Maand: december 2019

De vrouwen

De vrouwen

 

Wij hebben geen lied. Dat hadden we maar is nu te riskant. We omgeven ons met tunnels,
worden begeerd, horen bij elkaar. Borduren onze eigen taal, gehuld in lappen, lingerie,
voddenbaal, verbergen het geheim van ons gilde.

            l’Origine du monde.

Default. We omgeven ons met riolen, worden gehaat, bijeengedreven, verkracht, gedood.
De schande ons scheermes, verboden ons verblijf.

Merries, de manen zoek. Wimpers niet bestand tegen de brand, zon noch zand schroeien,
wat brandt is de waanzin van de schender. Al wie beschermt is schender. Cipier van onze tent.
In naam van de abusievelijk geadresseerde ode. Boreas moddert maar wat.

Wij hebben geen lied. De wind is aanklager, een lok haar, een wimper verraadt ons. Wij
zijn gevaar.

            Les fleurs du mal.

Verberg, bedek u, graaf u in, onnutte pubers met allerhande munitie zijn op u uit, haten
u, willen u, braden u, en dan zichzelf. Het vlezig kwaad, dat zijn wij – Eurynome’s
roosvingerige dochters.

We stoppen ermee.

 

 

~

 

 

Ons lied is liefde. Schuimgeboren leveren we leven, leveren we uit & in. Begeerte & prooi, onze
tranen uw heil. De dag uit ons geboren, lijf & liefde ons lied. Ons parfum onze psalm.

We volharden, leven onze specialiteit.

            epi oinopa ponton

 

 

 

                                                                                                    voor Semira Dallali Filarski

 

 

 

 

ill. Max Ernst, Jardin de France

 

Americana

1.Met het oog op de uitgang, uit,

nemen we plaats zowat

in het midden van de bioscoopzaal.

 

Rechts van ons zit Ludwig Wittgenstein,

naast hem Barosso.

Voor ons een gezin met acht kinderen.

Daar zou jij uit voortkomen.

 

Het Wilde Westen slaat volop toe.

Koewachters hoeden hun vee

van onder hun hoed.

 

 

Ze schieten pas

als de Indianen komen aangerend.

 

Er is al lang geen vee meer om te hoeden,

noch indianen om te verdrijven.

Ze schieten dan maar elkaar neer.

 

 

 

2. Zonder zorg om de uitgang,

onze plaatsen zijn genummerd,

gaan we zitten in het paleis.

 

Rechts van ons zit mijn collega,

verrast, wat verder naast hem

Barosso.

Wittgenstein is er niet meer bij.

 

Een oeroude neger met een band

speelt op zijn saxofoon

ons van onze sokken.

 

 

 

1. En vue de sortir, sortie,

nous prenons place pratiquement

au milieu du cinéma.

 

A notre droite, Ludwig Wittgenstein,

à côté de lui, Barosso.

Devant nous, une famille de huit enfants.

 

C’est de là que tu sortiras.

 

Le Far West sauvage bat son plein.  

Les gardiens des vaches gardent leur troupeau

de sous leur chapeau.

Ils tirent tout juste

quand les Indiens arrivent en courant.

 

Il n’y a plus de troupeaux de bétail

depuis longtemps,

ni d’Indiens à expulser.

Ils se tirent alors dessus.

 

 

2.         Sans se soucier de la sortie,

nos places sont numérotées,

on s’assied dans le palais.

 

À notre droite se trouve mon collègue,

surpris, un peu plus loin à côté de lui

Barosso.

Wittgenstein n’est plus là.

 

Un très vieux nègre avec un groupe

joue du saxophone

à nous faire tomber hors chaussettes.

vooruitgang

1.

met de lijn van een roos gevorkt in jouw schoot
waardoor in het lege vlak de leegte aanvangt
daar waar liefde wolkt en haat, waarmee jij
ruimte splijt en rekt de tijd zodat een hand

de hand aanreikt, waarmee het de vingers
ertoe bewegen kan ons de ogen
en de lippen te sluiten, ons tot kalmte te
manen, ons de klederen van angst en nijd
te laten ontvallen en naakt in de zon

al het ware al het echte
al het onvermijdelijke te verwerpen, naast
ons neer te leggen, zodat de traan ons ontrollen kan
waarin deze beeltenis verschijnt.

2.

elke toebereiding is
een sneeuwvlok op het warme raam.
het uitgesproken woord vervalt te snel.

het zerpe uitgeschrevene zeept het zure in
en in het zilte zeikt verziekt van leed
het o zo lieve godenkind:

“u was hier eerder al. Ik
zag u naamloos staan. hou
genade aan uw zijde en laat mij
niet uw onheilsklank herhalen”.

zo is het
zo was het en je knikt.

3.

vooruitgang is:
de hazewinden die het licht najagen in het licht waarin
de winden waaien die enkel de wanhopigen zien, zij

blazen het de sofers in,
waaraan het zuchtend ontsnapt en kriskras
als gekraakte letters uitgutst, in zinnelijke
spasmen van pijn en genot:

“wij doen ons dit in duizendvouden aan.
er komt geen eind aan dit vergaan.”