Maand: november 2018

De leefclub

De leefclub

 

I

 

Want ja, wij willen maar wat graag zijn
de machtige magiër, die met zijn megalomane manieren
de meervoudige merites van dit ondermaanse manipuleert,
of de wijze, want wijs lijkt zij, vrouw die in de speciaal
voor haar opgerichte tent de haar toegewezen bezwarende
boekrol beduimelt die zo te zien haar erfgoed is – de enige hier
die terecht een sluier draagt, van huis uit.

En neem de van godweetwat bezwangerde Venus, die uit het water
oprijst, of erop troont, als was het haar terrein: de kracht die
in haar arrogantie huist beweert bergen tot bewegen te bewegen,
mannen tot minnen te manen.
Ook haar eega verschuilt zich niet – stoer en stompzinnig zit hij
neergezegen, heeft zich verkleefd met de stabiele zerk
van zijn materieel vermogen. Natuurlijk ziet hij de dood niet,
die hem vanavond halen gaat in Ispahaan.

En dan is er de geleerde, de goeroe die zijn bijoogmerk verbergt
achter zijn baard of zijn betweterig tonsuur – hij heeft, beweert hij,
onmisbare info, van hogerhand. Dus huiver en luister – er zit
niets anders op.
Voor wie niet kiezen kan, hebben we hier de dwingende tweesprong
van Amor geïnstalleerd, zo u wilt met pijlenregen. Daar
komen lastige kinderen van.

En het allerstoerst is natuurlijk onze huis-tuin-en-keuken-Hell’s-Angel,
zwaar gemotoriseerd en bedreven in het snode plan. Knipoog
naar Apollo. Niet dat hij ver komt – te veel spaken steken er
uit zijn dwarse, steenzware, zo niet leilompe wielen. Hij
roept maar wat, de modebewuste new-age-yup.

Waar blijft Salomo, vragen we ons af. Iemand moet hier toch wijzen
op het moederschap? Ah, hij heeft zich vermomd als een zij. En om haar
overijverig steven te staven, toon zij ons haar mooiste keukengerei.
Wég van hier. Op naar andere, dieper gelegen regionen! Geheel
abusievelijk heeft onze blinde vriend zijn potsierlijke zandloper
verruild voor een wat onstandvastige en sowieso hier en voor hem
onnutte kaarsvlam – die telkens uitwaait – want tochten dat het hier kan!

Enfin, op deze noordelijke bergrug – onvindbaar op de kaart – heeft
Moedertjelief haar toestel geïnstalleerd – een wankel en onmooglijk
staketsel dat volgens haar, en haar drie onafscheidelijke speeltjes, ge-
groepeerd rond de wat uit het lood staande spil, een geolied perpetuum
mobile moet voorstellen. Stel je voor!

En bij deze club, dit stelletje ongeregeld willen we horen! Het
inschrijfgeld, zo vernam ik uit bedenkelijke bron, komt geheel
ten goede aan de eerste de beste flapdrol die het geheel,
de zin, de toedracht weet te doorgronden.
Mooi meegenomen.

 

II

 

Hoe anders ligt ’t bij de rest! Die motorpipo van zonet heeft z’n wrakhout
verpatst, en gaat nu gewapend met honkbalknuppel de arena in. Daar
zal hij de toegestroomde goegemeente verbijsteren met zijn dressuur-
en slagerskunst. Hic sunt leones.
Het loopt niet goed af – dit wordt een lynchpartij van het zuiverste
water – vreemde vruchten dragen de bomen hier!

Maar we zien hoe ’t komt: die ene lange met z’n zeis is debet aan de
nu glashelder aan het licht gekomen alomtegenwoordige en niemand
ontziende maatregel. Deze douanepost kom je niet levend en schoppend
voorbij. Even goede vrienden.

En zo zit het dus met de meeste anderen, of ze nu wat onnozel
staan te emmeren met hun vleugels van was en een blik van
kijk mij nou de feestartikelenwinkelier uithangen, of dat ze
de algehele wanhoop nabij uit de rokende architectuur van de
megalomane skyline springen, vliegen, zich laten vallen, dwarrelen,
iets is er, iets zijn ze vergeten – de bokkepotige jandoedel die
ze grinnikend zijn welgemeende mores leert. En waar
kennen we die vrucht van, daar in zijn obsceen glimmende
schoot?

Maar er is licht.

Onze bakvis heeft hiervan iets opgestoken – en dat is ha niet
heur haar – als een volleerde volbloed centerfold
poseert jarig jetje bij het staande water. De goegemeente bloost,
daar zij haar water loost. En dat is de schuld
van die ster! (Die krijgt nu eenmaal altijd de schuld.)

Nu ook de andere hemellichamen er zich mee lijken te gaan
bemoeien, schiet de fabuleuze kakofonie van de fauna door de ether.
Links het wild, rechts het gedomesticeerde stemgeluid van wie beter
ruiken, jagen kan dan zien. De grijnslach van de echo heeft dorst.
En bloedrood is het hier.

De muur, speciaal opgericht voor het onnozele danspaar dat
ongenodigd voor de nodige stemmingmakerij moet zorgen, is er
om omheen te gaan, om de zon te ondergaan en te zien ondergaan,
dat is buiten kijf. Daarbij zingen de doden dan zwijgend hun volkslied,
De grap van God.

Nee, echt grappig is het in het ondermaanse pas als de flierefluiter,
de paljas, de pruimensnoeier, de bacchant, de lelie van het vrije veld,
de natuurwetten tart en een staaltje levensgevaarlijk bungeejumpen
in petto heeft voor wie hem een cent geeft. Aan de rand van de af-
grond, daar is het goed toeven.

Hoe anders in het starre wereldbeeld van het kompas, de radar die
de raderen in het oog houdt, stuurwiel van het heelal
– is dat hetzelfde als het universum? – misschien zelfs wel het Al.
Waar typjes als Kali, Maya, Sofie, of hoe haar wellustig ouderpaar
’t gedrocht ook genaamd heeft, Inanna,  Lilith, met haar slangen speelt.
Eurynome. Hier staan zelfs de wielen stil,
ook al zijn ze met z’n vieren. Want er is niks te vieren.
De wacht is op de vroedvrouw van het woord.

En dat er iets te vallen valt.

 

 

 

 

 

ill. Salvador Dalí, Templanza, 1984

 

 

 

 

 

twee meeuwen

Twee meeuwen

Boven de Maas op de noordkop van de Maastunnel
Vliegen twee jonge meeuwen in de storm
De wolken zijn 
leeggezogen de lucht kristalhelder
Blauw en s
tervenskoud tinkelt mijn oor

Ademloos volg ik hun luchtballet in de oostenwind
ersnellend in de maalstroom boven de rivier  
Om te keren waar de stad eindigt en het water zich verbreedt
Zij spelen een spel met de wind mijn kind
Het zijn broers denk ik, of broer en zus misschien

De hardheid van het stuitende zonlicht op het water

Het voortjakkerend winterblauw doet me tranen
Terwijl ik de twee meeuwen probeer te volgen.

Keer op keer pakken ze tegelijk de wind vol en sjezen
In volle vaart terug om weer tegen de wind op te gaan
Ze krijsen als kinderen  blij die van hun glijbaan roetsjen
Hoge vliegkunst in een alsmaar aanwakkerende storm.

Zijn er slecht vliegende meeuwen, vraag ik mijn vrouw?
De één is beter dan de ander zegt ze
Maar meeuwen vliegen allemaal heel goed.

Als wanneer wie ooit

 

En als

de verschrikking God verlaat en hij zich alleengelaten
in de handen wrijft, zijn zelfverklaarde eenzaamheid
overziet als een afgebrand bos waar gisteren nog de
vossen slag voerden met de eieren van godweetwelke
amfibie, leggen overal op aarde vrouwen hun sluiers af
en mengen zich onder de beverige mannen van het
publiek terrein, terwijl de loper uitgelegd wordt voor
hun onthulde schoonheid, die zo oud is dat zelfs God
het zich niet heugen kan. Ze zijn vormvast en ontfermen
zich over de paar vossen die nog over zijn. Pas dan
zullen zij zich met hun mannen bemoeien. En ontstaat er

 

een heel ander weertype.
Pas dan.

 

Of wanneer

de piepende rollator van de gepensioneerde beul
vastloopt in het ijverige zand en de goede man zijn
laatste kaarten uitspeelt en inlevert, weet de moedwillig
blinde grootmoeder van het recht het licht op waarde
te schatten en stapt samen met het verwende zoontje
van haar bastaard van de schaars begroeide rotsen. In
haar verdorde hand wordt evenwel een brief aangetroffen
die boekdelen spreekt over haar merkwaardige voorliefde
voor maanlicht

 

en alles
wat staat of valt.

 

Maar wie

zich hult in ja en nee bedoelt zal de hand aan zichzelf slaan
bij wijze van straf en in hoger beroep veroordeeld worden
het heelal te overleven. Geeft niets, heeft niets. Als maar tijdens
het luchten de stilte stem geeft aan de donkere maar rijk
belauwerde spiegel van de liefde die tot aan het einde wordt
verstrekt. Het is zonneklaar: ze heeft alles in huis. En

 

de wind
werpt het laatste woord.

 

 

 

 

ill. Egon Schiele, Herbst Baum gerührt Luft, 1912

 

 

Abusievelijk Abc

 

Abusievelijk Abc

 

Alle geile zalmen zwemmen naar zee
dansende darren opwaarts de stroom
sip als een boemerang niemand zegt nee
            de wetsteen is wet waar zonder schroom
            boekdelen lallen van bronst onverlet
            in de alom tierende vroomzieke droom

 

Braak liggen de gronden voor wie kust
van de dageraad de aars met z’n baard
ah zie de moede koe hoe zij troostrijk rust
            haar kop op de kont van haar zus
            & langs alle waarden naar hun aard
            het schaap haar eigen schaduw baart


Chef-kok baldr aanhoort zijn gerecht
alles van aarde liegt & ijlt het is
wat men dregt & wat u zegt net echt
            vrijmoedig u leest hier op de plee
            de aan hitler toegeschreven goudvis
            eerlijk erfgoed – t zit m niet mee

*

Zo speelt in haar zelfvoldane spelonk
de nijvere arbitrix
met haar goddelijke vonk

 

 

Marsman

Denkend aan Holland

zie ik vele kleuren

traag door oneindig

Nederland gaan,

rijen mensen ondenkbaar dik

roeien met de riemen

alsof hun leven er van afhangt

Zij voeren ijle populieren ten toneel

als hoge pluimen op hun hoge hoed om

aan het einde tegenover elkaar te staan

en in die geweldige

ruimte verzonken zien ze

de mega-boerderijen

verspreid door het land,

geknotte boomgroepen en dorpen,

torenflats, wolkenkrabbers in steden

kerken die staan te vermolmen

Dat alles in een groots verband.

het licht hangt er altijd laag

en de zon wordt er langzaam

in grijze veelkleurige

dampen gesmoord,

en in alle gewesten

– van gewest tot gewest –

wordt de stem van het woord

met zijn eeuwige rampen

gevreesd en gehoord.

Wat doet een schilder op een regenachtige zondag

Wat doet een schilder op een regenachtige zondag terwijl Berio op repeat door het huis schalt: in een half uur met groot plezier en zekerheid 7 schilderijen vermoorden. Zonder moord geen leven, zonder fouten niets nieuws; met dikke verf ongericht contrastwerking ophogen, bezadigde frivoliteiten uitbenen op zoek naar bot, geen vorm of kleur mag zichzelf blijven, ze moeten veroverd worden. We moeten hard zijn voor de vormen en kleuren.
Zelfs naamgeving van de dingen ondermijnt de essentie van het bestaan volgens Wessel te Gussinklo – ik hoorde hem vanmorgen op de tv naar aanleiding van zijn boek ‘zeer helder licht’ Ik las ooit een ‘verschrikkelijk’ boek van hem, maar deze moet ik weer lezen. Wat een man!
Die kleuren en vormen willen van alles zijn maar ik sta ze dat niet toe. Ik haal ze links en rechts in op zoek naar het daar en hier dat zich in het niets ophoudt. Alle betekenissen moeten bevraagd en uitgehold worden; zachtheid moet hardheid, warm moet koud. Genadeloos licht zoek ik, ijslicht in de ene en denklicht in de ander of andersom. We zijn op godsdag goed bezig maar onverbiddelijk, ja! Ik heb enkel middeleeuwse schilderijen in mijn hoofd met wat moderne spoken: Berio is hun spreekmeester vandaag: hij draagt mij op: ‘geen halfwassen esthetisch gekukel, ezel, zoek de finesse aan de randen van je domme weten; daarvan heb ik een voorraadje voor je klaarliggen. ‘Zoek het in de overdaad van niet weten.’

LIMBO™

LIMBO™, een ingrijpend audiovisueel en olfactief meditatieprogramma van DanTechⓇ – met gratis oefening!

Opstelling

  • stel: er is een tijdstip vooropgesteld waarop je hier weg kan
  • stel: het tijdstip is jou onbekend, je weet alleen dat het ooit komt
  • stel: je kan het verschrijden van de tijd aflezen aan  een periodieke wisseling in de lichtintensiteit (duister ->zwart->duister)

Beschrijving

je ziet (vanuit een standpunt dat langzaam voortbeweegt, alsof je wandelt door een kunstgalerij):

  • bleke gezichten (neutraal)
  • een voetspoor dat zich verderzet door een onmetelijke woestijn alsof er een onzichtbare man blootsvoets doorloopt
  • straatbeelden van een verlaten (groot)stad
  • sprekende, roepende, verwijten snauwende monden (met grauwe lippen)
  • een boom die plots al zijn bladeren lost, de boomstam splijt, de takken worden slangen op de grond
  • spugende oudjes (richting standpunt)
  • spugende kinderen (richting standpunt)
  • bloedende onderdelen van vreemde lichamen
  • bloedende onderdelen van jouw lichaam
  • herkenbare onderdelen van het lichaam van jouw geliefden vermengd met onbekende lichaamsonderdelen
  • beelden van de reikende armen en handen van jouw geliefden die transformeren in wurgende tentakels
  • een ambtenaar die systematisch alle entries in een database wist (het zijn de talloze items uit jouw geheugen)
  • toekomst beelden van jezelf, naakt in een hagelstorm, strompelend, bloedende schaafwonden op de dijen, het hoofd, de armen, ontbrekende lichaamsdelen
  • het lijk van je vader waarvan de ogen plots opengaan
  • deze tekst, waarvan de letters tergend langzaam verdwijnen in een egaal wit veld
  • een eindeloos vuil,  bruinig tot wit veld, glooiend en zachtjes deinend met opstijgende dampen onder een paars verkleurde zon (stapels wormstekige  lijken)
  • een ellenlange stoet van vrouwen op leeftijd die halfnaakt, met uitgezakte boezems en buiken lonken naar jou
  • jouw spiegelbeeld, jouw gelaatstrekken vervagen, stompen af, de openingen groeien dicht je hoofd wordt een egaal vleeskleurig ei

je hoort:

  • het trippelen, knagen en wroeten van een rat
  • het druppen van een kraan
  • het razen, veraf, van het drukke stadsverkeer
  • schrille vrouwenstemmen die verwijten schreeuwen
  • huilende kinderstemmen
  • zwelggeluiden als van monsterlijke slangen die lijven verorberen/verteren
  • een bange kinderstem zingt een liedje over Heer Halewijn
  • een droge knak gevolgd door een oorverdovend geruis, urenlang herhaald
  • ontploffingen, knetterende vuurhaarden, ondergronds gerommel
  • een  nauwelijks hoorbare klaagstem, een oude vrouw die jammert in wat Russisch lijkt
  • droog pokkende ratels van machinegeweren
  • stemmen die diep-aangeslagen onverstaanbare dingen zeggen (alsof ze je willen helpen)
  • het snerpende gelach van een koppel in bed, een van de stemmen herken je als die van je partner

je ruikt:

  • versgebakken brood waardoor zich traag een brandgeur mengt
  • opgewarmde koffie met cichorei vermengd met rioolgeuren uit een slecht afgesloten afwasbak en muffe lakens
  • het zweet & geil van een jouw onbekende vrouw (man)
  • rot kippenvlees
  • verstaald bier, gordijnen met de walm van sigaretten
  • verstikkende rook
  • ammoniak
  • de zee, gradueel verglijdend naar de stank van een open riool en terug

Oefening

  • herhaal: er is een tijdstip vooropgesteld waarop je hier weg kan
  • herhaal: het tijdstip is jou volslagen onbekend, je weet alleen dat het er is 
  • herhaal: lees wat je ziet, wat je hoort, wat je ruikt
  • opdracht: geniet van je dag met LIMBO™

Een storm vervolmaken

Buiten bereidt men een storm voor

en ook binnen is het stil.

Het apparaat is klaar voor gebruik,

u kunt de meting starten.

 

Van de weeromstuit de dichter

ligt er sprakeloos bij met halfglazen blik.

De pax poetica heeft hem te pakken.

Hij mompelt zelfs niet meer.

 

(Dit gedicht is in Amsterdam afgedaan als mechanisch; terwijl het eigenlijk nogal procesmatig is. Tja, in Amsterdam zijn ze niet altijjd mee met de stroming buitengaats)

Ergo

Ergo

 

En de maan van was wast of geen duister was
haar aanschijn wars beplast alras het luisterglas
kil verstilt het witte wif & alle dimster sterft en masse
zi dommelt schrilings in heur sas op ’t sterrenras

Rechtstandig vlaagt & vraagt & vaagt de hemelzoon
de heuvels om de doem van dal & al verschoond van schroom
sterker dan de zon, de zee, het brullen van de modderstroom
regen wast de wond’re wijze wei-de we-rèld rein & schoon

Ga dan, wees & rijs, reiziger in lingerie zo zij & zacht
zoek de verschillen, het kruipbehang, de korenwan
eens in de optelsom van haat & smaad raak ik uw vacht

O dank, ik denk, vandaar mijn lief ik ben & ban
de lustloos bange pen die dag pent waar de nacht
herwint haar roep & licht & overmacht o daar niet van

 

 

 

 

Pro-cd

daar staat wat wens en waar
is menselijk beschreven

Lucebert, Ballade van de goede gang

 

Pro-cd

wij veranderden schaterlach in klaterlach
spraken van het dagerood & liefdesbloot
dat van jezus was rotfruit dampend schroot
te zwaard te wreed wat de god ervoor gaf

wij lachten om jezus & jezus lachte om ons
narren waren we lammeren des doods
al het bête blaten onnoemelijk groots
d’almachtige gaf ons omstandig de bons

haha maak mij de pis niet lauw
keer de buik met lachgas & gezag
hoho galmt de dweil langs steigerbouw
jeukt het je boven de ogen, als dat mag?

hihi hikt de knikkerroffel van de specht
een warrig godsoordeel maar dan net echt

 

met dank aan Engred Kremer voor de pis & de jeuk
en Maaike Molhuysen voor de knikkerroffel (op marmer)

ill. Clovis Trouille, L’irrévérence

Knock-knock-knockin’ on heaven’s door

 

 

Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden,
de dageraad zijn plaats aangewezen?

Job 38:12

Mama take this badge from me
I can’t use it anymore
It’s getting dark, too dark to see
Feels like I’m knockin’ on heaven’s door

Bob Dylan


Het antropocentrisme, nieuw of niet, is een perspectief van zelfoverschatting, hoogmoed,
zo je wilt – precies het tegenovergestelde, het besef dat we als mens een rol spelen binnen
het decor van onnoemelijk veel grotere en complexere krachten, en zelf een natuurverschijnsel
zijn onder de natuurverschijnselen, inclusief onze menselijke cultuur en voortbrengselen,
zou een zinnige bijdrage kunnen zijn aan de waargenomen veranderingen, waarvan we
onmogelijk het hele spectrum kunnen overzien. De mens is net zo goed speelbal als speler
binnen het chtonisch decorum, en zowel verantwoordelijk voor als slachtoffer van de
instandhouding van de dampkring – daarin verschilt hij bijvoorbeeld niet van het insect
of de bacterie.

De zelfoverschatting zorgt voor stagnatie en niet voor ontwikkeling.1)

Het is natuurlijk mooi dat de mens zich zorgen maakt over zijn leefmilieu, gezien door
menselijke bril, en tracht ontwikkelingen te beheersen of zelfs tegen te gaan, maar hij is
vooralsnog nauwelijks in staat te denken of handelen buiten zijn culturele actieradius
of drang tot zelfbehoud. ‘Ons’ grootste probleem is de overbevolking van de soort, en de
desastreuze monocultuur. De aarde en de dampkring overleven dat wel, ze hebben voor
hetere vuren gestaan. Het is allemaal een kwestie van perspectief (en, helaas, ook van
politiek en onderlinge strijd).

 

 


1) Friedrich Nietzsche, Die fröhliche Wissenschaft, 1882

ill. William Blake, Jerusalem (detail)

Zwart ik en lieflijk

Hooglied 6:13

 

Keer om, keer om, keer om
mijn lief op uwen schapenvacht
zo maakt u onze nachten zacht
& deze levensliefde louter pracht

Keer om, keer om, keer om
verwentel uw ontroerend lijf
dat smeekt & smeekt, ach blijf
– verlief me, maak me stijf

Ach mag de maan – zij lacht –
omarmen uw zoet zielsverblijf
laat me genieten van uw nacht
tot ik bezwijm bij het geschrijf,
     zo rijm op uwen wond’re smacht
     & almaar wat ik ben bij u bedrijf

 

             ~

 

 

 

 

ill. Emil Nolde
titel Hooglied 1:5

 

nostalvember

In het kader van nostalvember, een pleebeïsch initiatief dat ik op mijn persoonlijke site heb uitgevonden, vraag ik graag uw aandacht voor de volgende gedateerde verzen:

dementie (voor Neeltje M Min)

stort het in in me
dan wil ik dat graag weten
en erbij zijn als het kan
mijn eigen naam wil ik blijven heten
ookal weet ik er zelf niets meer van

 

uitvindingen die deze eeuw nog worden vervangen door betere:

de keramieken poepstoel
de orale schuimpasta
de koolstofmotor
de blikken donderkar
de papieren waardevelletjes
de papieren hygiënevelletjes
de zoemende luchtbevriezers
de zalvende hypocrieten
de diersnijdersfabrieken
de platte breinverdoezelaars

 

de stad ontevreden I

Aan de rand zie je kreupelen en melaatsen
die daar vergroeid zijn met de stenen
ze grijpen naar alles, pas op voor je benen
hun kermen hoor je tegen de gevels weerkaatsen

Gifgroen fruit staat in nette rijen opgesteld
telefoons, broeken, parfum, pruiken
die dingen liggen daar om te gebruiken
ze worden verkocht voor wat doet leven: geld

Straks keren de mensen weer terug in hun holen
daar gaan ze gezellig al hun rijkdommen delen
met hun levende geliefden, of hun dode idolen

Maar hier, in het helle openbaar verscholen
heerst de wet van jij kan mij niet schelen
de stad is een vergissing van symbolen

Hello? hello? Is it me you’re looking for?

ogen zijn nu eenmaal zwakzinnige dieren
en oren dromen van boten in de wilde vaart
monden praten over rivieren in moderne deltataal
hersens kissebissen over historische gletschers 
lichamen spoelen gelijktijdig aan in ons avondland

alle oorschelpen zijn nu zwart 
het helgeel is op en van zinkwit is nog een beetje
dit is een bericht uit de praktijk van de schilder
dit is een vluchtgedicht dat kenbaar maakt
wat hier aan de hand is en nee, geen plaatjes

ogen verblinden zichzelf vanzelfsprekend
dat hoeft geen patjepeeër of oelewapper uit te leggen
ruk op met die vreselijke schijn 
excuus, ik draaf door en zal het netter zeggen:

ogen schuilen achter eigen spierballen
dat is altijd zo geweest en nu niet anders 
want harsens zijn een vertier van domheid
kiezen roesten in een tandeloze tijd zwart amalgaam

haar wakkert in oude wind ooit verwaaid uit Vlaardingen
tanden shinen blinkie blinkie het gebeente van de wereld toe
het harnas van de organen staat wijd open en
omdat het kan vreet iedereen zich ongans aan de ziel

Hello? Hello? Is it me you’re looking for?
de horizon kruipt traag van links naar rechts 
slurpt alle lucht weg, Daniels is in the air
zingende vlinders fladderen hoog weg in ijle ruimtes

Assepoel

 

Assepoel

 

Bij bosjes, jonger dan ik,
sterven ze, de vrouwen,
de mannen. De trein vertrekt,
de kaartjes zijn gecheckt –
nakijken is een opgedrongen
hobby, het houdt je jong van tong.

Ik bloei als een inktblauwe roos
op het blad van de leizwarte doos.
Zing van het mooiste wat windstil
mij overkwam. En stil ik ril.
Vrachtwagens razen langszij,
sirenes roepen, niet naar mij.

In haar blozende lievelingsseizoen
– de maan zoekt dwaas haar kippen –
bezingt zij haar glimglazen schoen,
tref ik er prachtvolle, lustdolle lippen.

Zo jong als mezelf bestijg
ik de spreekstoel, het bed,
en zwijg als mezelf, ouder,
van bosjes liefde besmet.

 

               ~

 

ill. naar Walt Disney