

zwarte waarheid witte kolder


de wortels van de kraaienpoot zijn maden
en zijn vlinderen de lege bladen in de buik
van mijn boek. 'alles stevent af op ondergang'

meesmuilt de kapitein maar is het dan dievegge
als je pijplurkt tijdens kombuisuren?

de bol is waanzin en opwindend, de regen
kletst Hélène op de bil -  Ik kan de lente ruiken,
jij blijft beloftevol jouw donkergrijze luchten.

dv 29/04 /2018

 

 

 

 

 

Safe

She lead me into the deepest woods
where silence spoke in loving whisps
and showed her ample longing hips
to open places of the weirdest moods

And bade me welcome to her open space
where I was lost in dreams and tangled hair
she bit my lips & skin in sunlight fair
and all was air & gasp & utter grace

For every fear was blown away
in seconds from my trembling brow
the sky lit up in drunken sway

Ere we suspected when & how
we’ld 
see where love would lay
and praise the proper then & now

 

 

 

ill. Gustav Klimt

 

 

 

 

potvis #3

 

32 vel grafisch werk werden mij toegeworpen
visuele huiden om in te kruipen

“schrijf snel, de tijd verbergt het wel”

 

INPUT

 

OUTPUT

 

 de bomen die ik zag
van d'aard' omhoog naar nergens reiken
 met hun kille winterarmen
waren schijnbaar slechts aan ons gelijk:

uit botten bloeien welig wilde bloesems nu
die 't warrelzoemen met hun spijzen zoenen
terwijl verbitterd en vol spijt de burger
met gebulder langs mijn voordeur rijdt

en mij mijn pov're dichtersrust
en stille eenzaamheid benijdt.

dv 21/04/2018

 

De vingerafdruk eicel van het heelal
heet Anno Zoig, zorgzaam als de knal

Adriaan Krabbendam 22/04/2018

 

 

—> Graag uw OUTPUT in de comments, dan komt die hier erbij…

 

Bekijk alle potvissen...

 

In illo tempore…

 

In illo tempore

 

zo’n huid van wolken schuift uiteen
de lippen wijken van de nacht
daar sterft er veel en hees geween
van ochtendroze blozenspracht

ooit oase ronde mond brengt vruchten
voort, die jaren hierop wachtten
sterren zuipen kinderen zuchten
in verten loensen ogen bruin, de zachte

vlijgebed van zwijgend ambrozijn
zinge-zang der leden vrijlijk alle
druipend van de wijze wilde wijn
o wrede weelde van het smalle
       wenkbrauw van de blote avondschijn
       waarvan de schellen lieflijk vallen

 

 

 

 

ill. Max Ernst, 1923

 

 

 

 

Uiteindelijk…

 

Uiteindelijk maken leugens mij niet meer bang
Er is de maan als een spiegelei in een pan
Een ketting van waterdruppels zal de hals van het verdronken meisje sieren
Hier is mijn boeketje passiebloemen
Die teder twee doornenkronen aanbieden
De straten zijn nat van de regen van vroeger
Toegewijde engelen werken voor mij in huis
De maan en de droefenis zullen verdwijnen
Heel de heilige dag lang
Heel de heilige dag lang heb ik gezongen onder het lopen
Een vrouw hing uit het raam en keek mij lange tijd na
Terwijl ik zingend in de verte verdween

 


Guillaume Apollinaire 1913

 

 

vertaald door © Kiki Coumans 2017
in: Het raam gaat open als een sinaasappel, Uitgeverij Vleugels 2017

 

 

 

ill. Paul Delvaux 1955

 

 

 

 

 

 

potvis #2

de postbode bracht mij anoniem 32 vel grafisch werk
ik wou haar nog niet aangekleed bedanken maar ze was  al weg overigens dus ach we gaan het nooit weten
ik poog al recyclerende de betekenis en diepere zin van deze grafiekjes te achterhalen, dit lukt mij nooit nee nooit

alweer een confrontatie met het Onmogelijke!
elke keer dat ik dit doe
vis ik een vel uit de enveloppe waarop een pleepot mooi staat afgebeeld, net als vroeger: inscannen zoeken dubben turen schrijven vragen vloeken en mompelen van gosh wat is dit nou…
elke keer een nieuwe potvis dus…

 

INPUT

 

OUTPUT

 

de revolutie draait ons van de aarde af
de revolutie draait ons uit en af
wij zijn niet meer van god
wij zijn van vlees en dier
wij dragen stempels nijd en overbodigheid
wij dragen doem en doen alsof geen spijt
op oude dromen van dolfijnen
van ons weg ten einde rijdt
wij zijn de koppen die in manden vallen
wij zijn de slaven van de winstgetallen

de revolutie draait heel stil ons uit de dingen weg
dit is het laatste wat ik zingen mag en ruis en zeg

 

—> Graag uw OUTPUT in de comments, dan komt die hier erbij…

 

Bekijk alle potvissen...

 

 

 

potvis # 1

de postbode bracht mij anoniem 32 vel grafisch werk
ik wou haar nog niet aangekleed bedanken maar ze was  al weg overigens dus ach we gaan het nooit weten
ik poog al recyclerende de betekenis en diepere zin van deze grafiekjes te achterhalen, dit lukt mij nooit nee nooit

alweer een confrontatie met het Onmogelijke!
elke keer dat ik dit doe
vis ik een vel uit de enveloppe waarop een pleepot mooi staat afgebeeld, net als vroeger: inscannen zoeken dubben turen schrijven vragen vloeken en mompelen van gosh wat is dit nou…
elke keer een nieuwe potvis dus…

 

INPUT

 

OUTPUT

hic anda thu

ogen staan te bloeien hier
 en stuiven tot gestalten open
 en ook de vogels ik
 en jij nu wel erbij

lijven blaadjes met de vleugels in
 tot handen voor hun lentelief

(dv 12/04/2018)
takken ingelijfd
vol staan te botten

met lichte zweetdruppels bezwangeren ze de lucht
met kleur en geur
waar geen vogel
laat staan een bij
van afblijven kan

noch wil

(Marc Tiefenthal  13/04/2018)

 

AR* van de OUTPUT

 

—> Graag uw OUTPUT in de comments, dan zet ik die hier erbij!

 

 

Bekijk alle potvissen...

 


*AR= Asemic Reading, een Asemische Lezing zie https://dirkvekemans.com/2018/04/10/asemisch-lezen/

 

Rooskleurig

CV

 

gediplomeerd verstrekker van ochtendkoek
en tafelmuziek ben ik beëdigd kooklustig
meesterchef braakonderzoek en zonder broek
in de avond echter pijprokend levensmoe

maakt mij dat tot schaap ik sta voor aap
kauwend op scrupules en mishandeling
ik vrees de deemster niet maar de zuigende branding
van een vreeswekkend god de onderrok

zo stal ik naar believen mijn waren uit
tot ik in de gesteven moederkoek
mijn gok vol fijnstof snuit

ja lacht u maar ik zing van ik en wij
in de vermiste tuin vol vogel en kruid
waar ik almaar naar jouw handdoek zoek

 

 

 

 

ill. Beeldentuin Clingenbosch

 

 

 

 

 

Hawinkels: De tuin der lusten (fragment)

        Van zéér hoge adel, licht & delicaat
Als de verheven wijze waarop het witte,
Bedwelmend ruikende kroonblad van jasmijn
Geliëerd is aan het groene, ingetogen
Kelkblad – een hommel is genoeg, om met
Een onbehouwen douw van zijn botte kont
Deze verbintenis teniet te doen, een der partijen
Radeloos, maar tot het uiterste o
Zo integer, omlaag te doen dwarrelen –
Deze druk dus, waarmee de schone vrouw
Met de stevige vingers knielt op het gras.
Het modeste gras raakt nauwelijks nog merkbaar
Onder de indruk, het was op alles bedacht,
Het heeft zich idealistisch terug-
Getrokken, is als water in de bodem
Gedrongen, tot het niet meer was,
Is dan een kleur voor de grond,
Een hoopvolle, rustig afwachtende tint,
Die de overslanke knieën zo min
Als maar kan te na komt. Toch, het bloost nog,
Het gras, het groen, waar zij zit,
Verdiept zich, – zij zit, de hand reikend
In overgave, maar wijs & vriendelijk
Bij de pols genomen door de persoon-
Lijkheid, die – millennia voor zijn tijd
Lijkt hij geboren – nota bene gekleed is
In een pontificaal gedrapeerd gewaad,
Dat in kleur het bevende midden – bevend
Als de top van een fontein of anders het punt
Waar zich een kolibri bevindt die stilstaat
In de lucht, wanneer hij stilstaat,
Het midden als een pupil, – houdt
Tussen het opgewonden, strakgespannen
Rood van een eikel of kreeft, en ander-
Zijds het zijige blank van haar lichaam.
        Mooi glad is dat! Die huid van haar
Verhoudt zich tot die van andere, hier af-
Wezige vrouwen als het vel van een gezonde tomaat
Tot dat van geplukte kippen, – is vreemd,
Als een roomblanke tomaat, een albino;
Die is wereldvreemd als een effen giraffe,
Vreemder dan een lichtzilvergrijs exemplaar.
        En zo glad, zo vloeiend gestroomlijnd
Haar lijnen en vormen, al zijn
Dan haar vingers misschien wat aan de
Stevige kant, een tikkeltje te lang, –
Ach, zoals de sneeuwval de grove,
Ongemanierde lineatuur buiten stileert,
Is er iets over haar vormen gegleden,
Heeft een werking haar huid geëffend,
De weg voor een straling die – van binnen uit
Te komen schijnt, daarvoor
Geen poriën van node heeft.
        Haar borsten zijn klein, als de bloemen
Die men sneeuwbal noemt, haar tepels
Staan zo ver als maar enigszins kan
Van elkaar, of tepels, – meer dan schuchtere
Concessies aan de hebberige eis dat
Zij er zijn, zijn zij evenmin als
De vingerafdruk van haar navel
Of de minieme floers in haar schoot.
Iemand die midden op de dag maneschijn
Op zich weet te richten, zou niet meer
Moeite moeten doen om niet verwaand
Te worden, zo bescheiden te kijken als zij,
Die haar blik kuis richt op haar eigen
Lichaam, – en van haar, met die ogen
Zo ver van elkaar, de meticuleuze glimlach
Waaruit haar lippen bestaan, die zo goed is,
Dat zij ‘t zonder mysterieuze allures
Kan stellen, zou men geloven
Dat zij bescheiden is van zichzelf,
Van huis uit. Alleen – haar haren
Kabbelen kittig van hoog op haar smetteloos
Voorhoofd omlaag via haar aan ‘t oog
Onthouden rug, dat gouden haar, dat rijpe tarwe
En de ademtocht der zomerse dagen,
Die die doet bewegen, tegelijk is.
Haar handen zijn wel wat groot,
Haar vingers wat stevig & lang.
Maar ze zijn leeg en vrijwel onbeschreven, –
De handreiking aan de kostbaar geklede
Meneer met de hoge manier laat dat zien,
Zowel wat de palm, als wat de rug
Betreft. De zijne zijn anders, verweerder,
Veelbetekenender, wel vreemd, maar niet
Aan deze wereld. Hoe moet overigens
Zijn lijf wel zijn? Men weet ‘t niet,
Dat zou teveel kunnen zijn. Men moet
Niet teveel weten.
        Zijn gezicht is ook anders; zijn ogen
Zijn als het ware bevriend met de nacht,
Hij kijkt zo verstandig, verder dan
Het gras groeit, verder dan er dieren,
Lucht of planeten bestaan.
Maar zijn gezicht is weinig etherisch;
Hij is een man, zoals er eigenlijk
Geen één gevonden wordt tussen avond & morgen,
In heel de dag. Hij is sterk,
Heeft weerstand als klei, hij weet
Wat hij wil, en wat men willen kan, –
Vandaar dat hij waarschuwt, de weg
Naar de uiterste vrede aangeeft.
        Wat een paar! Zo, terwijl de energieke
Krachtige man de uiterst verfijnde
Vrouw in een aureool van haren
Zachtmoedig maar beslist bij de pols houdt,
Zou het de sterren kunnen zien verwelken,
De hemel kunnen zien rimpelen en schil-
Feren als een verouderd voorhoofd,
Het licht zich zien wijzigen in vuur
Of brakende vlammen, of in het niets.
        Maar – zij zijn niet alleen.
        Alles eerder dan dat. Sprakeloos
Van bewondering, van verbazing, van
Nagenoeg mystieke vervoering zit de tweede
Man, het manspersoon, naakt tot op
Zijn nuchterste contouren, ernaast,
En doet zijn oog en zijn wenkbrauw
Tegoed aan het mild verblindende paar.
Zo’n eenheid…
        Hij vlijt, als een vlinder,
Die een jasmijnbloem kust, maar minder
Vrijmoedig, zijn hand op zijn boven-
Been, slaat niet, zoals het hem
Te moede moet zijn, van louter verbazing
Er hard mee, leunt op zijn andere
Arm, en zijn diepste verlangen
Is niet gesitueerd in zijn kruis,
Op die bloemige plek is ‘t rustig,
Maar het gaat uit naar de tweeëenheid,
Die hij waarneemt, en in begrijpelijk streven
Er een drieëenheid van te maken,
Geeft het manspersoon, zo’n mens toch,
De dichtstbijzijnde van het primordiale
Paar stiekem een voetje, raakt hij
De zoom en de teen van de heer, die
Op handen en voeten en zijn gestrenge gelaat
Na in zijn ornamentale, monumentale
Plooien schuilgaat.
        Is hij nu deel van het mysterie?
Vormt dat een trio? De tijd zal het leren,
En in de tijd kan zo onmenselijk veel
Gebeuren, evenals in de ruimte. 

~ Pé Hawinkels, De tuin der lusten (fragment linkerpaneel) ~

 

 

The Works of Fertility

THE JACKALS’ ADDRESS TO ISIS


G
rant Anup’s children this:

To howl with you, Queen Isis,
Over the scattered limbs of wronged Osiris.

What harder fate than to be woman?
She makes and she unmakes her man.

In Jackal-land it is no secret
Who tempted red-haired, ass-eared Set
To such bloody extreme; who most
Must therefore mourn and fret
To pacify the unquiet ghost.

And when Horus your son
Avenges this divulsion
Sceptre in fist, sandals on feet,
We shall return across the sand
From loyal Jackal-land
To gorge five nights and days on ass’s meat.

 

~ Robert Graves ~

 

AvR4

Astrid van Rijn – potloodtekening #4 van 8 op prentbriefkaarten, gevonden in mijn brievenbus

 

 

de iris in het zwarte sop
wil van geen wijken weten
o god wat maakt zijn licht lawaai

de tijd is klaar voor meer jolijt

ik weef voor hem mijn nachttapijt
rol binnen maar en maak kabaal baäl
maak de ruimte vol met ledigheid

 

 

After the Fall

If all goes well, a second sky will be born from the sea, the moment after you touch it.

When you will no longer be able to fly, you’ll have to hide in remnants of waves. You’ll find a passage in the ruin of your own reflection over the ocean.

My emaciated albatross of memories.

Facing wind that you have abdicated, you’ll find in the gate of foam, three havens of sea.

movement
expanse
depth

In clarity extensively brewed by waters, you will count off hours. All the oscillations that separate you from immobility and memory of the first shore.

You will wait longing for a time before the fall. Lulled by the sound of wavelets on your skin. Bringing fictitious light of flight to your dormant arms.

 

infinity of starry nights
we learned to close our eyes
eyelids like butterflies
we closed them and images came
days came
and again
we extended our wings over dry rocks
where uncountable years ago
we uttered our last cries
before sliding in a tangle of high transparency
surrounded by silence
losing sense of gravity and verticality
we were drifting
moving our wings and our adventures
no trace to immortalize our tearing
in this moment
in ocean
we flew over beds of shadows drawn by tides
we were looking for a figure
each other
someone to recognize
to offer a smile
and again eyes closed
coming images
days
and a fierce beam diffused across the landscape
through a slit on the liquid surface
our flight over fatalism caressed its gloom
and we slowed down our wings in an attempt to reach stillness
closed our eyes blind
never to see anything again
no longer to remember

 

Even if I am doomed to silence for the next 847 years, you will rear up out of the pool and I will try to imagine what was going on before this.

I will try to imagine how.
I once had a personal relationship to the world.

You’ll emerge long after dawn. I will be tired, miserable and funnily oblique with my crushed wings.

For you, on this morning, I will lit up the sky with stones.
For you, I will clear all gravel pits of their darkness, so that I get at least the visible imprint of your escape. Memory will become a secret of feathers. Nothing to testify elsewhere and otherwise of our life. No voice to comment our amnesia.
Our loneliness.
Our eternity.
Our love and our silence.

For you, I will unfold in a drizzle of light, as if to emphasize futility of either presence or absence. Fall inspired by the night of disappearance. Secrets that govern the kiss of sky and sea.
 
But I cannot tell you about them, you will have to wait for 847 dusty years.

Later, a grandiose bruised fire will stand reflecting the persistence of elsewhere and otherwise. And I will bend over dawns, mornings, middays, and afternoons. In twilights, we will mull an answer together.

When I will lie down on the last appropriate place, adorned with algae and pecked by birds, it will happen again, once or twice a day, that I will have the illusion of consciousness.

And I will open my eyes in surprise.

A flutter of birds will disband, afraid by this unexpected movement. They will try to fly in my deafening silence. Wings and feathers will stir the idea of sound.

Whenever I will open my eyes, multitudes will burst to the surface without penetrating my memory. It will be stopped as a cinematic still.
Forever on my retinas.

And I shall set rules of a sad game of idleness and melancholy.

A losing bet between myself and chance.

To win, I will have to capture in a single snap 554 seagulls exactly: no more, no less.

(It is a number I always loved for its musicality)

Nonetheless, it bore me no luck.

I will mutilate my gaze to make a grid with 554 facets, to assess my glance and the outcome of the game. But each time as I will open my eyes, the total number of birds will approach an ideal and harmonious value, and I will lose.

Whether during a sleepless night or after a dark limbed day, the original question will arise, and before long you will remain dazed by its alternative: “do we fly or fall?”

You will not cease singing thousands charms of your shining wings.
Your monologues will call for many heavenly creatures, as you will continue rotating and turning in an approaching crescendo.

Hoping that someone will suggest a method to continue spinning without first having to die drowning.

You will sing clear skies, and then create clouds out of your own breath.

You will smile knowingly as nothing ever prevents poetry, even when it encompasses loss of hope.

And it will push you to declare that the sky is beautiful regardless of its place in the landscape, and of your rushing out of the painting.

You’ll show all your beauty in the mire of a sub-dream.

against shores where equinox is a dying
sea we will place our anticipation for union of blues
we will strengthen secrets
appeared in nonchalance of dreams
we will imagine men and women
living on non-submerged lands

in a trembling voice
we will wish to invite them to witness
the moment of the kiss of sky and sea
but we will bite our lips instead
our mind becoming too confused to speak in words
it will deviate spiraling above the waters
hiding access to great depths
and then
our dead wings will return to the endless sky

 

I will open my eyes after the fall
or is it you
and we will see birds flickering in surprise

 

 

Marie Veronika Zorn

Tuesday, 9 August 2016

https://www.facebook.com/dreamorous.encore

 

ill. Luke Elwes, Floating World, 2011

 

 

 

 

HAIKU & TYPEWRITERS–

HAIKU & TYPEWRITERS–
one of amazing things about moving is how many long forgotten things one finds–(so far i have found five hundred US $–mostly inside books–knew i had squirrled away some–but this much?–)–found this–made when living at the REd Cross Homeless place, on top floor of building few years later condemned by city for all the foul events happened there–even when i wqs there–just after i left, murder of another David, gentle old schizophrenic dark skinned gentleman, who walked the streets carrying either Bible of Koran depending on which came to hand that day–he was killed by ten kids armed with large staves and baseball bats–died in the hosptial–his head beaten in–year or so later–a man died in there–while the people working the floor kept telling his family over phone–oh he is fine–sleeping or busy you know can’t come to the phone–so family finally got fed up–went to see him–and he was lying on bed starting to rot–did make some good friends there, a few who i still see to this day-especially a lot when he is in this area—my poet friend Kirk–still homeless–when good weather comes–hope he is back at Brady Street where he hangs out with some Arab friends who also love poetry–(integral part of culture of Muslim cultures, Arabic peoples, peoples of North Africa–etc.–world over–outside the usa)–one day–ran into him looking prophetic in large beard, broad shoulders, big coat very dramtic looking–( he transformed himself into a Jim Morrison look and sound alike to play him in a theatre piece one summer–)—-reading long “country western poem” he writes on paper i give him along with pens, pencils as he is always losing them–also inside books he finds thrown out–any blank bit , scrap of paper–will do–lot of time i end up doing lot of my writing, rubBEings, same way–so we work together in the streets–my favorite thing he boomed out one day–POETRY IS REALITY”–man was it cold in winter at that red cross place-tHE WINDOWS JUST HANGING OUT, NO STORM WINDOWS–SNOW SEEPing, sweeping in–behind our building, kitty corner on one side of a half hidden parking lot–was a crack dearler–also named David!!–all hours of the night all kinds of weather–he crack heads outside calling in mournful voicess DAVID!! DAVID!! DAVID!!–i would be dreaming and in the dream wondering why someone kept calling my name???–) woke up and discovered all over again no matter how many times always a rude surprise–sure enough–the calling of my name was real!!)— i was the only one there not afraid of mice–so i was the official mice killer (used to have to kill them at horse farm i worked at as they scare the heck out of horses confined in their stalls–)–floods of memories are flowing out of finding this one ancient page–miracle it has survived all these years! but then–so have i–

BADORATIE #2

      badoratie #2 - dv

Kopieer onderstaande link om het MP3 bestand te downloaden:
https://www.platformplee.nl/wp-content/uploads/2018/03/badoratie2-DR0000_0043.mp3

 

“Over de grondslagen van de Gignomenologie, de noodzaak van de deontologie, de deontologie als geradicaliseerde deconstructie, het auteursrecht als schrijfrecht en de auteursplicht als tautologische deontologie en als troostplicht, de Vrije Lyriek als woordverbrijzeling, de Gignografie als beloftevolle praktijk en het Axioma van de Uitweg”

dv@CGU 24-03-2018 @16:03 GMT+1

BADORATIE #2 is een net-performance door Kathedraalauteur dv vanuit het Centrum van het Gekende Universum. Foto van Irem Kaneli.

AvR3

Astrid van Rijn – potloodtekening #3 van 8 op prentbriefkaarten, gevonden in mijn brievenbus

 

 

 

…de dagen dat ik…
…de wegen daar…
…dat in het vage duidelijk
en ik…

…hoe vaak doorstreept ik niet
en dat…

…de wegen waarlangs ik
en hoe je o en dat een schaduw
toch zo wonderbaarlijk…

(zo is het vage veeg ik weg
de weg die strepen maakt
en zie ik door de droom

de dagen)

AvR2

Astrid van Rijn – potloodtekening #2 van 8 op prentbriefkaarten, gevonden in mijn glunderbrievenbus

 

ach, het deinen van pompoen
naar wat daaruit verdween is
gezien de slapte van de kring
herinnering een weg zo weg

van mij:  ik pomp daar echt
geen zoen of poen meer in.

AvR 1

 

 

Astrid van Rijn – potloodtekening #1 van 8 op prentbriefkaarten, gevonden in mijn glunderbrievenbus

 

heeft.

de weg
er rond
strikt wat er was
te zien tot wat er is
terstond.

wrijf
wrijf grijs en grijp.

de blik zweeft
maar ik

ik teken ik.

 

 

 

 

Incidenten zijn van alle tijden

Wij zijn ook maar vrijwilligers

en horen soms verhalen

dat iets maar net is goed gegaan

we kunnen ook niet overal zijn

 

de orde aan de waterkant

moet ook gehandhaafd worden

soms zitten ze er het hele weekend

in een tent

 

als je op hun borst klopt

klinkt het hol

je kan maar beter

op het ergste voorbereid zijn

 

tegen de tijd dat de politie er is

ben je al doodgebloed

belgen

het regent stenen uit de hemel

fijne kiezel eerst maar knikkers al
en marmer dan, bij brokken

de donkerte verstevigt, niets
geeft nog een krimp. het licht
verheft zich hooguit een vinger dik

nog boven de bevlekte schermen
en draait dan terug tot git
in de hatelijke blik
van de berichten.

ik wil van liefde zingen
maar moet die lust bedwingen:
het is vrijdagavond en ik zit gans alleen

tussen 11,5 miljoen nijdige
belgen.

 

 

stad aan zee

voor a.s.

ik bouw  stad
jij schept zee
stad stort in
zee loopt leeg

jij bouwt zee
ik schep stad
stad loopt leeg
zee verdampt

ik bouw stad
ik bouw zee
scheppen gaat vanzelf

jij schept zee
jij schept stad
bouwen gaat vanzelf

 

 

 

dv 2018 – “voorstel voor een deontologicistisch prognosisconcept op basis van geheel rationele probabiliteit”

U bent erbij

 

uitspansel

 

hier is ’t
een uitgezochte
plek om te verdrinken
in al het eeuwige en brede

proef het geweld van de ruimte
tedere tiran met een navel als noodverband
het groots laaghangend zwart gat
voorzien van pluimage en gifdamp

u kunt er naar believen smoren
in de armen van opgeslorpt water
stemloos en smetteloos als de stront van uw lief
in de vetgemeste rivier uw ondenkbaar vertier
galm en geil de geheven vinger van de uit de rijen geplukte populier

het stinkt er naar pluimen en torens eenzaam gevorkte vlaggen
wijl de bodem onder u wordt weggeslagen
door per abuis geplaatste buizen
van poldermuziek zoekend naar poep

misschien bent ook u brandbaar
wie zal het zeggen fossiel bent u alvast
grijp maar de scheuren in uw brandkast
en zing naar believen van dampen veelkleurig
van het onversaagde dove gloren

boer bent u of boomgroep maar averechts
uw lokroep een uiterst kapotte tv en nee
vergeet niet uit te checken als u uitstapt
want het land is de grap met de vunzige baard
die u vanaf nu overal nastaart

 

 

 

foto: Wilhelminapolder, Michael Beutler, Polderpeil

 

 

 

grot van het lot

 

de grot van het lot
is ook het cachot
van Wasni Zalni en Kanni

de 3 snollen van het lot
ze wachten er samen
op Nooitni  aka
de Schone van Li

maar ja
die komt maar nie
dus Wasni Zalni en Kanni

de 3 snollen van het lot
zitten heel erg pissed
met hun scharen te spelen

en met hun garenbollen

 

 

 

 

A Poet’s Devotion

 

the ultimate origins of the root word *men* – I do not feel
that there is conflict between the concepts of “moon”,
“measurement” and “memory”, “mind” and I believe that
we are not dealing with three separate roots but with one
that has a number of shades of interrelated meanings
which further extend into regions of “future memory”,
“prophecy” and the concept of “fate”

a single root-sound can be the focal point in a constellation
of analogous symbols and abstractions

many philologists have noted the connection between
the words for “moon” and “measurement” in different
languages and even with the concept of time itself

the association of mind with memory is also intriguing
as in the ancient Greek word for “truth” – alethia
(literally a = not + lethe = forgetting) – simply stated it is
ultimately a synonym for Mnemosyne = “memory”, “remembrance”

***

I also believe that poets should devote more to exploring
the roots of the words they use to take full advantage
of their inherent “DNA” and their subliminal associations

that can help determine precisely the right word when
a number of options are open

not every reader will be able to consciously tap into the
ancestral echoes, but those who do will be grateful for
the effort that has been taken to ensure a continuity of
meaningful imagery and for the nourishment provided
by an experience of an archetype

thank you, Ιωνας Θεόδωρος

 

https://www.facebook.com/ionas.theodoros

 

 

ill. top: Minoan Geranos (“Crane Dance”), pottery fragment discovered in the ruins of Argos
ill. bottom: Laussel, Oldest Calendar, sand stone carving

 

 

 

 

Berglied

 

Berglied

 

Mijn flinterdunne flanken zijn van ons. Onze voeten
staan alom, dag en nacht huilen we. We ruisen zuiver
ruisen zilver en zoet ons huilen. Dat is het sijpelen dat je daar hoort.

Wie omkomen komen in ons om. Welgemanierd staan wij om hen heen
in goedgekapte struiken en bossen. De brandgangen leiden daarvan af of zwijgen ons
open. Ze zwijgen in elk individueel geval.
Het gonst er naar behoren. Wie in ons omkomen komen onfeilbaar om.

Vraag het de luchten, het vee. Waar wij ruisen, sijpelen, zuchten, rinkelen zij. Mijn
flinterdunne flanken zijn van ons. De brandgangen leiden daarvan af. Vraag het de
wachters, de zee.
Onze voeten staan alom. Onze voeten zijn schreefletters. Ze zingen zacht. Doen er hun
zwijgen toe.

Ook het onpeilbare, het rotsvaste is van ons. Uit beweging geboren verstarren we.
IJskoud. We staan, liggen, zitten de tijd uit. Overhuiven u, overleven ruwweg.
Er zijn er, zeker, die in ons omkomen, maar ook zijn we dansvloer, stijgbeugel, wordt
er afgeleefd en gebeden.
Wat klingelt is toegevoegd. Vee, gelovigen, dat soort dingen. Wij sijpelen.

 

 

 

 

 

ill. Balthus, La montagne, 1935/1937

 

 

 

stale

 

“like embers, I lie among the dead”

“like embers, I lie among the dead,
among their stale staves, their bodies borne below –
their maunder, when their rest and dawn have fled,
their blows reign down within the embers’ glow”

http://www.alansondheim.org/stale.png
http://www.alansondheim.org/stale.mp4

bellow, gullets half filled with stale waters, bones, flesh
gnawed from phenomenologies. I’m undergoing defuge, that sense
of information not present (was present) but stale – as in as
well (was present) enervation; body = language – hir stale
usual thing – Fetor, fetid:

a hand become stale (staleness itself is of interest for a few
hours). the stale day unfurls its maroon hours against me, all
my writing’s fucking stale, stale of train or mind, idle, cycle
and rail and scattered. that it is blocked, the road at night as
for wires, air, fibers, all transmitting into scattered showers.

& covered a stale odor permeating lava, air, skin, and sky as
if an avatar disappearing, an apparatus, whose body is a noun –

– and hir stale usual thing – bellowed, gullets half filled
with water, bone, gnawed flesh, and this is language:

fetid, spread, emitted, spewed, targetless and broiling like
phenomenology’s defuge – information absent (was present) – as
in the body inconceivably wiped clean and e-faced – my spam body
– my spammed body – hir usual thing – i’m used up, disappeared –
the day unfurls – stale as can be – i’m left for death – i’m
trampled – pornographic jennifer – pornographic alan – air and
sky and skin – always that skin – that stale fetid smell – lava
– stale language – hurry first motion stream – notions –
gone riding your back once again, that odor, defuge, my face in
it – yours – my face yours – you say

“this image is the same image is the stale image the first image
of death is no image is the stale image the last image of death
is the stale image is the first image”

you get the idea – you say

“incessant”

Neo-Kathedraals schrijfplezier: ‘tijd’

pour Henri Michaux, le grand maître de mes pauvres arts en met dank aan m.g. voor haar rake suggestie

ik wreek ik raak ik werk ik rek
ik week ik kwak ik keer ik wek
ik krijt ik koor ik rok ik rul en ril
en nog krijg ik de tijd niet stil

ik beer ik boor ik baar ik bek
ik krab ik roep ik pik ik pek
ik prak ik preek ik bok ik bil
en nog krijg ik de tijd niet stil

ik vreet ik wrijf ik wraak ik wrok
ik rijf ik troef ik roof ik fok
ik kus ik kerf want als ik sterf
krijg ik de tijd  wel dood en stil

 

Maak uw eigen ‘tijd’

Vindt ge de tekst wel oké maar staan sommige dingen u niet aan? Geen probleem, hier vindt ge alles wat ge nodig hebt om uw eigen ‘tijd’ te maken.
Echt moeilijk is het nietè, dat ziet ge direct: ‘t is gewoon 3 regels met ewa werkwoorden en dan  ‘en nog krijg ik de tijd niet stil’ erachter aan. Meer stelt het niet voor.

Nu, de versie hierboven hanteert een heel strikte formule waarbij de gekozen werkwoorden ook nog ‘s dezelfde klanken moeten hebben, maar als ge pas begint met Neo-Kathedraals Schrijven kiest ge misschien beter voor deze ‘vrijere’ versie. ‘t Is tenslotte uwen tijd die ge d’r in  stopt è.

benodigdheden voor 1 strofe tijd

  • 8 ww-lang: werkwoorden die in de 1ste persoon bestaan uit 1 lettergreep met lange klinker bv. ‘eten’ : ik eet
  • 3 ww-kort: werkwoorden die in de 1ste persoon bestaan uit 1 lettergreep met korte klinker bv. ‘kunnen’ : ik kan
    • twee daarvan rijmen best op elkaar  zoals in het voorbeeld ‘rekken’ met ‘wekken’
  • 1 werkwoord dat in de 1ste persoon bestaat uit 1 lettergreep en dat rijmt met ‘stil’: bv. gillen, rillen, willen, schillen,  tillen …

En dan is’t maar invullen è:

ik + ww-lang +ik + ww-lang + ik + ww-lang + ik + ww-kort
ik + ww-lang +ik + ww-lang + ik + ww-lang + ik + ww-kort
ik + ww-lang +ik + ww-lang + ik + ww-kort + en + ww-kort
en nog krijg ik de tijd niet stil

als ge dat niet zo dadelijk vindt, zoveel werkwoorden, pakt ge d’r een woordenboek bij è, de ‘professionelen’  die doen dat ook heel den tijd (google woordenboeken’ en/of ‘rijmwoordenboek’)

Allez, veel plezier met uw nieuw ‘tijdverdrijf’!

(plak jouw resultaten hieronder als ‘reactie’ dat is plezant voor de andere mensen, dan hebben die ineens meer voorbeelden!)

 

Je maintiendrai

Je reviendrai ici, bientôt, un jour

ou autre, demain par exemple est un autre jour.

 

Op een of andere dag kom ik hier

terug, morgen bijvoorbeeld is een andere dag

 

En attendant, deux tableaux de Matisse.

Voor ik zover ben, nog deze twee doeken van Matisse.

 

My darling,

I ought to begin by begging your pardon, perhaps,
for the extraordinary letter I wrote you last night. While
I was writing it your letter was lying in front of me and
my eyes were fixed, as they are even now, on a certain word
of it. There is something obscene and lecherous in the very look
of the letters. The sound of it too is like the act itself, brief,
brutal, irresistible and devilish.
Darling, do not be offended at what I wrote. You thank me
for the beautiful name I gave you. Yes, dear, it is a nice name
‘My beautiful wild flower of the hedges! My dark-blue,
rain-drenched flower!’. You see I am a little of the poet still.
I am giving you a lovely book for a present too: and it is
a poet’s present for the woman he loves. But, side by side
and inside this spiritual love I have for you there is also
a wild beast-like craving for every inch of your body, for
every secret and shameful part of it, for every odour and act
of it. My love for you allows me to pray to the spirit of eternal
beauty and tenderness mirrored in your eyes or to fling you
down under me on that soft belly of yours and fuck you up
behind, like a hog riding a sow, glorying in the open shame
of your upturned dress and white girlish drawers and in
the confusion of your flushed cheeks and tangled hair. It
allows me to burst into tears of pity and love at some slight
word, to tremble with love for you at the sounding of some
chord or cadence of music or to lie heads and tails with you
feeling your fingers fondling and tickling my ballocks or
stuck up in me behind and your hot lips sucking off my cock
while my head is wedged in between your fat thighs, my hands
clutching the round cushions of your bum and my tongue
licking ravenously up your rank red cunt. I have taught you
almost to swoon at the hearing of my voice singing or murmuring
to your soul the passion and sorrow and mystery of life and
at the same time have taught you to make filthy signs to me
with your lips and tongue, to provoke me by obscene touches
and noises, and even to do in my presence the most shameful
and filthy act of the body. You remember the day you pulled
up your clothes and let me lie under you looking up at you
as you did it? Then you were ashamed even to meet my eyes.
You are mine, darling, mine! I love you. All I have written above
is only a moment or two of brutal madness. The last drop
of seed has hardly been squirted up your cunt before it is over
and my true love for you, the love of my verses, the love of
my eyes for your strange luring eyes, comes blowing over my soul
like a wind of spices. My prick is still hot and stiff and quivering
from the last brutal drive it has given you when a faint hymn
is heard rising in tender pitiful worship of you from the dim cloisters
of my heart.
Nora, my faithful darling, my sweet-eyed blackguard schoolgirl,
be my whore, my mistress, as much as you like (my little frigging
mistress! my little fucking whore!) you are always my beautiful
wild flower of the hedges, my dark-blue rain-drenched flower.

JIM

 

 

James Joyce, letter to Nora Barnacle, 2 December 1909

 

 

 

* voor jij *

*  voor jij  *

 

En de bladeren van de dageraad en de stille vogels van de morgen vallen niet ’s nachts maar het sneeuwt in de verte dat het jouw naam is onmiskenbaar dwalend in de zwarte paleizen van de gedachte een plaats zoekend voor haar voet

als ik omkijk als ik schrik

Omdat ze de kruiken van huid zo merkbaar zacht breken als steden ineenstorten voor onze ogen uiteindelijk de moede val alles wat blijft van niets dat blijft en gemeen lachen vanuit onvermoede kieren en spleten honend en verlaten als ze je handen voor je ogen binden waarbij de adelaren van
de aarde en moederkoeien van de zon zich een heenkomen zoeken onder je beenderen als iedereen knielt omdat alleen jij dat zou moeten en hierom dat je het nooit deed als ze als— we geven het op
en slaan ijzers over de uren om het wachten draaglijk te maken—

En in een stille binnenplaats fluistert men tegen de ijsbloemen dat het winter wordt waar zijn de meeldraden is het hart gebleven huil je waarom o kon ik dat aanraken in je wat ik ken in je ogen geschreven door de nijvere scribenten van je dromen nachtgedachten kon ik het aanspreken of slechts zien en niet de bloemen van je verlangen schrikachtig achter gordijnen wegkruipen o kan ik kon ik dat aanraken lied waar pijn en vrede als schaduwen de wegen gaan die alleen het hart kent alleen

 

als door webbige draden en gangen

 

Het is genoeg misschien genoegt het het te willen misschien is het genoegt de O G E N B L I K

 

 

 

ill. Kees van Dongen